Het godswonder van Orvieto

Dante sprak er schande van. Orvieto werd geplaagd door moord en doodslag, corrupte leiders en zedenloze priesters. Toch kreeg dit stadje een prachtig godshuis..

Om van zijn twijfels bevrijd te worden ondernam de gekwelde monnik Peter van Bohemen - ook wel genoemd Peter van Praag - in 1263 een voettocht naar Rome. En op de terugtocht gebeurde het wonder. In Bolsena, ten noorden van Rome, las hij de mis en de hostie begon te bloeden. Alle twijfel was verdwenen. De hostie was veranderd in het lichaam van Christus. Ontroerd, beschaamd en opgelucht bracht hij het met bloed bevlekte altaarkleed naar de paus, die uit het onveilige Rome gevlucht was naar het wat verderop gelegen Orvieto. De paus kon het bewijs goed gebruiken in de strijd tegen de ketters. Hij stelde een nieuwe kerkelijke feestdag in en er moest een enorme kathedraal komen om het doekje te herbergen en het wonder te vieren. In 1290 werd de eerste steen gelegd.

En het resultaat is de dom van Orvieto: ook een godswonder. Van stralende schoonheid, ontroering en vooral ook van verbazing. Hoe is het mogelijk dat dat prachtige godshuis ooit gebouwd kon worden in zo'n klein stadje dat voortdurend geplaagd werd door moord en doodslag, corrupte leiders, en misdadige, zedenloze priesters, zodat ook Dante er schande van sprak?

Ik was drie dagen in Orvieto en iedere ochtend, voor de toeristen kwamen, werd ik als door een magneet getrokken om er te zitten, te kijken en bijna in vervoering te raken. Alleen al op de voorgevel met zijn vrolijke pilaren en zijn mozaïek van goud, blauw, rood, groen en geel dat als een kaleidoskoop in de ochtendzon speelt, kun je op een stenen bank, aan de overkant van het dan nog stille plein, uren blijven turen; maar in de lenteschaduw is het wel koud. Dan sta je op en ga je opnieuw kijken naar de aandoenlijk lieve marmerreliëfs met de spannende stripverhalen van Adam en Eva, de profeten, Jezus en Maria, de hemel en de hel. Wie deze verrukkelijke taferelen met de honderden figuurtjes, beesten en bloemen heeft gehakt, blijft een geheim, maar vermoedelijk heeft de ontwerper van de gotische voorgevel en het interieur, Lorenzo Maitani, zelf, rond 1310 de mooiste gemaakt.

Ruim drie eeuwen is aan dit ongelofelijke statussymbool van Orvieto gebouwd. De leiders van de stadstaat gaven de opdrachten en namen alle beslissingen. Bisschoppen en andere prelaten mochten zich er niet mee bemoeien. Voortdurend probeerden zij invloed op de bouw van het godshuis uit te oefenen, maar steeds was het vergeefs. De verhouding tussen staat en kerk was broos en vaak gespannen. Pausen hielden graag hof in Orvieto. De lucht was zuiver, de feesten waren groots en vanuit heel Europa kwamen koningen, prinsen en gezanten hun opwachting maken. In 1354, toen de kerk al beschreven werd als de mooiste ter wereld, wenste kardinaal Albornoz, een beter veldheer dan priester, aan alle onrust een einde te maken. Hij veroverde de op een rotsplateau gelegen stad. Het rijke Orvieto werd door de pauselijke staat ingelijfd, maar nooit volledig.

Een kleine eeuw later, in 1460, beschreef paus Pius II Orvieto als een vervallen stad. Huizen, paleizen en kerken waren, als gevolg van vetes en broederoorlogen, verwoest en verbrand. Alleen de kathedraal stond er in volle glorie. Maar ook in de kathedraal lag het werk toen stil. Fra Angelico, die in de zomer van 1447 was begonnen aan de fresco's in de 'Nieuwe Kapel', liet het snel afweten. Een van de grote geldschieters werd vermoord en Fra Angelico keerde terug naar het ongezonde Rome.

Het duurde vijftig jaar voor zijn opvolger, Luca Signorelli, werd gevonden. Signorelli werd weggekocht van een klooster bij Siena waar hij werkte aan wandschilderingen van het leven van de Heilige Benedictus. Die liet hij in de steek. In Orvieto was meer eer en geld te halen. Hij kreeg vrije huisvesting, gratis brood en ruim duizend liter wijn per jaar. Snel maakte hij het door Fra Angelico onvoltooide plafond af en hij kon aan de muren beginnen. Het werd zijn gedurfde meesterwerk, de grote toeristenattractie: De Antichrist, het Laatste Oordeel, de Uitverkorenen, de Verdoemden en de Wederopstanding.

Zoals de beschouwende Fra Angelico zich nog geheel richtte op God, voor wie niets verborgen bleef, zo concentreerde Luca Signorelli zich op de mens die volledig centraal stond. Niets heerlijker vond hij dan stoere, gespierde mannen en vrouwen te schilderen, het liefst naakt, omdat dan het lichaam zich in alle trots en schoonheid openbaarde. En jammer als hij een been, vinger of romp te veel schilderde. Michelangelo kwam kijken voor hij zelf in de Sixtijnse Kapel zijn Laatste Oordeel schilderde.

De eerste keer dat ik, na de vroegmis in de kapel met het bebloede kleed, ging kijken en wat onwennig rondkeek, kwam een oudere dame op mij af. Zij wachtte op de pastoor en vertelde - ik had het kunnen raden - hoofd van een meisjespensionaat te zijn geweest. Zij had ondeugend-strenge ogen en wees mij terloops op Maria, omgeven door een groep maagden. 'Zie je, ze zijn allemaal zwanger.'

Het ijs was gebroken en vol enthousiasme ging ze uitleggen en aanwijzen. Als Antichrist had Signorelli de profeet en boeteprediker Savonarola afgebeeld. Hij trok ten strijde tegen de verloedering van de kerk en twee jaar voor Signorelli de schildering maakte, was hij als ketter op de brandstapel gezet. Was Savonarola de voorloper van Luther die 25 jaar later zijn stellingen aan de kerkdeur nagelde?

Columbus die net de nieuwe wereld had ontdekt, staat met Dante, Cesare, de zoon van paus Adrianus VI, Fra Angelico en Signorelli zelf, te luisteren naar de onheilspellende preek. De wereld is in 1500 in grote verwarring. Het land wordt door vele rampen, ziektes, aardbevingen en oorlogen getroffen. Is het einde der tijden nabij?

Mijn gids, de directrice, wees op een blonde vrouw, midden in de wandschildering, die 'als een prostituee', zei ze, geld in ontvangst neemt. 'Kijk', zei ze en draaide zich om naar de andere muur, waar de verdoemden naar de hel worden gedreven. Dezelfde vrouw, maar nu naakt, zit op de rug van een duivel. 'Zij was Signorelli's liefje, maar ze gaf hem de bons en zo nam hij wraak. Niet aardig.'

Zij draaide zich weer om, naar de Uitverkorenen en zei: 'Zie je hoe wel doorvoed ze er uit zien. Heel iets anders dan wat Franciscus van Assisi hier in Umbrië preekte. Ach, hij was een eenvoudige mysticus die sprak tot de vogels en de vissen. Hij verzette zich niet tegen de Kerk. Anders was hij natuurlijk ook de brandstapel opgegaan. Daar komt de pastoor. Veel plezier. Je moet straks in de Torre del Moro gaan lunchen. Vraag om wildzwijn.'

De dame verdween met de pastoor naar een biechtstoel en ik ging naar de ondergrondse grotten die nog maar twintig jaar geleden zijn ontdekt. Orvieto is gebouwd op een vijftig meter hoge rots in een zacht golvende vallei. Het is een natuurlijke vesting met een oppervlakte van ongeveer een vierkante kilometer. De huizen hadden wel kelders die in de zachte vulkaanrots gehouwen waren, maar meer dan ideale koelkasten leken ze niet te zijn geweest. Maar nu blijkt dat er, als een stad onder een stad, een labyrint van gangen, catacombes en ruimtes is, waar zelfs de Etrusken ruim 2500 jaar geleden al werkten, maar nooit woonden omdat het er te vochtig is.

Samen met een studente uit Siena daalde ik af langs trappetjes en holen en zag de resten van een Etruskische tempel, waar in de Middeleeuwen met behulp van droeve ezels olijfolie werd geperst. Steenhouwers gebruikten steen om huizen, kerken en paleizen mee te bouwen. Met als grote uitzondering de grijs-wit gestreepte kathedraal. En zelden stortte een groeve in. Heel wat families hadden smalle putten gehakt tot diep onder de rots. In de loop der eeuwen waren ze gevuld met vuil en - zo vrezen onderzoekers - zo nu en dan een lastige echtgenoot.

Maar het mooist vond ik de duivenkamers, vertrekken met prachtig symmetrisch uitgehakte nissen, waar duiven werden gehouden. Ze vlogen door het raam naar buiten, voedden zich in de vallei en keerden terug in de rots, die inderdaad veel op de ark van Noach lijkt. Zelfs als de stad belegerd werd, hadden de burgers van Orvieto goed te eten. Duif is een geliefd gerecht in de betere restaurants.

Maar vóór de lunch ging ik nog dwalen door het Claudio Faina Museum, met zijn schat aan Etruskische munten, vazen, bronzen spiegels, urnen en angstig indrukwekkende sarcofagen met de beeltenis van de overlevende. Orvieto was voor de Etrusken een heilige stad met prachtige tempels, waar de brute Romeinen weinig van over lieten. Zij verjoegen alle Etrusken, ofschoon mijn directrice (van de meisjesschool) beweerde zelf een Etruskische te zijn, wier voorouders altijd in Orvieto hadden gewoond. De meeste voorwerpen zijn gevonden in de graven van de dodenstad, onder aan de rots, huisjes die spookachtig leeg zijn.

Ik zwierf door de nauwe middeleeuwse straatjes, beklom de toren, daalde af langs de sensationeel spannende draaitrappen naar de bodem van de Sint Patricksput, zag hoe een dikke Amerikaan er klem raakte en stak een kaarsje op in de Sint Andreaskerk, gebouwd op de resten van een Romeinse tempel, die daarvoor als tempel van de Etrusken had gediend.

Bij het vallen van de avond genoot ik van de vaders, moeders, kinderen en geliefden die in een brave, luidruchtige omgang door de Corso Cavour schuifelden, alsof er die dag in dit slaperige stadje echt iets was gebeurd.

Op de vierde dag verliet ik de rots, met twee enorme, ronde paasbroden die ik van mijn goede vriend Sandro had gekregen. Ik bracht een bezoek aan de Cardeta wijn-coöperatie, waar ik begreep dat Signorelli zonder zijn dagelijkse drie liter Orvieto-wijn de kathedraal nooit zo mooi had kunnen versieren.

De paden kronkelden die middag wel overdreven veel en tevergeefs zocht ik naar Romeinse scherven in een ruïne van een doorvoerhaven op de plaats waar de Tiber en de Paglia samenkomen. Eens was de Tiber een druk bevaren rivier.

Boven op een berg zong de herbergierster van Podere Il Caio oude volksliederen bij het roeren in de pan. De keuken lag onder mijn kamer en ze zong tot ik in slaap viel.

De wandeling ging verder, naar het Meer van Corbara, maar ik miste de rots vanwaar Franciscus preekte tot de vissen. In het dal van de Tiber zag ik honderden, wat groot uitgevallen konijnenholen. Het waren Etruskische graven. Het was er stil en mysterieus. Samen met Miriam, een dame uit Rome, zocht ik een verlaten klooster met fresco's uit de veertiende eeuw. In het kleine, donkere kapelletje brandde een olielampje en toen we bij de poort aanklopten, verscheen een Albaanse vluchteling. Even later vroegen we, verdwaald tussen de wijngaarden, de weg aan een Armeense vluchteling.

We klommen verder en toen verscheen een panorama dat ik hopelijk nooit meer zal vergeten. Het meer in de diepte, heuvels, glooiingen, weiden, olijfbomen, in alle lentekleuren, tinten en bijna magische vormen. Hier klonk het loflied dat de mystici zongen. 'Umbrië heeft nog de ziel die Toscane heeft verloren', zei Miriam. Zij bracht me naar haar vriend Marco, een jonge architect die een oude boerderij tot agriturismo had veranderd. Hij woonde er alleen en begon lyrisch te vertellen over het landleven, de nieuwe wijnaanplant, het snoeien van de olijven, de grond, de aarde en de geheime plek waar witte truffels groeiden. Hij liet zijn wijn proeven en serveerde het zoutloze brood, de dagelijkse herinnering aan de zoutoorlog uit 1538, toen het volk in opstand kwam tegen de hoge zoutbelasting die de paus hief om zijn oorlogen te financieren. 'Er bestaat', zei Marco, 'geen beter brood.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden