InterviewEsther Gerritsen

‘Het hoort gewoon bij mij dat het af en toe uit de hand loopt’

Beeld Oof Verschuren

Schrijver wilde ze nooit worden, maar Esther Gerritsen (48) houdt ervan om fanatiek met een onderwerp bezig te zijn. Ze denkt liever na over personages dan over haar eigen leven. ‘Niet werken zou verschrikkelijk zijn.’

In het Amsterdamse grand café De Plantage, waar we precies één uur mogen blijven vanwege coronashifts, bestelt schrijver Esther Gerritsen een kop koffie, zwart. ‘Mijn eerste vandaag. Als ik weet dat ik een afspraak heb spaar ik de koffie op.’

Anders sta je straks op je kop?

‘Ja.’

Je nieuwste boek De terugkeer is net af. Hoe voelt dat? Leeg, blij, in afwachting?

‘Ik ben tevreden, zowaar. Meestal voelt een boek afronden alsof je het opgeeft. Zo van: laat maar, het wordt toch niet beter. Van die fantasie van het begin, van wat voor geweldigs je gaat maken, is meestal weinig over. Maar nu was ik de laatste proef aan het lezen en vergat ik gewoon dat ik foutjes aan het zoeken was. Ik dacht alleen maar: wat spannend, dit.’

Twintig jaar geleden debuteerde je met de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn. Kan je die nog lezen zonder te denken: shit, dat had ik nu heel anders gedaan?

‘Hmm, weet ik niet. Het staat al weer zó ver van me af. Bijna alsof dat een ander persoon was. Alhoewel: laatst las ik er een stukje uit en vond ik het wel interessant. Ik was vooral verbaasd over hoe al je thema’s altijd al hetzelfde zijn.’

Welke thema’s zijn dat?

‘Nou, er staat bijvoorbeeld een verhaal in over een vrouw die bij haar man blijft terwijl hij haar mishandelt. Haar logica is: ik blijf bij hem, want ik wil hem bewijzen dat de wereld goed is, wat hij ook doet. In haar hoofd klopt dat. Wat mij interesseert is hoe de werkelijkheid maar net is wat je er zelf van maakt, en die gedachtegang was toen al rudimentair aanwezig. Alleen was het toen schetsmatig, en zou ik er nu een heel boek over kunnen schrijven.’

Omdat je ideeën completer zijn?

‘Je ziet er meer kanten aan, ja. Als kind schreef ik een spreekbeurt van één kantje over Martin Luther King. Toen zei mijn leraar: ‘Ja, dat ís ook moeilijk hè, zo’n heel verhaal op één A4’tje.’ En ik dacht alleen maar: Huh? Wat valt er nog meer over te melden dan?’

Een ander boek uit jouw beginperiode, Normale dagen, noemde de inmiddels overleden NRC-recensent Pieter Steinz ‘saai’. Had dat ook met die onaffe gedachten te maken?

‘Ja, en ik was het ook helemaal met hem eens. Bij de meeste slechte recensies denk ik: onder de gordel, of: je snapt het gewoon niet. Maar hier kon ik niks tegenin brengen. Ik schreef toen meer naar binnen gekeerd. Tegelijkertijd denk ik: als puber had ik het allemaal wel door, maar nu kan ik beter verwoorden waarom ik toen al gelijk had.’

Na haar debuut Bevoorrecht bewustzijn in 2000 volgen nog dertien boeken, daarnaast schrijft ze columns voor de VPRO Gids en de Volkskrant en werkt ze mee aan scenario’s en theaterteksten. Gerritsens nieuwe roman De terugkeer gaat over een ernstig depressieve vader die overlijdt, een dementerende moeder, een in zichzelf gekeerde zoon en een onderzoekende dochter die wil weten of de vader wel echt zelfmoord heeft gepleegd.

Waarover wilde je het hebben in dit boek?

‘Toen ik een jaar samen was met mijn vriend gingen we op vakantie naar Beieren. Wij gingen toen op bezoek bij zijn tante die daar in een verpleegtehuis woont en dementerend is, en zich het ene moment afvroeg waar haar man was, die al veertig jaar dood is, en dan weer of ze bij de begrafenis was geweest. Door alle verhalen over vroeger leerde ik niet alleen haar kennen, maar ook mijn vriend, omdat ik hem de ene keer als de man van 67 zag die hij toen werkelijk was, en dan weer als jongetje van 8. En toen dacht ik: het is eigenlijk zo logisch dat al die tijden tegelijkertijd bestaan bij dementerenden. En ook: hoe je je eigen geschiedenis constant met je meezeult, en wat er gebeurt als je dat verleden niet kunt laten rusten. Ik denk weleens: bestonden er maar geen foto’s.’

Waarom?

‘Nou, als je bijvoorbeeld foto’s of filmpjes terugkijkt van je kleine kinderen, ervaar je vaak een groot gevoel van verlies. Omdat het allemaal geweest is, en weg. Het is zo wreed en onnatuurlijk om daar constant aan te worden herinnerd, onze hersens zijn niet in staat dat te verwerken. Laat staan als je alzheimer hebt. Ik heb zelf geen foto’s thuis. Ja, een paar, in een kast, achter glas, je kunt ze nog net zien als je je best doet.’

De serveerster brengt een tweede kop koffie.

Gerritsen: ‘Ik droom al jaren over mijn broer. Hij is zeventien jaar geleden overleden aan darmkanker, en nog steeds droom ik over hem, elke week, al zeventien jaar lang. Ik vind dat zó raar.’

Wat maak je daarvan?

‘Dat het dus heel gewoon is wat mensen met alzheimer hebben. Als ik in de war raak op mijn 80ste en ineens over vroeger ga vertellen, is dat geen nieuwe informatie, het zit er allemaal al, nu ook. Maar wij hebben een duidelijke afspraak met elkaar van: dit is nu, en dat is vroeger, dat is een droom, dit is echt. Bij dementerenden loopt dat door elkaar.’

De depressieve vader in het boek heet Gerrit, de moeder heet Johanna, jouw tweede naam. Je hebt zelf ook ervaringen met depressie – in hoeverre lezen we hier jouw verhaal?

‘Je stopt altijd stukjes van jezelf in een boek. Ik vind depressies, net als seks, heel interessant en tegelijkertijd helemaal niets. Het is interessant dat je niks meer wil en niks meer kan, maar als je vanuit dat perspectief schrijft, wil je jezelf na vijf bladzijden ophangen. Dus schrijf ik vanuit het perspectief van iemand die zich ellendig voelt, én van iemand die zegt: ik kan het niet áánzien. Het is allebei waar.’

Weet jij waar jouw depressies vandaan komen?

‘Nee, het gaat een beetje op en neer. Mijn psycholoog schreef eens: ‘Ze had deze week een goede bui, dat zal volgende week wel andersom zijn.’ Zo is het precies, en er is een naam voor: manisch-depressief. Ik had het als kind al.’

Ik moest lachen om wat jouw psycholoog ooit zei nadat ze je binnenstebuiten had gekeerd, op zoek naar de oorsprong van je stemmingswisselingen: ‘Ik kan niks vinden hoor, je bént gewoon zo.’

‘Ja, ze zei ook nog: jouw ouders lijken me heel aardige mensen. Zijn het ook. Mensen denken vaak dat de oorzaak in je jeugd ligt, maar dat is in mijn geval niet zo. Het hoort bij mij dat het af en toe uit de hand loopt. Ik slik er wel pillen tegen, die helpen om de bovenkant en de onderkant er een beetje af te halen.’

Beeld Oof Verschuren

Wat gebeurt er als je die niet slikt?

‘Dan raak ik in paniek en ben ik de hele tijd doodsbang. Zonder te weten waarvoor. Het is een constante staat van alertheid, voor een gevaar dat steeds dichterbij komt. Eerst denk je: als volgend jaar maar goed gaat, dan: als het over een maand maar goed gaat, en uiteindelijk denk je aan je dochter die straks thuiskomt: als dat maar goed gaat. Totdat je niet eens meer kunt opstaan.’

En wat gebeurt er als je manisch bent?

‘Ik denk alleen soms dat ik alles kan. Het punt is dat ik het ook gewoon fijn vind om fanatiek met een onderwerp bezig te zijn. Het is lekker ’s avonds in bed te liggen en alléén maar aan een personage te denken. Dat is beter dan eindeloos over je eigen leven nadenken. Zo kun je al je gedachten tenminste kanaliseren in een verhaal. Niet werken zou verschrikkelijk zijn.’

Is manisch-depressief zijn erfelijk?

‘Geen idee.’

Ik kan me voorstellen dat jij jezelf die vraag hebt gesteld toen je Teddy kreeg.

‘Ja, maar je projecteert ook veel op kinderen, en ik ben de slechtste om te beoordelen of mijn kind op mij lijkt of niet. Ik vind manisch-depressief eigenlijk al een te groot etiket voor mijzelf. Manisch-depressieven, dat zijn mensen die er niet meer uitkomen en de dag daarna een huis kopen. Zo extreem is het bij mij niet. Dat op en neer gaan is gewoon mijn karakter.’

Je weet niet waar het een ophoudt en het ander begint.

‘Nee, precies. Ik was lange tijd getrouwd, had een regelmatig leven en toen was het veel minder. Regelmaat is belangrijk. Dan helpt het ook om een kind te hebben, want dan zijn er schooltijden en je moet eten koken en je huis opruimen.’

Je zei eens: ‘Ik kan niet tegen zeurende mensen. Count your blessings.’ Ging dat ook daarover? Zo van: oké, ik ben misschien manisch-depressief, maar daar hoeven we niet eindeloos over te soebatten?

‘O nee, want ik ben dol op klagen. Ik heb een vriendin met wie ik altijd samen klaag, Matin. Dan spreken we af en dat gaat het een hele ochtend van: dit is vreselijk en dat is vreselijk, wat een kutzooi, wat een klotewereld.’

Waarover klaag je dan?

‘Over alles! Over je relatie, over je huis, over Amsterdam, over corona, over feminisme, over alles! Heerlijk is dat, vooral omdat we geen enkele oplossing zoeken. Als je een oplossing zoekt, betekent het dat je een probleem hebt, en dat hebben we niet. Het is goed om over je partner te klagen als je ruzie met hem hebt. Dan hoef je niet meteen bij hem weg, of thuiskomen en zeggen: We Moeten Het Ergens Over Hebben. Nee, je klaagt en je lacht en daarna ga je weer fris naar huis. Weet je waar ik ook een enorme tyfushekel aan heb?’

Nou?

‘Dat zie je vaak in de krant: dan maken mensen iets ellendigs mee en dan zijn ze boos omdat iedereen daar zo slecht mee omgaat. Dan is hun vader dood of zo, ik noem maar wat, en dan zijn ze kwaad omdat mensen in hun omgeving dat niet begrijpen, of het verkeerde wóórd hebben gebruikt. Ik heb zelf ook best een en ander meegemaakt – broer dood, mijn kind bleek na vijf maanden in mijn buik niet levensvatbaar – en toen zeiden mensen in mijn omgeving ook van alles wat je fout zou kunnen noemen, of kwamen dingen onhandig hun strot uit. Maar ik heb vooral ervaren dat mensen zo ontzettend hun best deden. Dat vind ik veel belangrijker.’

Intentie doet ertoe.

‘Ja: richt je op de mensen die het goed willen doen. Als je daar dan meteen bovenop springt met: dat mag je niet zus of dat mag je niet zo zeggen, oordeel niet zo.’

Esther Gerritsen wordt op 2 februari 1972 geboren in Nijmegen en groeit op in het nabijgelegen dorp Gendt, als eerste dochter van Leopold en Annet. Vader werkt in een metaalfabriek, moeder is huisvrouw. Gerritsen: ‘Mijn vader is vernoemd naar de Belgische koning, hij heet voluit Leopold Boudewijn Albert. Aan het eind van de oorlog werd er bij Nijmegen gevochten en toen werd iedereen geëvacueerd. Mijn moeders familie ging naar Groningen, mijn vaders familie naar België. Mijn oma was zwanger van mijn vader en toen hij daar werd geboren heeft ze hem als dank vernoemd naar koning Leopold. Ze zei ook: ‘Als we de oorlog overleven, zal ik mijn jongste dochter altijd in blauw-wit kleden.’ Tante Riet heeft inderdaad tot haar 12de in blauw-wit gelopen.’

Waarom blauw-wit?

‘Vanwege Maria. Oma was een Maria-vereerder. Ze is zelfs voor een Maria-altaar gestorven, met een kleinkind in haar arm. Hersenbloeding.’

Was jij dat kleinkind?

‘Nee, ik was het niet. Ze hebben echt moeite moeten doen om dat kind uit haar armen te bevrijden, zo stevig had ze het vastgeklemd.’

Je ouders zijn 75 en 73 jaar. Hoe gaat het met hen?

‘Goed, ze zijn in goede gezondheid. Dat wil zeggen, mijn vader is een tijdje geleden ziek geworden, ook darmkanker, dus ik ben blij dat hij er nog is. En in deze rare coronatijd ben ik ook blij dat ze nog samen zijn. Stel je voor dat je vader of moeder alleen zou zitten.’

Beeld Oof Verschuren

Ben je ze blijven bezoeken, tijdens corona?

‘Ja, want anders had ik ze nu al een half jaar niet kunnen zien, dat is toch absurd? Ik leef meer met het idee dat ze er morgen niet meer kunnen zijn. In de zomer zaten we zoveel mogelijk in de tuin. Dat zal lastiger worden nu het kouder wordt.’

Je komt niet uit een intellectueel schrijversmilieu. Hoe vonden je ouders het dat je ging schrijven?

‘Ze hebben mogelijk weleens gezegd: misschien moet je iets kiezen waar je werk in kunt vinden, maar ze zagen ook wel in dat dat er bij mij niet in zat. Bovendien waren het de jaren tachtig: ik zou tóch werkloos worden. En dan ging ik ook nog een kunstopleiding doen, helemaal kansloos. Het is nu natuurlijk een andere wereld waarin ik zit, maar het lijkt me ook afschuwelijk als je ouders hetzelfde doen. Of je partner. Ik heb geen zin om het met Thom over literatuur te hebben. Ik zie al dat hij mijn nieuwe boek zit te lezen en zegt: op pagina 30 zak je een beetje in, schat. Daar gáát je avond.’

Heb je harder moeten werken dan een ander om te komen waar je nu bent?

‘Neuh, dat denk ik niet. Ik kijk wel tegen dingen op waarmee ik zelf niet ben opgegroeid. Als ik me vroeger een voorstelling maakte van een intellectueel milieu, zag ik grote boekenkasten en een piano. Wij gingen wel veel naar de bibliotheek, en mijn moeder leest ook graag, maar mijn vader had twee boeken: één over Feyenoord en één over Willem van Hanegem. Uiteindelijk is het toch heerlijk om uit een andere wereld te komen? Wat ik en collega’s doen kom ik vanzelf tegen. Familie is alles wat je zelf niet zou hebben gekozen, zodat je godzijdank nog eens wat anders meemaakt.’

In Het Parool zei auteur Walter van den Berg, die ook niet uit een intellectueel milieu komt: ‘Mijn boekenkast was lang een intentieboekenkast, vanuit de wens om toch vooral schrijver te zijn. In de bio van mijn vorige boek staat ook: eerst wilde hij schrijver zijn, nu wil hij schrijven.’

‘Ik heb überhaupt nooit schrijver willen worden. Nooit! Schrijven was iets wat je kon doen als al het andere was mislukt. Wat ik wel ken, is dat ik vroeger tegen alles en iedereen opkeek. Ik wilde erbij horen. Maar als je er dan eenmaal bijhoort denk je al snel: is dit alles?’

Hoe verhoud jij je tot de Nederlandse schrijverswereld?

‘Ik geloof niet dat ik er diep in zit, in de schrijverswereld. Dat heb ik wel een tijdje gedaan, ging ik naar schrijverskroegen als De Pels enzo, maar na een jaartje had ik dat ook wel weer gehad. Dat was net na mijn scheiding, toen ik mijn tweede puberteit beleefde.’

Hoe bont heb je het toen gemaakt?

‘Ik was veertien jaar getrouwd geweest, dus ik ging helemaal los. Heel veel drinken.’

Wat dronk je?

‘Bier. Heel veel bier. Daar is Beieren ook geweldig voor. Van die grote pullen. In dat jaar kreeg ik ook allerlei associaties met mijn middelbareschooltijd, tot kotsen aan toe. Ik denk altijd dat als ik toen niet zoveel had gedronken, ik nu vast veel slimmer zou zijn geweest. Maar ja, als je vijf bier op hebt kun je alles, hè? Dat was op mijn 16de zo en dat was op mijn 40ste nog steeds zo.’

Met wie ging je dan? De meeste veertigers liggen op vrijdagavond op de bank te netflixen.

‘Ben je mal, de kroegen zitten vol met mensen die met je willen drinken! En als je eenmaal dronken bent zíjn ook alle mensen leuk om mee te drinken.’

Met een zucht: ‘Ik hoop toch echt dat mijn dochter dat niet gaat doen op haar 15de. Ik weet nog dat ik vroeger straalbezopen thuiskwam om twee minuten over één ’s nachts, en dat mijn ouders dan woest waren omdat ik om één uur thuis had moeten zijn. Terwijl ik stomdronken was – maar dat was dan geen probleem. Het is goed dat de moraal rond drank verschuift. Vincent van Gogh schreef in één van zijn brieven: ‘Er is zo’n raar nieuw bijgeloof, dat roken en drinken ongezond zou zijn.’

Dat waren de complotdenkers van toen.

‘Vreemd hè? Ik geloof dus ook dat drinken voor Teddy anders zal zijn. Alles wat mijn dochter nu al weet op haar 11de, wist ik vroeger niet, dat kwam pas tien jaar later. Dat komt natuurlijk doordat wij tegenwoordig over alles praten, dat gebeurde vroeger niet.’

Kinderen van nu zijn misschien bewuster, maar dat zegt niets over de behoefte om grenzen op te zoeken en eroverheen te gaan.

‘Ja maar ik denk dat de afstand kleiner is tussen wie ze zijn en wie ze zouden willen zijn. Ik kon vroeger iedereen ’s avonds met zo’n grote bek aanspreken, en diezelfde persoon de volgende dag niet eens durven aankijken. Doodsbang. Het verschil was gewoon te groot.’

Drink je nog?

‘Niet vaak. En als we bezoek hebben zet mijn vriend op een gegeven moment een glas water voor me neer, dan weet ik dat het genoeg is. Maar dat gevoel dat de rem eraf is blijft bevrijdend.’

Leest Teddy graag?

‘Heel graag. Harry Potter en zo. Ze leest ze in het Engels, ze heeft zichzelf de taal geleerd door YouTubefilmpjes te kijken. En ze zit op een tweetalige opleiding.’

Geneert ze zich al voor je?

‘Jazeker. Vooral als ik make-up op moet voor een foto. Dan zegt ze: ‘Je lijkt niet eens op mijn moeder.’

Hoe vond ze de komst van Thom?

‘Ze is een schatje, ik heb echt een kind voor beginners, maar ze moest wel wennen. Kwam natuurlijk ook doordat we lang met z’n tweeën waren. Ze zei: ‘Maar we waren zo’n leuk setje.’ Toen dacht ik: nou, dan lijkt het me goed dat er nu een man bij komt, want dat wil je niet, een setje zijn met je moeder.’

Wat vind jij leuk aan Thom (69)?

‘Dat hij grappig is, en lief, en dat ik de helft van de tijd niks van hem begrijp. Zelf zegt hij dat hij de normaalste man van de wereld is, maar ik ken niemand die op hem lijkt.’

Beeld Oof Verschuren

Wonen jullie samen?

‘Nee, maar we hebben wel het co-ouderschap over een hond, Sorry. Thom zei: ‘Mijn vorige hond heette Semi, dus deze heet Sorry.’ Dat bedoel ik: onnavolgbaar.’

Koffie nummer drie, daarna is onze coronashift voorbij en moeten we verkassen, naar het tegenovergelegen café Eik & Linde. Gerritsen bestelt er spa rood en een groentekroket, halverwege de bestelling kijkt ze even om: aan een tafeltje verderop vertelt Joost Prinsen net een smakelijke anekdote over de Rat Pack. Gerritsen: ‘Ik dacht al. Die stem.’

Het gesprek gaat verder over de nieuwe Vlaams-Nederlandse dramaserie Red Light waaraan ze meeschreef, over drie vrouwen die zichzelf verliezen en elkaar vinden in de wereld van prostitutie en mensenhandel. Gerritsen was hoofdscenarist, Carice van Houten en Halina Reijn tekenden voor het acteerwerk. Eerder schreef Gerritsen het script voor hun eerste film, Instinct.

Carice en Halina hebben het productiebedrijf Man Up. Wat zij maken biedt een nadrukkelijk vrouwelijk perspectief, in plaats van de gebruikelijke male gaze. Waar sta jij in dat debat?

‘Het is belangrijk dat het er is. Voor deze serie wilde ik de wereld van prostitutie bijvoorbeeld niet romantiseren. Een paar jaar geleden vroeg een Engelse toerist mij op straat waar het red light district was. Heel normale vraag, in Amsterdam. Maar kan je één ander land ter wereld noemen waar het normaal is dat een man aan een vreemde vrouw vraagt where the hookers are? Ik zei dus ook: ‘No, and you should not ask a woman that.’ Hij werd rood en zei: ‘But I am meeting my friends there.’ Toen moesten we allebei een beetje lachen en het werd ook niet onvriendelijk, maar ik vond het toch goed om te laten weten dat het eigenlijk niet leuk en gezellig is. Het is goed dat die vragen nu gesteld worden. Mijn dochter is fan van Billie Eilish, vind ik ook helemaal top. Aan haar vroegen ze of James Bond wel altijd een man moet zijn. Toen zei zij: ‘We hoeven de klassiekers niet te veranderen, als er maar nieuwe dingen bijkomen.’ Daar denkt mijn dochter nu ook over na.’

Eerder dit jaar verwijderde de streamingdienst van HBO de klassieker Gone with the wind uit hun aanbod, om ’m na een storm van kritiek weer toe te voegen, met een disclaimer vooraf. Hoe kijk jij daarnaar?

‘Lastig. Want hoe ver ga je? Dan kan je alle Griekse tragedies ook wel wegdoen vanwege de vrouwen die erin worden gemarginaliseerd. Dat moet je toch echt in de context van de tijd zien. En eerlijk gezegd word ik ook gek van het nieuwe cliché in Walt Disney-films, dat van de Sterke Vrouw. Alsof alle vrouwen stoer zijn. Ik was als meisje een huilebalk, nou én. Ik vind dus niet dat alles ingewisseld of weggegooid moet worden. Het gaat erom dat er een stem bíj komt, dat er meer keuze is. Dat je én sterke en slappe vrouwen, én sterke en slappe mannen ziet.’

Hoe staat het met het seksisme in de literatuur?

‘Dat is wel echt aan het... veranderen. Ik wilde zeggen: changen, zo erg is het al met me.’

Gaat dat snel genoeg? Toen de jury van de Boekenbon Literatuurprijs 2020 onlangs bekend werd gemaakt, haalde hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Yra van Dijk fel uit naar de samenstelling ervan: ‘Geheel witte jury van vier mannen en één vrouw.’

‘Maar alleen al dat dat opvalt en dat dat niet meer kan, dat is toch winst? Twintig jaar geleden was dat normaal. Maar natuurlijk, er is seksisme. Ik heb eens een recensie gekregen van iemand die schreef over ‘van die vervelende Viva-filosofietjes van verwende meisjes’, of zoiets. Het woord ‘verwend’ wordt echt alleen voor vrouwen gebruikt. Er is ook een theorie dat meisjes zich van jongs af aan met beide seksen identificeren en jongens alleen met jongens. Dus dat meisjes wel Harry Potter lezen, maar jongens niet snel Ronja de Roversdochter. In feite is dat een verlies voor de jongens. Want die hebben daarmee minder keus.’

Dacht je hier over na toen je De terugkeer schreef?

‘Nee, maar het zou best kunnen dat je onbewust in je eigen vooroordelen tuint. Want degene die in dit boek doordramt is een vrouw, en degene die alles wil laten rusten is de man. Het is interessant om na te denken over de vraag wat er was gebeurd als ik het andersom had gedaan. Dan was de man ineens de doortastende leider geweest, en zij die slappe vrouw die niet tegen conflicten kan. Of als ik die moeder depressief had gemaakt. Hadden we die dat dan meer kwalijk genomen? Ik denk het wel. Tegelijkertijd is het zo dodelijk om op die manier te kijken. Het is zo’n overbewuste tijd. En laten we wel wezen, toen dat hele #MeToo begon, dacht ik meteen: ik hoop niet dat er filmpjes zijn van wat ík allemaal heb uitgespookt.’

CV Esther Gerritsen

2 februari 1972 Geboren in Nijmegen

1989 Havo in Bemmel

1989-1991 Dramatherapie Nijmegen

1991-1996 Dramaschrijven en Literaire vorming, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

1997-2011 Toneelschrijver, o.m. Gras, Huisvrouw, De Kopvoeter, winnaar Charlotte Köhler Stipendium voor toneel (2001)

2000-nu Prozaschrijver, o.a. De kleine miezerige god, Dorst, Roxy. Frans Kellendonk-prijs

2016 Auteur boekenweekgeschenk Broer

2010-nu Columnist voor de VPRO Gids

2014-nu Scenarist, o.a. Nena, Dorst, Instinct

2017-2019 Columnist voor de Volkskrant

2020 Hoofdscenariste voor de Vlaams-Nederlandse serie Red Light

Esther Gerritsen heeft een relatie met Thom Keijzer. Met haar ex Jeroen Busscher deelt ze het co-ouderschap over dochter Teddy (11).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden