'Het jodendom is zwaar, zo loodzwaar'

JODEN ZIJN handig met geld, joodse meisjes hebben meer last van menstruatiepijn, joden weten wat lijden is, joden zijn geil en eisen de gekste dingen in bed, joden kunnen goed sjacheren, joden zijn paranoïde, hypochondrisch en neurotisch....

In de bloemlezing Levi in de Lage Landen - 350 jaar joodse schrijvers in de Nederlandse literatuur wordt lang niet altijd even genuanceerd of positief over het jodendom geschreven. Bij de 48 auteurs uit wier werk is geput, gaat het opvallend vaak om een vorm van verzet tegen het joods-zijn. Vooral 'de afvallige zoon' lijkt, gezien de hoeveelheid literatuur die aan hem gewijd is, een last voor de joodse gemeenschap.

Van de talloze verloren zonen in dit boek is die van Siegfried van Praag wel de allergemeenste. Van Praag voert hem op in de persoon van Léon Bueno de Mesquita. In de roman Jeruzalem van het Westen is hij de oudste zoon in een deftig sefardisch gezin in de vooroorlogse Plantagebuurt. Léon heeft een gloeiende hekel aan zijn ouders en zijn brave manke zuster: 'Ik schaam me voor ze. . ., ik schaam me voor alles. Voor die Joden, voor de buurt, voor de familie.' Léon vlucht naar Engeland, omdat hij bang is voor Hitler, die hij overigens groot gelijk geeft: 'Die vent heeft gelijk dat hij op Joden jaagt.' Wat hem bij voorbaat al hindert zijn 'de arrogante gezichten van de Joden, die er 't leven hebben afgebracht'.

Tot overmaat van ramp is deze boze zoon, deze 'rasjhang', ook nog eens xenofiel. Hij wordt verliefd op een katholieke, getrouwde, Belgische vrouw en laat zich dopen, enthousiast als hij is over de pracht en praal van de rooms-katholieke kerk: 'In de jodenkerk is alles vervelend. Ze zitten samen op vergadering. Hun ouwe God speelt voor voorzitter.'

Dat Léon in zijn slechtheid ook 'de jodenkerk' verguist, valt van zo iemand misschien nog wel te verwachten, maar de klacht over de saaiheid van de 'Snoge' is vaker te horen in dit boek. Honderd jaar vóór Léon liet Abraham Capadose zich al, samen met zijn boezemvriend Isaac da Costa, dopen, wat in hun deftige milieu een schok was. Als bekeerling zou Capadose uitgroeien tot een van de steilste christenen van zijn tijd.

In De Bekeering van Doctor A. Capadose, Portugeesch Israëliet, vertelt hij hoe hij na ernstige bijbelstudie tot het christendom werd aangetrokken. Vooral omdat het joodse geloof hem niets zei: 'In de synagoge, alwaar ik mij nog uit welgevoegelijkheid begaf, trof ik niets aan, dat eenigen indruk op mij kon maken, integendeel, al die plegtigheden, welke niet tot mijn hart zeiden, die weinig eerbied, dat uitroepen, dat weinig welluidend gezang (. . .) al die toestel, zonder ziel en leven, walgden mij dermate, dat ik er mij niet meer gezettelijk begeven kon.'

Recenter is het verzet van Milo Anstadt, die in Jonge Jaren vertelt over de weerzin die hem als kind bekroop wanneer hij de Hebreeuwse gebeden moest leren. Met evenveel tegenzin begaf hij zich later naar het joodse klasje op het cheder. Hij beleefde meer plezier aan kerststalletjes en vrolijke kerstbomen dan aan de moeilijke lessen van de rebbe. Hij dreef er zijn orthodoxe grootvader mee tot razernij.

Afvallige dochters komen in Levi in de Lage Landen iets minder voor en bij de meisjes heeft dat veeleer met de liefde dan met het geloof van doen. Met de toenemende assimilatie in de negentiende eeuw ontstond een nieuw probleem voor de joodse gemeenschap: het gemengde huwelijk. Josepha Mendels, Jacob Hiegentlich, Siegfried van Praag en Frans Pointl schrijven over de moeizame consequenties daarvan en als we hun verhalen mogen geloven, leidt de gemengde omgang altijd tot narigheid.

Exemplarisch in dit opzicht is het lot van Roosje in Carry van Bruggens roman De verlatene uit 1910. Hoewel deze Roosje 'een rechtschapen Jiddekind' is, wordt ze zo verliefd op een 'goj' dat ze niet meer kosjer wil eten. Ze begrijpt niet waarom ze niet hetzelfde zou mogen eten als haar lief: 'Hoe dood en duf, afkeerlijk haast, leek haar plotseling de verdorde godsdienst.' In haar pril geluk vergeet ze de seider-avond die ze met haar vader zou doorbrengen. De oude man wacht ongeduldig en begint ten slotte maar alleen aan de viering. In de goed realistische traditie van haar tijd beschrijft Van Bruggen nauwkeurig de Pesach-rituelen: 'Zijn dorre, bevende vingers hadden eerst het witte servet in drie plooien gevouwen en er daarna drie brosse matzes tussengevouwen.'

Als Roosje, bij zinnen gekomen, naar huis rent, is het te laat en ligt haar dode vader met zijn oude hoofd op het witte tafelkleed. Overigens legt Carry van Bruggen, die zich net als haar broer Jacob Israël de Haan tegen de orthodoxie thuis afzette, de schuld niet bij Roosje, maar bij de oude vader. Diens onbuigzaamheid hield de kinderen op afstand en die is er de oorzaak van dat de man eenzaam moet sterven.

In de tweede helft van de twintigste eeuw worden geloofskwesties en gemengde huwelijken minder belangrijk in de joods-Nederlandse literatuur. Misschien is dat een gevolg van het groeiende atheïsme, maar in de eerste plaats vindt het zijn verklaring natuurlijk in het alles overheersende thema van de holocaust. Tweederde van deze bloemlezing bestaat uit uiteenlopende reflecties daarop.

Er zijn veel dagboeken, van Anne Frank uiteraard, maar ook van de leraar Jacques Presser en van de journalist Philip Mechanicus. Beiden schrijven over de gevreesde transporten naar het Oosten op dinsdag, die Mechanicus later noodlottig zouden worden. De socialist Sam Goudsmit geeft in zijn onderduikdagboek (vaak onvoorstelbare) reacties van Nederlanders na de bevrijding. Als hij in juli 1945 naar Diemen wandelt, wordt hij weliswaar soms vriendelijk aangekeken, maar vaker treffen hem 'woedende bittere oogen, ontmoetingen, met nog altijd zelfverzekerde vijandige houdingen'. Hij wordt zelfs door een paar kinderen uitgescholden.

Je zou bezwaar kunnen maken tegen tegen het opnemen van deze oorlogsgetuigenissen in een verhalende bloemlezing - je krijgt telkens maar een flard -, maar het heeft ook zijn voordelen. Op deze manier wordt extra goed duidelijk hoe verschillend joodse auteurs hebben geprobeerd uitdrukking te geven aan wat elke verbeelding te boven gaat. Durlacher beschrijft in Strepen aan de hemel tot in het gruwelijkste detail hoe hij en zijn lotgenoten er na de bevrijding van Auschwitz aan toe waren. Ischa Meijer weet met een korte anekdote over zijn ouders een wereld van angst te suggereren. En even hartverscheurend zijn de kille cijfers uit Harry Mulisch' 'reportage' De zaak 40/61.

Naast de gruwelen is er in deze bundel plaats voor begrip. In Amor fati probeert Abel Herzberg met al zijn intellectuele redelijkheid te verklaren waarom de nazi's zo werden. Zijn idee is dat Hitler het heidendom en het 'bandeloze vandalisme' dat in ieder van ons leeft, heeft aangesproken. Hitlers wraak op de joden kwam voort uit zijn haat jegens de beschaving zelf, waar de jood de eerste vertegenwoordiger van is, de jood die in zijn ziel 'een granieten fundament van profeten, van wetten en normen' heeft.

Dat morele fundament verklaart wellicht waarom er in de verhalen in dit boek regelmatig de nadruk op wordt gelegd dat joods-zijn in de eerste plaats betekent: 'Mensch'-zijn. Het gaat niet alleen om godsdienst of traditie in strikte zin, maar ook om een mentaliteit en een humanistische levenshouding in meer algemene zin. Daarom wordt in de eigen gemeenschap kritiek geleverd als de geschreven en ongeschreven morele wetten niet worden nageleefd.

Een voorbeeld ervan is de manier waarop Israël Querido in zijn roman Het volk Gods uit 1935, zijn 'volk' de spiegel voorhoudt. De titel van zijn boek krijgt een ironische lading als we het schorem in het Amsterdamse getto bezien, dat Querido met uitbundig realisme beschrijft.

Om een idee te geven van het verhaal: De zachtmoedige Josua heeft drie zoons, de een nog grover dan de ander. Ze doen niets anders dan bekvechten en hun vader kleineren - in hun 'afgrijselijk-diktongig' bargoens: 'Mot je d'r eerst weer Toure over leze?. . .Halt de peh! Heb je kough? Zeg ereis, ouwe tobbe. . ., weet je dat de Snooge d'r an gaat, mit holtes en boltes?'

Tot verdriet van hun vader zijn de drie gemene kerels hun joodse trots kwijt; ze hebben niets meer van hun aristocratische Spaanse voorouders. Toch lijkt Querido niet hun de schuld van hun 'malane' (ongeluk) te geven, maar de maatschappelijke omstandigheden. Het feit dat de rijke joden het getto verlaten hebben voor dure nieuwe buurten in Zuid is een 'ziekelijke vermolming van ras-eenheid'. Daardoor is het zo beroerd gesteld met de joden: 'De vochtstankige Ghetto-muren hadden melaatsch geslagen het lichaam en den ziel van den Jood.'

Mijlenver zijn deze verpauperde joden verwijderd van de trotse Menasseh Ben Israël, met wiens geschriften de bundel opent. In een open brief legt hij onder andere uit dat de joden echt geen christenbloed gebruiken om hun brood te laten gisten en in een lofrede uit 1642 zegt hij prins Frederik Hendrik dank voor de gastvrijheid en de tolerantie van de Nederlanders jegens de 'Portugysen Ballinghen'.

Hoewel met de vestiging van deze vluchtelingen de joodse gemeenschap in Amsterdam een feit werd, viel het met die tolerantie overigens behoorlijk mee: het waren de Fransen die de joden in 1796 gelijke rechten verleenden. Toen pas kon het assimilatieproces op gang komen.

Doordat Daphne Meijer zich bij de samenstelling van de bundel alleen heeft gericht op teksten over de betrekkingen tussen Nederland en de joden, is Levi in de Lage Landen naast een literatuurgeschiedenis ook een sociale geschiedenis van het Nederlandse jodendom geworden. Daaruit blijkt hoe er vanaf het begin is gezocht naar evenwicht tussen afzondering en assimilatie, en hoe dat evenwicht bruut werd verstoord door de Tweede Wereldoorlog.

Van trots is bij jongste generatie joodse schrijvers weinig meer te bespeuren. Zij kunnen in hun jodendom nog maar één ding zien; de herinnering aan de oorlog. Zozeer, dat sommigen niet langer joods willen zijn, zoals Lisette Lewin, die verkondigt: 'Het joods zijn is een groot ongeluk.'

Voor Marcel Mörings hoofdpersoon in Mendels erfenis staat het jodendom gelijk aan zes miljoen doden: 'Alles wat met jodendom te maken heeft is besmet door de oorlog.' Rogi Wieg, de hekkensluiter, wil al evenmin nog langer joods zijn: 'Het jodendom is zo zwaar. Zo loodzwaar', schrijft hij.

Het loopt dus bepaald niet goed af in dit boek. De Portugese joden, met wie het allemaal begon, waren 'verstrooid en neerslagtig' en na 350 jaar lijkt daarin nauwelijks verandering te zijn gekomen. Zodat het er veel van weg heeft dat het jodendom in de geschiedenis van de joods-Nederlandse literatuur geen enkele vooruitgang heeft geboekt, maar alleen in een kringetje heeft rondgelopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden