InterviewErnest van der Kwast

‘Het leven is geen experiment. Je mag het maar één keer doen’

Beeld Erik Smits

Schrijver Ernest van der Kwast is opgevoed met de Indiase cultuur van zijn moeder en de Nederlandse achtergrond van zijn vader. Als vrijwillige coach van jongeren met grote schulden uit multiculturele wijken ziet hij hoe leven in verschillende werelden ook slecht kan aflopen. ‘Ik had ook aan de andere kant kunnen zitten. Als ik niet Van der Kwast had geheten.’

Het was een ouderwets absurdistisch etentje met zijn moeder, de dwingende, excentrieke, obsessief-zuinige moeder die Ernest van der Kwast eerder zo wervelend heeft beschreven in zijn bestseller Mama Tandoori. De schrijver bestelde sushi, zij nam niets. Natuurlijk. Zoals zijn moeder in een restaurant ook nooit iets te drinken bestelt: bespottelijk duur, in de ogen van een Indiase vrouw die in extreme armoede is opgegroeid.

‘Eet je dit nog op?’, vroeg ze aan Ernest, die afwezig zijn hoofd schudde. Op hetzelfde moment zag hij hoe zijn moeder de klont wasabi in haar mond stopte – nooit eten laten liggen. ‘De tranen sprongen in haar ogen. Ik heb, samen met haar, hartstikke hard zitten lachen: je bent godverdomme gestoord. Geniet nou eens van het leven. Durf het.’

Dat kan ze nog steeds niet?

‘Nee. Dat raakt me op dezelfde manier als bij de jongeren die ik nu begeleid: begin met leven. Stop met dat negatieve. Met dat roepen dat je een crimineel verleden hebt en dat je daardoor altijd geld had, waarvoor je nu moet werken, terwijl dat maar zo weinig oplevert. Breek. Zet die stap. Ik zie de weg wel om eruit te komen. Ik kan van alles voor die meiden en jongens regelen: een huis, schuldhulpverlening, een baan. Maar ik kan niet voor ze werken, ik kan niet voor ze afkicken. Ik kan mijn moeder niet gelukkig maken: dat moet ze zelf doen. Fuck, het leven is geen experiment. Je mag het maar één keer doen.’

Op de lange, smalle houten tafel in de hoge woonkamer van zijn huis ligt zijn laatste boek: Ilyas. Zijn derde grote roman, die zich afspeelt in zijn eigen buurt, waar hij woont met zijn vriendin en twee zoontjes van 10 en 12. Een multicultureel deel van de Rotterdamse wijk Kralingen, met veel sociale woningbouw: grijzig trespa, onder grote schotelantennes. Een deel van de portiekflats is gesloopt om plaats te maken voor een paar straten met charmante bakstenen nieuwbouwhuizen. In jarendertigstijl, met een tuin aan een afgesloten binnenterrein – voor nieuwe, kapitaalkrachtiger bewoners. ‘Een wijk van hoofddoekjes en bakfietsen’, heet het in Ilyas.

Sinds 2017 is Ernest van der Kwast een van de 250 ‘Rotterdamse Douwers’, een club Rotterdammers die zich inzet om jongeren met wurgschulden te helpen. In zijn tragikomische roman wordt die rol vervuld door Peter Lindke, een conservator van Museum Boijmans Van Beuningen. De conservator is pardoes ontslagen nadat hij bij een populaire televisieshow de echtheid van een pas ontdekt portret van Rembrandt in twijfel trok. Thuis ontdekt de wereldvreemde conservator, voor wie het leven voorheen vooral draaide om de schoonheid van de 17de-eeuwse schilderkunst, dat zijn huwelijk aan het kapseizen is. En dat hij een schoonmaakster heeft. Mét grote financiële problemen, ook dat.

Hij helpt de schoonmaakster, aan een sollicitatiebrief, een officiële baan, kinderbijslag. Waarop zij voor de deur staat met haar Marokkaans-Nederlandse achterneefje Ilyas. Een verloren vogel, zonder baan, zonder woning, zonder iets – behalve 20 duizend euro schuld. Peter wil hem redden, maar dat pad blijkt lang, gevaarlijk bochtig, en soms bijna onbegaanbaar.

‘Ik heb zelf in het keukentje gestaan van zo’n jongen en gejankt’, zegt Van der Kwast. ‘Hij had zes maanden huurachterstand, werd zijn huis uitgezet. Ik heb voor hem een kort geding gewonnen. Hij kreeg 500 euro schadevergoeding, want zijn vloer en alles was er al uitgetrokken. In dat keukentje vroeg ik: wat heb je ermee gedaan? Hij zei: ‘Ik ben ermee naar het casino gegaan en heb verloren.’’

En toen begon je te huilen?

‘Dat heb ik vaker gedaan. Dat ik denk: ik heb dit voor je kunnen doen, ik heb dat voor je kunnen doen, ik ben met je op de trein gestapt, heb je op een OV-fiets zes kilometer door het bos geduwd omdat jij niet meer kon fietsen, naar je afkickkliniek. Waarom lukt het dan niet? De vraag die in Ilyas zit is: ‘Kun je iemand helpen, waarom wil je iemand helpen, wil iemand wel geholpen worden?’

Beeld Erik Smits

Waarom wil jij die jongeren helpen?

‘Ik kan me ergens enorm in vastbijten, net als mijn moeder, toch een soort tijgermoeder. Die karaktereigenschap moet je wel hebben.’

Maar toch: waarom doe je het?

‘Ik ben opgegroeid in deze wijk. Ik kom uit een gemengd gezin. Ik sta zowel in die witte als in die gekleurde wereld. Ik zie steeds meer verschillen. Steeds meer segregatie. Ik had ook aan de andere kant kunnen zitten. Als mijn vader geen arts was. Als ik niet Van der Kwast had geheten.’

De schrijver woont hier sinds 2012. In een doodlopend straatje, in een van de weinige oude koopwoningen. Hij is de jongste van de drie zonen van een Indiase moeder en een Nederlandse vader, een patholoog gespecialiseerd in prostaatkanker. Zijn middelste broer Hans is inmiddels fysiek geograaf en universitair docent. Zijn oudste broer Ashirwad is verstandelijk gehandicapt en woont sinds zijn 23ste onder begeleiding, tegenwoordig in een huis in Ommoord.

Vader en Moeder Van der Kwast zijn twaalf jaar geleden verhuisd naar Toronto, voor zijn werk als professor.

Mis je ze?

‘Tuurlijk mis ik ze. Maar waar ik echt moeite mee heb is dat mijn moeder te weinig overvliegt om Ashirwad te zien. Ze vindt de tickets te duur. En dat vind ik gelul. Dat ze niet langer voor hem kon zorgen begrijp ik volledig. Ashirwad is gedragsgestoord en kan me echt aanvallen. Met een kracht..., hij verscheurt alles. Mijn moeder werd ook door hem aangevallen. Fysiek geweld door je zoon is verschrikkelijk. Wat mij het meeste pijn doet is dat Ashirwad zich juist zo uit bij degene die hij vertrouwt. Ik zie die verwarring bij hem; dat maakt me zo verdrietig.

‘Maar ik vind dat hij nu geweldige stappen maakt. Hij belt op: ‘Ik hoor stemmen in mijn hoofd.’ Ik vraag: ‘Wat zeggen die stemmen?’ Zegt hij: ‘Uitje met Ernest.’ Ashirwad komt hier tegenwoordig bijna elke week eten of ik ga er met hem op uit. Hij heeft een groot gevoel voor humor. Onze running gag is nu, in de coronatijd: ‘Geen vleermuis meer eten.’ Stond ik bij hem voor de deur, tijdens de lockdown: wat heb je gegeten vandaag? ‘Pasta.’ Zat daar vleermuis bij? ‘Nee.’’

Een typerend citaat uit Mama Tandoori: ‘Soms, als de tranen om de dingen over haar wangen lopen, mompelt mijn moeder: ‘Mijn oudste zoon is verstandelijk gehandicapt, mijn jongste zoon is schrijver.’

‘Mijn moeder hecht een enorm belang aan studie. Ik was al verliefd op de literatuur op de middelbare school. Zij wilde een universitaire studie.’ Hij lacht: ‘Er was vrije keus in die zin dat er drie keuzes waren: geneeskunde, rechten of economie. Geen sociologie of psychologie: dat was te soft. Ik heb vier jaar fiscale economie gestudeerd, voor haar. Toen ben ik gestopt. Ze heeft het nooit begrepen. Zij heeft nooit begrepen waarom ik bepaalde dingen doe. Ik weet nog dat ik op de middelbare school had geblowd. Haar hele wereld stortte in: mijn zoon is een junk. En ook nog een kunstenaar.

‘Het heeft me wel een aantal boeken gekost om niet meer haar stem te horen als ik aan het schrijven en worstelen ben: ‘Had nou naar mij geluisterd. Had toch je studie afgemaakt.’’

Jullie woonden vroeger in het chique deel van Kralingen. Als donkere kinderen waren jullie anders dan de rest, vertelde je middelste broer in het Financieele Dagblad. Daar gingen jullie verschillend mee om.

‘We moesten een winterjas kopen, bij C&A. Mijn moeder ging zoeken. Dat duurde heel lang, omdat mijn moeder altijd het allergoedkoopste wil, liefst met een foutje. Ze had ons bij twee van die draaimolenpaarden geparkeerd, waar een kwartje in moest, maar wij kregen dat kwartje natuurlijk niet. Dus we zaten daar maar te zitten op zo’n stilstaand paard. Ik ging wandelen, op zoek naar mijn moeder. En toen zag ik een waanzinnige jas. Ik dacht: yes, die pak ik. Ik had gelijk de klauw van een verkoopster in mijn nek: ‘Jij was hier vanochtend ook al. Jij wilde toen al een jas stelen.’ Ik protesteerde: ‘Maar ik had vanochtend tennisles.’ Ze zei: Jíj? Tennisles??’’

‘Uiteindelijk belandde ik in zo’n kamertje met een bewaker. Mijn moeder komt binnen en zegt: ‘Ik had je nog zo gewaarschuwd: blijf bij die paarden. Dan hadden we dit gezeik niet gehad.’ Niks over die onterechte beschuldiging.’

Beeld Erik Smits

Jouw middelste broer leerde hypercorrect te zijn.

‘Om geen gezeik te krijgen.’ Vaag: ‘We zijn op straat een keer met iets echt vervelends, echt iets traumatisch... Wat er dán gebeurt.’

Wat dan?

‘We waren op straat aan het spelen, Kees en Mark en Leendert en mijn broer Hans en ik, de donkere kindjes van de Jericholaan. De aanhangwagen van de man van de bloemenzaak was losgemaakt door een paar andere jongens. Hij begon tegen Hans en mij te schreeuwen: ‘En jullie twee gaan dit maken.’ We moesten met onze vingers in een soort teer roeren om de koppeling van de aanhangwagen te smeren. Dat spul was zwart en vies en ging niet meer van onze handen af. Mijn broer heeft toen besloten: ik zorg dat ik nooit meer terechtkom in dit soort situaties. Terwijl ik dacht: ik ben zoals ik ben. De jongen met branie.

‘Ik heb een bepaalde zelfverzekerdheid ontwikkeld. Blikken raken mij niet. Mijn vriendin komt uit een arbeidersmilieu, haar vader is arbeider in Italië. Als zij een dure kledingwinkel in Milaan binnengaat voelt ze hoe er naar haar gekeken wordt. We gaan je niet helpen, wat doe jij hier in je spijkerbroek? Terwijl: als ik bij de Prada-zaak in Milaan kom, is het voor mij bijna zoiets als naar de bakker gaan. Ik zou daar zelfs in mijn onderbroek en pantoffels naar binnen stappen.’

Later: ‘We hebben dat met die teer niet eens verteld, tegen onze ouders. Over het gedoe met die jas is ook naderhand met geen woord gesproken. Ik heb dat ook lang niet als discriminatie gezien, juist omdat er niet over gepraat werd. Nu pas kan ik dat erkennen. Dat vind ik ook wel lastig. Omdat het je in een hoek duwt waarin je helemaal niet wilt zijn. Ook omdat je jezelf niet zo ziet – als iemand die kan worden gediscrimineerd. Maar goed: ik ben gezegend. Het is maar een paar keer gebeurd. Omdat ik misschien niet zo donker ben, omdat ik succes heb, weet ik veel.’

Waarom spraken je ouders niet over discriminatie?

‘Ik heb het ze nooit gevraagd. Misschien schaamde mijn moeder zich. Ik denk dat ze dacht: ik praat er niet over, maar zorg ervoor dat mijn kinderen opgewassen zijn tegen de samenleving. Door een goede studie, waarmee ze genoeg geld verdienen. Waardoor ze zelfvertrouwen krijgen.’

Jouw broer zei ook over jou: ‘Zijn leven is verder nogal wit.’

‘Daar ben ik wel over met hem in discussie gegaan. We hebben elke dag kinderen over de vloer met een niet-westerse achtergrond. Ook omdat we onze kinderen niet op een witte school hebben gedaan.’

Maar komen hier ook ouders langs van bijvoorbeeld Marokkaanse of Turkse herkomst?

‘Minder. Dat komt ook door hun geslotenheid. Het is van beide kanten. Ik denk dat ik dat ook wel beschrijf in het boek. Schaamte aan de ene kant en angst aan de andere kant om het verkeerd te doen. Culturele angst.’

Korte stilte: ‘Mijn broer heeft natuurlijk ergens wel een punt. Tuurlijk heb ik wel een paar gekleurde vrienden. Maar de meesten zijn wit. Als ik kijk naar mijn hardloopgroep: die is redelijk wit. De jongeren die ik begeleid, die zijn niet wit.’

Je zet de nieuwe, hoogopgeleide bewoners in de buurt nogal neer: de mensen die vinden ‘dat ze hun bijdrage aan een betere wereld al hebben geleverd door links te stemmen en belasting te betalen.’ Als een muur in RAL 9001 wordt overgeschilderd in plaats van RAL 9010 is dat groot leed. Het poreuze designaanrecht waar vlekken intrekken is een belangrijk gespreksonderwerp tijdens een etentje.

‘Het zijn voorbeelden die ik zelf heb meegemaakt. Laat ik het zo maar zeggen.’

Beeld Erik Smits

Maar een man die niet eens weet dat hij thuis een schoonmaker heeft – denk jij echt dat dat kan?

‘Misschien is het gechargeerd. Maar ik denk dat ik die overdrijving nodig heb om de lezer wakker te schudden. Wat weten we echt van onze schoonmaker? We weten alleen dat ze is geweest en dat ze is betaald.’ Ernstig: ‘De nieuwe bewoners in mijn boek zijn vol idealisme in de wijk gaan wonen. Ze zien zichzelf als open en tolerant. Maar het is wel klote dat die migrantenkinderen allemaal flesjes op straat gooien. En dat er ratten rondlopen. En dat er overlast is tijdens de ramadan.

‘Ik las een interview met de Franse schrijfster Leïla Slimani waarin ze zei: ‘Dan heb je linkse mensen, die het beste voorhebben met iedereen, maar ze zijn eigenlijk niet opgewassen tegen de confrontaties in de multiculturele samenleving.’ Dat heb ik willen onderzoeken in mijn roman. Wat gebeurt er eigenlijk, in zo’n buurt?

‘Mijn vriendin en ik hebben zes jaar in Zuid-Tirol, in Italië gewoond. Daar werd ik Der Schwarze genoemd, door de mannen in het bergdorpje. Dat vond ik niet leuk, maar ik ging niet met die gasten in gesprek. Ze bedoelden het niet zo. Toen kwam ik terug in Rotterdam en dacht: wow, hier heb je dus echt een gemengde stad, met alle botsingen die dat met zich meebrengt.’

Je vriendin en jij hebben ook een tijdje apart gewoond: zij in Bolzano, jij in Rotterdam.

‘We zijn even uit elkaar geweest. Ik vond het lastig in Italië, ik wilde hier dingen doen. En zij wilde niet deze kant op. Twee culturen, het is ook lastig. Italiaans-Nederlands valt wel mee, maar toch is er veel verschil. Italianen zien hun familie liefst elk weekend, dat vond ik soms wat veel.’

Het zegt ook iets over de gecompliceerdheid van de multiculturele samenleving, met zoveel culturen die vaak nog veel verder uit elkaar liggen.

‘Ja. Fuck. Ik heb ook geen antwoorden. Maar ik wilde de vragen benoemen, in dit boek. Femke Halsema haalde haar kinderen van een zwarte school, omdat ze vond dat haar kinderen geen sociaal experiment zijn. Dus je kunt wel idealen hebben: zo gemakkelijk is het niet, in de praktijk. Kee, de vrouw van Peter in het boek komt uit Zeeland en wil eigenlijk wel terug. Ik laat haar zich afvragen: ‘Als ik weer naar Zeeland ga, ben ik dan een racist? Omdat ik niet kan omgaan met die veranderende samenleving?’’

Hij kijkt naar de hoge wand, van zijn koopwoning. Lacht: ‘Ik heb ook RAL 9010.’ Dan: ‘Voetballen ging niet, voor mijn zoontjes hier. Omdat ze geïntimideerd werden op het veldje. Toen ben ik mee gaan voetballen. Ik was bekaf en niet van de fysieke inspanning. Daar lopen jongens rond die slaag krijgen van hun ouders en dat doorgeven op het veld. Continu, bij elke aanraking, elke keer als een andere speler hun bal afpakt, worden ze boos. In plaats van zich te realiseren: dit hoort bij het spel. Ze zijn snel beledigd, snel gekrenkt, hebben een kort lontje.

‘Ik bagatelliseerde wat mijn zoontjes meemaakten. Ik zei: ‘Kom op, ik heb vroeger ook gevoetbald.’ Tot ik ging meedoen en besefte: wow, dit is pittig. Ik stond hier op de hoek en zag een vader uit een winkeltje komen met een peuter. Die vader sloeg zijn kind in het gezicht. En ik dacht: daar begint het mee.’

Zijn telefoon gaat over. Hij kijkt en mompelt de naam, van een van de jongeren die hij helpt. ‘Ik bel haar zo terug.’

Beeld Erik Smits

Je moeder, uit een gezin met tien kinderen, is opgegroeid met de melk van een geitje, omdat haar eigen moeder geen melk meer kon geven.

‘De armoede is in mijn moeder gepreegd, als een reliëf in papier. Ik vond het lastig als kind, ik schaamde me diep voor haar. Ik kreeg nooit nieuwe hardloopschoenen; mijn schoenen hadden gaten aan de voorkant. Mijn sokken hadden uitgelubberd elastiek en als het modderig was hing zo’n sok er aan de voorkant uit, als een soort condoom. Een trainer zei: ‘Maar je vader is toch arts?’ ‘Ja, maar mijn moeder...’

Waarom protesteerde je vader niet?

‘Ik kan het erg goed met hem vinden, maar mijn vader is ook uniek, buitenaards, wel. Hij hecht totaal geen waarde aan spullen. Vroeger vroegen we hem weleens: ga je in je pyjama college geven of zo? ‘Hè, ik heb me net omgekleed’, zei hij. Ik heb hem er nooit op betrapt dat hij naar een andere vrouw kijkt; het lijkt of mijn vader geen schoonheid ziet. Behalve als het om zijn werk gaat. Als ik bij hem op de universiteit kwam, vroeg hij me weleens door de microscoop te kijken. Was-ie laaiend enthousiast, want daar lag een zeldzame afwijking van een tumor onder, met al die verschillende kleuren. Terwijl ik alleen maar kon denken: er gaat iemand dood.’

Zag hij niet dat zijn kinderen zich schaamden voor hun zuinige moeder?

‘We konden daar niet zo goed over praten. Dus ik weet niet of hij dat heeft meegekregen.’ Denkt na: ‘Maar ondanks mijn jeugd is het toch heel lastig te voelen wat de jongeren voelen die ik begeleid. Die jongens die in de schuldhulpverlening zitten krijgen 50 euro per week. Kan ik me verplaatsen in iemand die 23 is en met 50 euro moet rondkomen?’

Wat denkt je vriendin ervan dat je zo intensief bezig bent met die jongeren?

‘Kathrin vindt het heftig. Mijn vriendin ziet hoe mijn gemoed er soms onder lijdt. En die jongeren komen hier ook wel over de vloer en eten mee. Ik merk aan haar ook weleens dat ze het wel ver vindt gaan. Ik neem zo’n jongen soms ook mee naar het strand, met het gezin.’

Je kinderen worden dus al jong geconfronteerd met de grote problemen van zo’n jongen.

‘Er zijn ook momenten dat ik zeg: jij kunt niet meer bij ons thuiskomen. Als jij niet in staat bent af te kicken kom je er niet meer in.’ Hij wijst naar een plank, met flessen drank. ‘Soms zie je een jongen kijken. ‘Wij drinken vanavond niet’, zeg ik. Waarop hij zich kinderlijk bejegend voelt. Ik zie die woede. Ik voel me nooit onveilig. Maar dat voelt niet goed.’

Verslaafden stelen zelfs van hun ouders.

‘Ik krijg weleens een appje van mijn vriendin, als ik in de stad ben, om iets te presenteren of zo. ‘Er staat een jongen voor de deur. Hij vraagt waar je bent.’ Dan zeg ik: ‘Laat hem maar weten dat ik om 11 uur thuis ben en dat hij daarna binnen kan komen.’’

Hoe vinden de jongeren die jij begeleidt het om hier op bezoek te zijn?

‘Ze snappen mij niet: waarom doe ik alles op de fiets? Of ze maken opmerkingen over mijn schoenen. Voor sommigen is een matgrijze Mercedes hun levensdoel. Dat is pas succes, die kant willen ze op. Heel oppervlakkig, materialistisch. Terwijl, als ik ze vraag: ‘Hoe zit het met daten?’, blijkt dat ze nooit een date hebben, niks. Totale eenzaamheid. Door de armoede.’

En door jou zijn ze even in een andere wereld.

‘Jaha. Ik krijg veel uitnodigingen: voor het filmfestival, premières, boekpresentaties, noem maar op. Ik word ook altijd uitgenodigd voor de lingerieshow van Marlies Dekkers, een vriendin van me. Ik ga nooit. Ik vind het leuk om vrouwen in beha te zien, maar niet drie uur lang – die lengte neemt zo’n show dan voor me aan hè. Maar ik wist: een van de jongens kan ik er wel blij mee maken. Het was op een maandagavond in een loods in Rotterdam-Zuid. Geweldig. Gratis hapjes, drankjes, en al die vrouwen.

Brede lach: ‘Na afloop spreek ik hem: En? Wat vond je ervan? Hij zei: ‘Dit was de állerbeste maandagavond van mijn leven.’

Beeld Erik Smits

CV Ernest van der Kwast

1 januari 1981 Geboren in Bombay, India

1999 Eindexamen Erasmiaans Gymnasium Rotterdam

2005 Bachelor Fiscale Economie, Erasmus Universiteit Rotterdam

2004 Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken (onder het pseudoniem Yusef el Halal

2005 Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen

2007 Stand-in (onder het pseudoniem Sieger Sloot)

2010 Roman Mama Tandoori

2012 Novelle Giovanna’s Navel

2015 Roman De IJsmakers

2016 Verhalenbundel Het wonder dat niet omvalt

2017 Non-fictie Jouw toekomst is mijn toekomst

2020 Roman Ilyas

Ernest van der Kwast woont samen met zijn vriendin Kathrin, verloskundige, en hun twee zoontjes.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden