Het is afgelopen met 'bami goreng-sambal bij'

De eerste Chinezen in Nederland voeren als stokers naar Europa. Uiteindelijk vond het merendeel van de Chineze beroepsbevolking hier emplooi in het restaurantwezen....

Kwamen honderd jaar geleden de eerste Chinezen in Nederland? Goh. De meeste Nederlanders reageren verbaasd op die mededeling. Alsof het zo vanzelfsprekend is dat hier Chinezen rondlopen, dat je je niet kunt voorstellen dat ze er ooit niet waren. Of, vooral, dat er hier géén Chinese restaurants waren. Want wat is er nou Nederlandser dan de Chinees in het dorp, aan de provinciale weg, in het centrum? Of het nou een winkelcentrum in een nieuwbouwwijk is, of een oud pand in het stadshart: Chinese karakters, draken, lampionnetjes – als ze er niet zijn, is er iets mis.

‘Aiaiaiai, geef mij maar nasi goreng en een loempia, aiaiaiai, kikkerbilletjes en een sateetje na’, zingt het duo Anita en Ed in goed Nederlandse holderpolderstijl in een restaurantinterieur dat model staat voor de doorsnee-Chinees, van Zeeland tot Noord-Groningen.

Het Chinees-Indisch restaurant is zelfs zo’n Nederlands fenomeen geworden, dat het Openluchtmuseum in Arnhem zo’n restaurant heeft nagebouwd als onderdeel van de thematentoonstelling Nieuwe buren, compleet met restauranttafeltjes, flatscreens met beelden uit de echte restaurants en natuurlijk het doorgeefluikje. Je kunt er alleen niet eten. Daarvoor kun je naar restaurant De Chinese Muur aan de overkant van het Openluchtmuseum, of naar Memories of Asia in het centrum van Arnhem – een exquis specialiteitenrestaurant dat het standaard-Chinees-Indisch restaurant uit de jaren zestig en zeventig ver voorbij is.

‘Naar de Chinees gaan is even gewoon als een harinkje happen, en daarom vonden we dat het Chinese restaurant thuishoorde in een museum over het alledaagse leven in Nederland en de geschiedenis ervan’, motiveert wetenschappelijk medewerkster van het museum Else Gootjes de aanwezigheid van het restaurant, dat morgen, 31 maart, feestelijk wordt geopend.

De opening luidt ook het begin in van een herdenkingsjaar waarin het landelijk comité ‘100 jaar Chinezen in Nederland’ verspreid over 2010 en 2011 evenementen zal organiseren ter herinnering aan het feit dat honderd jaar geleden de eerste Chinezen in Nederland voet aan wal zetten. Overigens niet met de bedoeling restaurants te beginnen; ze kwamen als stokers op de grote kolengestookte schepen van Nederlandse en Britse reders. Omdat ze in Engeland niet welkom waren, weken de Chinezen uit naar de boardinghouses in Rotterdam en Amsterdam op momenten dat ze niet werkzaam waren op de schepen.

Dat de restaurantbusiness uiteindelijk zó lucratief is geworden dat tweederde van de Chinese beroepsbevolking in Nederland, naar schatting 60 duizend Chinezen, daarin emplooi heeft gevonden, is een neveneffect van verschillende ontwikkelingen. Zo waren de Chinezen zeer gehecht aan hun eigen eten, waardoor de meeste pensionhouders (over het algemeen ook van Chinese origine) ook kleine eetvoorzieningen voor de eigen mensen verzorgden. Toen het werk op de schepen door de recessie en de invoering van benzine- en dieselmotoren terugliep, begonnen steeds meer Chinezen de huiskamerrestaurantjes uit te baten. Met de onafhankelijkheid van Indonesië en de komst van een paar honderdduizend Nederlandse Indiërs nam de behoefte aan Chinees-Indisch eten toe.

‘Chinezen hebben het uit eten gaan in Nederland populair gemaakt en hebben daarmee een eigen arbeidsmarkt gecreëerd in de horeca. Dat is een belangrijk succes, en het is echt knap dat een migrantengroep zoiets is gelukt’, zegt Boudie Rijkschroeff, tijdelijk directeur van het Inspraakorgaan Chinezen en auteur van het boek Oosterse gastvrijheid: van stoker tot restaurateur. Eten heeft hierbij daadwerkelijk gefungeerd als smeermiddel tussen twee culturen.

Bami ligt inmiddels ook in kant-en- klaarverpakkingen in de super of bij de slager. ‘Wat je hier heel goed kunt zien, is dat er voor integratie ook twee partijen nodig zijn: Nederlanders die openstaan voor dat eten, en Chinezen die het aanbieden.’

Maar het is vooral een vorm van economische integratie, benadrukt Rijkschroeff, en het succes heeft ook keerzijden. Met name de oudere generatie Chinese migranten was wel ingeburgerd, maar had door het harde werken in de restaurants geen tijd om zich de Nederlandse cultuur en taal eigen te maken. Toen de ouderen in de jaren tachtig en negentig door leeftijd en terugloop in de sector uittrad, kwam er een groep Chinese 50-, 55-plussers die behoorlijk geïsoleerd raakte en waarvoor weer op maat gesneden voorzieningen nodig waren, zoals Chinese huizen voor ouderen.

Ondertussen zijn veel restaurants overgenomen door tweede- of derde generatie-Chinezen; jonge ambitieuze ondernemers ‘die het wel hebben gehad met die bami met een plak ham en een gebakken ei’, aldus Rijkschroeff. Ook de Nederlanders zijn verwender geworden in hun smaak. ‘Er treedt nu veel meer diversificatie op. Er komen Chinese specialiteitenrestaurants met koks die in China op het hoogste culinaire niveau zijn opgeleid, restaurants in het topsegment met sommeliers die een passend wijnarrangement bij de verschillende gangen aanbieden. En er komen ook steeds meer fusionrestaurants met Thaise, Japanse, Indonesische en andere Aziatische keukens. ‘Ach, er zullen altijd wel mensen zijn die de Chinees-Indische keuken lekker vinden’, denkt Rijkschroeff. Maar het aantal traditionele restaurants in de categorie bami goreng-sambal bij neemt af. De oude Chinees is inderdaad een plek in het museum waard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden