' Het leven heeft mijn vechtlust verminderd'

Toen de strijd met Dolle Mina, nu het schrijverschap. Germaine Groenier speelt met fictie en autobiografische elementen in haar nieuwe boek Vijf dagen bedenktijd....

Op een dag las Germaine Groenier (56) een artikel over de vrouwenbeweging waaraan zij begin jaren zeventig had meegedaan. 'De klagende, gefrustreerde generatie', was de strekking. 'En toen dacht ik:"Wel godverdomme!"' Ze slaat met de hand op tafel. 'Dat zijn we niet!' roept ze uit. 'We hadden lol en hebben nog steeds lol. We waren niet gefrustreerd, we zijn niet gefrustreerd!'

Ze dacht: 'En nu ga ik schrijven' en zo kwam ze tot haar tweede boek Vijf dagen bedenktijd, dat vandaag verschijnt. Het gaat over haar strijd in Dolle Mina en hoe ze daar nu op terugkijkt. Waren zij en de andere Dolle Mina's 'wijven die in tuinbroeken liepen, mannenhaters', dat tegenwoordig het beeld is? Welnee. 'We waren dol op mannen, we deden niets anders dan met die mannen bezig zijn. Ik was gék op mijn man, ik vond het heerlijk met de kinderen, een gezin.'

Germaine Groenier, jarenlang programmamaakster, onder andere bij de vpro, vertelt haar drie dochters nog wel eens over Dolle Mina: 'Jongens, we hebben zo gelachen, we hebben zo gelellebeld, we deden waar we zin in hadden, we dronken ontzettend veel wijn en sherry, we rookten, we deden alles overal. We waren wel overtuigd, maar op een ludieke manier. Het was lachen, het was echt lachen.'

Ze legt op elk woord de nadruk, met een stem waarvan je denkt: heeft die in het heetst van de strijd een megafoon nodig gehad? Op haar woonboot in Amsterdam loopt ze heen en weer tussen tafel en aanrecht, waar ze in een thermoskan koffiezet. Het lampje boven de tafel is even beweeglijk als zijzelf: zachtjes deint het heen en weer op de golven van de Amstel. Haar Franse grootmoeder kijkt toe vanaf een schilderij aan de muur.

Haar boek heeft niet als doel jongere vrouwen in te peperen hoeveel ze aan feministen als Groenier te danken hebben: 'Alsjeblieft zeg, ik word doodziek van die mensen die zeggen: "Alles is in de jaren zestig en zeventig gebeurd en het is nu allemaal minder."' Wat dan wel de bedoeling is? Ze verwoordde het onlangs nog tegen producente en documentairemaakster Hillie Molenaar, haar vriendin 'Freke' in het boek: 'Ik wil zo graag dat ze weten hoe léuk het was.'

Wie tot die jongere generatie behoort, moet misschien even slikken: een boek over Dolle Mina? Het is zoals Groenier schrijft over haar dochters. Die begonnen bij het woord 'feminisme' al te gillen. Toch sleept Vijf dagen bedenktijd je mee de jaren zeventig in, toen Groenier en haar vriendin door de krochten van omroepgebouwen slopen om live-uitzendingen te verstoren met het standpunt van Dolle Mina, en ze studenten medicijnen, de 'aankomende generatie kuttenkijkers', toespraken over abortus en over de pil.

Het is bekend bij 'heel weinig mensen', maar al snel na het begin manifesteerde zich een groep vrouwen die vond dat de vrouwenstrijd onderdeel moest worden van de 'internationale klassenstrijd'. Groenier en nog een stel Dolle Mina's van het eerste uur versleten het voor 'marxistische blablabla'. Zij wilden de acties spontaan houden en hadden geen behoefte aan scholing, planning en organisatie. Op het tweede congres wonnen de ideologen het en trok Groenier zich terug. Aan demonstraties bleef ze meedoen, maar met het vergadercircuit wilde ze niets meer te maken hebben.

Wanneer de koffie klaar is, gaat ze zitten en vertelt, rustiger nu, over een andere aanleiding voor het boek: de abortus die haar oudste dochter onderging. Tijdens de verplichte vijf dagen bedenktijd die eraan voorafgingen, was zij, de moeder, kwaad. Hoe kon dat nu? vroeg ze zich af. Had ze niet zelf voor de legalisering van abortus gevochten? Opdat andere vrouwen niet hoefde te overkomen wat haar zelf was gebeurd? Namelijk een ongewenst kind en een gedwongen huwelijk?

De wending die haar leven toen nam, 'een trauma', zoals ze het noemt, heeft Groenier ook beschreven in haar eerste boek, Een stuk van mijn hart (1997). 'Ik weet nog precies hoe het gegaan is', zegt ze. 'Verschríkkelijk, echt. Het was in de lente, ik werkte bij het Stedelijk Museum. Hij belde: "Ik volg je al dagen." Ik was superromantisch, dus nou ja, een afspraak gemaakt. Ik kreeg aandacht, mooi weer, volle maan en voor het zingen de kerk uit. Ja, ik ging wel met meer mannen naar bed, ik was er behoorlijk vroeg bij.'

Afijn, zwanger. Een abortus had ook toen tot de mogelijkheden behoord, maar dan met de breinaald of aanverwante technieken. Het hád gekund, maar haar moeder en stiefvader dwongen haar het huwelijk in. Ze vermoedt dat het de wraak van haar moeder was op de lastige puber die ze was geweest. Haar tirannieke stiefvader Victor van Vriesland, destijds bekend als dichter en recensent, vond bovendien in navolging van het existentialisme, dat een mens verantwoording moet nemen voor zijn daden.

Zo kwam haar dochter ter wereld: 'De eerste zes weken waren een ramp. Ik wist niet wat ik met het kind moest, ik wou het niet, alles om me heen ging kapot, ik kon niet meer toneelspelen, ik zat boven mijn moeder in een kamertje met een man die ik niet wou, en dan ben je net twintig.' Haar dochter was natuurlijk al snel heel erg gewenst. Maar toen de eerste vergadering van Dolle Mina plaatsvond en er actiegroepen werden opgericht, hoefde Groenier geen moment na te denken bij welke ze zich zou aansluiten: die van de abortus.

Hoe kon ze dan zoveel jaren later kwaad zijn op datzelfde kind, dat nu een abortus kreeg? Ze vraagt het zich af in het boek en ze vroeg het zich in werkelijkheid af. Vijf dagen bedenktijd bevat meer fictie dan haar debuut, 'maar natuurlijk zitten ook hier zware autobiografische elementen in.' Wel heeft ze de namen van de personages bijna allemaal veranderd: 'Ik had geen zin in nog een boek met Germaine.' Ze schiet in de lach. 'Ik wou meer afstand hebben.'

Aan het einde van de periode van bedenktijd ontdekte ze wat het was. Nu haar dochter een keuze had die zij nooit had gehad, was ze jaloers. Iedereen mocht een abortus, behalve dat eens ongewenste kind. 'Nou, zo idioot zit de mens dus in elkaar. Ik heb het meteen hernomen, maar toen ik het bij mezelf ontdekte, dacht ik: "Dit is niet wáár". Ja, zo zitten we dus in elkaar.'

Twijfelde ze aan de strijd van destijds? 'Nee, ik kan niet zeggen dat ik spijt heb van het feit dat vrouwen in bepaalde situaties een keuze hebben om een kind te krijgen of niet. Maar kijk, er zijn uitwassen...' Abortus omdat de ongeboren vrucht het verkeerde geslacht heeft of omdat een nieuw kind pa en ma vanwege een vakantie niet uitkomt: 'Dat vind ik dus heel erg.' Klonen is 'eng', en de geaborteerde foetus gebruiken voor medicijnen: 'Ja, ja, goed, als het maar niet opgelegd wordt.'

Zo hoopt ze dat ook een vruchtwaterpunctie, waarmee kan worden aangetoond of een ongeboren kind afwijkingen heeft, nooit verplicht wordt gesteld. 'Ik ben ontzettend bang dat kinderen die niet zo zijn als wij, min of meer gezond, uitgebannen gaan worden. Dat verzekeringen op een goed moment zeggen dat ze die niet meer verzekeren, want je had kunnen aborteren.'

Ze heeft een kleinkind dat ziek is, Sam, de dochter van haar jongste dochter. Sam is zwaar epileptisch en ontwikkelt zich als gevolg daarvan langzamer. 'We weten niet hoe dat gaat aflopen. Ze is nu vijf. Maar dat kind houdt zo van het leven en we genieten zo verschrikkelijk van haar, hoe pijnlijk het ook is, af en toe. Het is zo'n mooi kind, dat met haar mogelijkheden echt leeft. Dan denk ik: "Ze zullen toch niet ooit..." want wie zegt dat het niet gebeurt. Hoe moeilijk is het al niet om Sam goed verzekerd te krijgen. Want ze heeft iets. Om in een verzekering te komen, moet je gezond zijn.'

Kijk naar de ontdekking van het atoom, zegt ze. 'Wat werd ervan gemaakt? Een bom, onder andere. Vooruitgang heeft altijd een keerzijde. Toen wij vochten voor abortus, dachten we niet aan de keerzijde. Dat doe ik nu wel eens.' Schuldig voelt ze zich niet dat ze aan de wieg heeft gestaan van ontwikkelingen, die ze toen niet kon voorzien, maar, strijdlustig: 'Ik voel me wel verantwoordelijk. Als ze abortus verplicht stellen, ga ik zeker de straat weer op.'

Haar oudste dochter wist al jong dat ze ooit ongewenst was geweest. Toen Groenier in de jaren zeventig werd geïnterviewd over haar seksprogramma dat ze op de vpro-radio had, vertelde ze de journalist over de omstandigheden waarin haar eersteling geboren was. Tijdens het gesprek wees haar dochter, die op de bank in de kamer zat, op zichzelf: 'Dat ben ik.' Alles lag en was open, ook het huwelijk. In Vijf dagen bedenktijd heeft de vrouwelijke hoofdpersoon een echtgenoot die constant vreemdgaat, met alle ontluisterende details van dien. 'Wat heb je toch een prachtige borsten', hijgt hij tijdens een feestje tegen een dame, terwijl zijn vrouw dronken in de kelder ligt. 'Wiebe' heet de man in het boek en filmregisseur Pieter Verhoeff stond model voor hem. Met hem had Groenier na de scheiding van haar eerste man bijna twaalf jaar een relatie, met hem kreeg ze haar derde kind: 'Veel van wat ik beschrijf was zo, maar ook bij hem heb ik er dingen bij verzonnen.'

Het was niet haar bedoeling Wiebe, alias Verhoeff, neer te zetten als een lul van een vent. Ze schrikt van die typering: 'Vind je dat hij er niet goed af komt?' Ze is niet uit op vergelding. Wat ze wilde was een tijdsbeeld schetsen en daarin paste ook het gedrag van haar echtgenoot. 'Dat probeer ik te beschrijven: ik zag het vooral als mijn probleem. Ik vond dat ik ermee moest dealen. Dat vond iedereen, ook vriendinnen van mij zeiden: "Het heeft niks met jou te maken!" Nee, het zal wel niks met mij te maken hebben, dacht ik, maar ik kan er gewoon niet tegen. Je ontwaardt heel erg.'

Ze probeerde het huwelijk vol te houden tot haar dochters het huis uit zouden gaan, maar het lukte haar niet. 'Ik heb een hartstikke leuk huwelijk gehad, dat schrijf ik ook in het boek. Echt, ik hield van die man, ik was gek op hem', zegt ze met nadruk. Maar het vreemdgaan: 'Daar werd ik gek van.' En dus had ze op haar 36ste een tweede echtscheiding achter de rug. 'Goed, hè?' Om te vervolgen: 'Maar daarna was het ook afgelopen. Ik ben er niet meer aan begonnen.'

Sinds die tijd leeft ze alleen, want: 'Ik ga zo raar doen als ik verliefd ben. Ik heb zo'n tweedeling in mezelf. Aan de ene kant ben ik die vrouw die heel erg zelfstandig is en denkt, die haar eigen leven en eigen werk heeft. Daar hou ik van. Aan de andere kant ben ik nog steeds dat meisje - en dat heb ik er nooit uitgekregen - dat in het romantische liefdesideaal is opgevoed. Dat zegt: met een man ben je compleet.'

Dat ze haar gedrag binnenshuis en buitenshuis nooit 'bij elkaar heeft gekregen', komt terug in haar nieuwe boek. Opvallend genoeg komen die passages sterk overeen met de delen in haar eerste boek waarin ze haar moeder beschrijft. Haar moeder was buitenshuis een onafhankelijke vrouw, die thuis veranderde in een 'afhankelijke, kritiekloze echtgenote die alles opzij zette en zich volledig en met zichtbaar plezier bijna kirrend schikte naar haar man', schrijft ze in Een stuk van mijn hart. 'Dat is wat ik altijd heb gezien', is Groeniers commentaar. 'De geschiedenis herhaalt zich.'

Ze behoort tot de generatie die het allemaal anders zou gaan doen. Was het geen teleurstelling dat dat op het gebied van relaties niet lukte? 'Ik ben verder gekomen dan mijn moeder omdat ik de beslissing heb genomen alleen te leven.' Nooit meer een affaire gehad? 'Tuurlijk, tuurlijk, dat gaat gewoon door. Maar echt verliefd zijn, daar heb ik een punt achter gezet. Ik heb er een keuze in moeten maken, omdat ik wat dit betreft niet te veranderen ben.

'Ik hou van mijn leven alleen, ik zou het niet op willen geven. Maar het maakt ook eenzaam. Soms is het moeilijk om thuis te komen en altijd alleen te zijn. De vanzelfsprekendheid van iemand aan wie je dingen kunt vertellen, is er niet. Daar moet je altijd iets voor organiseren. Dat kan.'

Ze begint te glimmen: 'Ik heb wel drie meiden en ik heb wel een kleinkind. Nou ja, het is niet het grote huis en een man erbij en de kleinkinderen op de schommel. In theorie is dat een beeld waarvan ik denk: "Jezus, stel je voor, het lijkt me echt fantastisch."' Aarzelend: 'Maar het bestaat gewoon niet.' Een wat lossere relatie zou misschien de oplossing zijn: 'Ik zit er niet echt op te wachten. Komt er een langs, dan is het okee. Maar nooit meer in mijn huis, dat weet ik zeker.'

Daar komt bij: 'Je weet dat vrouwen van boven de vijftig op het ogenblik enorm ontwaarden, je ligt absoluut niet meer in de markt. Die oude mannen vallen op jonge meiden. De hele media, alles is op jong en mooi. Ik vind het krankzinnig, maar laat ik het zo zeggen: sinds mijn 36ste wordt mijn waarde niet meer bepaald door mannen. Ik heb er dus niet zo'n last van. Snap je wat ik bedoel?'

In Vijf dagen bedenktijd zegt de hoofdpersoon meer dan eens tegen haar kinderen hoeveel ze van hen houdt. Hoe graag Groenier het ook wilde - 'ik hield van mijn moeder' - zij heeft die woorden zelf nooit te horen gekregen. 'Ik heb een ontzettend goed contact met mijn kinderen, daar doe ik veel aan. Als ik iets gewonnen heb, dan zijn zij het. Mijn moeder heeft haar kinderen verloren en opgeofferd aan haar man.'

Binne, Groeniers broer, pleegde op zijn 50ste zelfmoord. 'Dat is zoiets verschrikkelijks, zo traumatisch dat hij zich opgehangen heeft. Vreselijk, vreselijk. Daar kom je eigenlijk nooit overheen. Maar het slijt.' Binne was psychotisch toen hij een eind aan zijn leven maakte. Zij zelf heeft die warrige periodes ook gekend: 'Dat je denkt: "Ik word gek, ik hou het niet meer bij elkaar". Het is zo'n paniek.'

Het overkwam haar op momenten dat 'de dingen die om je heen gebeuren, te erg zijn'. Dat was het geval toen ze een kind was en opgroeide in de liefdeloze sfeer van haar ouderlijk huis, waar 'Vic' haar bij voorkeur 'sloerie' noemde. Haar hele eerste boek gaat erover. 'Karaktermoord' schreef Alfred Kossmann, die met Victor van Vriesland en haar moeder bevriend was geweest, daarop in NRC Handelsblad. 'Wat moet je ervan zeggen?' vraagt Groenier zich nu af. Om even later uit te roepen: 'Ze hebben op mij ook karaktermoord gepleegd. Ja!'

Opnieuw kwam haar geest in de mist terecht toen ze vastliep in Dolle Mina: 'Ik zag: dit gaat de verkeerde kant op. Ik wil niet bij zo'n strak georganiseerde, leninistisch-marxistische, weet-ik-veel, dogmatische organisatie horen. Ik heb geen zin in al die vergaderingen en dat gevecht.' Tegelijkertijd tekende zich het einde van haar huwelijk met Pieter Verhoeff af: 'Vooral dat vond ik erg. Ik hield van hem. Het was zo'n mislukking, ik moest opnieuw beginnen, en ik voelde me schuldig ten opzichte van mijn kinderen.'

Een doortastende psychiater hielp haar van de psychose af. Nadien nooit meer last gehad? 'In die tijd dat Binne zich op had gehangen, toen het allemaal zo ontzettend zwaar drukte, en toen Sas, mijn jongste dochter, vlak daarna zwanger bleek en beviel van een kind dat zo vreselijk ziek is, toen moest ik heel erg uitkijken dat ik de boel bij elkaar hield, dat ik niet weer in stukken uit elkaar viel.'

Er is een tijd geweest dat ze alleen met vechten het hoofd boven water hield. 'Vechten is heel lang een reden van bestaan voor mij geweest. Het was een overlevingsmechanisme.' Ze is veranderd. Okee, in 1994 organiseerde ze nog een manifestatie voor de kunstenaars in Sarajevo, en als het moet, als bijvoorbeeld de bijstandsmoeders verplicht worden te gaan werken, zal ze opnieuw van zich laten horen. Maar liever niet. Lachend: 'Het leven zelf heeft mijn vechtlust doen afnemen.'

Degenen met wie ze indirect strijd leverde, zijn er niet meer. Haar stiefvader, haar moeder. 'Ik heb het vaker gezegd, en dat is me heel erg kwalijk genomen, maar toen mijn moeder doodging, was dat een bevrijding. Ik hoefde niet meer te hopen dat ze ooit zou zeggen dat ze van me hield.' Tuurlijk heeft ze haar wel eens haar grieven voor de voeten geworpen. 'Maar dat had niet veel effect. Ze kon er niet aan, dat begrijp ik ook wel.' Van een lezer kreeg ze na de publicatie van haar eerste boek een brief: 'Hoe kon ze ooit toegeven dat ze haar kinderen opzij had gezet voor een man?' Groenier: 'Ja, als ze dat zou doen, wat moest ze dan?'

Wat ze tegenwoordig graag doet, is schrijven. Ze maakt alweer plannen voor een volgend boek. 'Schrijven helpt, maar het is geen therapie. Het is echt iets voor mij omdat je het alleen kunt doen.' Ze laat het blad van de Epilepsie Vereniging zien, waarin ze een column heeft over haar kleindochter Sam. 'Het is ordenen.'

Ze is weg bij de vpro. 'Het klinkt lullig, maar ik had het wel gezien. Het vak is zo veranderd, dat ik vind dat anderen het moeten gaan doen. Ik heb alle vragen gesteld die ik zou willen stellen.' Het enige dat ze nog in dienstverband doet, is tien uur per week werken bij Rotterdam Festivals. Daar organiseert ze September in Rotterdam, de opening van het culturele seizoen in die stad. Ze heeft er veel te maken met jonge mensen: 'Dat is wat mij het meest bevredigt: mijn kennis overdragen. Ik hoef zelf niet meer. Ik heb te veel te doen. Ik heb te veel in mijn hoofd. Ik wil schrijven, ik heb mijn kinderen en ik heb Sam.'

In een hoekje van haar boot staan een tafeltje en stoeltje op kleuterhoogte, met speelgoed erop. In de toekomst zal ze meer op haar kleinkind passen. Ze laat een nieuwe boot bouwen met twee appartementen erin. In het ene komen haar dochter en kleinkind, in het andere zij. Zodat zij deels de zorg voor Sam op zich kan nemen en haar dochter meer tijd voor zichzelf heeft. 'Dat had ik me dus nooit voorgenomen. Het is eigenlijk heel erg ouderwets. Maar het rare is: het voelt zo organisch. Omdat ik ouder ben, tijd heb, aandacht. Er hoeft niet meer zo veel.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden