Mijn BevrijdingRoggel

Het Britse vreugdevuur dat alles in Roggel veranderde

Het waren Britse soldaten die het leven van het Limburgse gezin-Creemers bijna verwoestten. Nog altijd lopen de emoties erover hoog op. Een daad van onoplettendheid werd Lei, destijds 8 jaar, haast fataal. De priester had het sacrament van de dood al uitgesproken.

Vlnr Mien, Sjaak, Jan en Lei.Beeld Rebecca Fertinel

Lei Creemers (83) herinnert zich de vlammen op die koude novembermiddag vlak na de bevrijding nog levendig. 8 jaar oud was hij toen pas, maar in de vele decennia daarna praatte hij zelden over de explosie en zijn ongeluk van die middag. Dan verstijfde hij, of raakte hij in paniek. Zoals die keer toen hij op tv de slachtoffers van de vuurwerkramp in Enschede zag, en de tranen hem in de ogen sprongen.

Maar vandaag is anders. Hij zit aan tafel met zijn broers Sjaak (85) en Jan (87) en zijn zus Mien (88), met wie hij heeft afgesproken om terug te gaan naar de boerderij waar ze samen zijn opgegroeid. Het is nu anders dan wanneer iemand op een feestje over zijn ongeluk begint en hij zich overvallen voelt. ‘Vandaag heb ik me kunnen voorbereiden’, zegt hij op rustige toon.

Als de vier bejaarde Limburgers vlaai eten en koffie drinken, valt al op hoe ze van elkaar verschillen. Ze zijn de laatst overgeblevenen van het gezin Creemers – hun oudste broer en vier andere zussen zijn overleden. Ze praten over de nachtelijke luchtgevechten die ze in de eerste jaren van de oorlog als kinderen vanuit de tuin bekeken. Voor Lei voelde dat als televisiekijken. ‘Je zag Duitse zoeklichten, er werd geschoten’, zegt hij opgewonden. ’Dat was spannend.’ –‘Spannend?’, reageert Jan. ‘Het was doodeng. Al die akelige geluiden.’ Mien was bezorgd, zegt ze. ‘We moesten warme kleren aan, naar buiten lopen, Lei en Sjaak mochten samen in de kruiwagen liggen…’ Terwijl zijn zus praat, begint Sjaak te huilen. Hij wordt tijdens het gesprek vaker emotioneel, vooral als scènes in detail naar boven komen.

Eieren voor de Duitsers

Van de brandwonden op Lei’s gezicht is niets meer te zien. Voordat de vier over zijn ongeluk praten, komen herinneringen boven die ze al 75 jaar aan elkaar vertellen. De brug bij hun boerderij die werd opgeblazen, terwijl ze schuilden in een zandhoop. Het beeld van hun moeder die eieren bakt voor de eerste Duitse soldaten. En vooral: hun vader en broer die eind 1944 op een trein naar Duitsland werden gezet om pas in mei 1945 terug te komen, het andere trauma van het gezin, naast het ongeluk van Lei.

Op de middag van het ongeluk zijn de vader en oudste broer van het gezin al in Duitsland. Na een kerkbezoek waren ze daar met andere mannen uit het dorp op veewagens naartoe gestuurd, om te gaan werken. Het einde van de oorlog naderde, Duitse mannen waren naar het front gestuurd. Nederlanders werden ingezet om de industrie en voedselproductie draaiende te houden. ‘Moeder was heel flink, zegt Mien. ‘Ze huilde nooit.’ Lei begint te snikken. ‘Dat deed ze ’s nachts’, zegt hij. ‘Ik kon haar dan horen huilen.’

Dat de twee mannen weg waren, voelde volgens Mien als een ontheemding voor het gezin. Maar Jan herinnert zich ook de vrijheid die ze als kinderen ineens hadden. Hij vond het ‘best leuk’ dat hij niet meer hoefde te helpen met klusjes. Dat kwam ook doordat ze na hun evacuatie tijdelijk bij een boer in het dorp Roggel woonden, waar ze in november bevrijd werden.

In de schuur van dat tijdelijke adres vonden Britse militairen kort na de bevrijding lege Duitse munitiedozen. Lei was er buiten aan het spelen. De Britten gooiden de houten dozen op een stapel en staken hem in brand. Er was geen vader of broer meer die de kinderen in de gaten hield, en Lei keek met grote ogen naar het grote vuur.

Stoere Britse militairen

‘Ik vond het prachtig’, herinnert hij zich. ‘Wat is er voor een jongetje mooier dan stoere militairen die een vuurtje stoken?’ In de kleine kring toeschouwers rond het vuur, staat Lei vooraan.

De ‘kleine’ Lei, die de luchtgevechten eerder al zo spannend vond, en het opblazen van de brug als ‘vuurwerk’ zag, voelt nu de warmte van de vlammen tegen zijn gezicht. Maar één van de munitiedozen blijkt niet leeg te zijn.

De stapel explodeert, Lei voelt zich achteruit geblazen worden. Met een klap belandt hij met zijn rug op de grond. Mien herinnert zich hoe de Britse militairen op haar afgerend kwamen. Uit hun driftige gebaren en blikken begreep ze dat ze haar moeder moest halen, want er was iets ergs met haar broertje gebeurd.

Lei weet nog hoe zijn kleren in de keuken van zijn lijf werden geknipt – ‘alles zat aan mijn huid vastgeschroeid’. Hij voelt hoe de Engelsen zijn verbrande lichaam met boter insmeren.

Mien zag hem daar, in de keuken. ‘Zijn haren waren verbrand, zijn gezicht was helemaal zwart. Ik herkende hem niet.’ Lei herinnert zich geen pijn, waarschijnlijk vanwege morfine. Als zijn moeder thuiskomt, ligt hij al in een legervoertuig onderweg naar het militaire ziekenhuis in Weert.

Die middag kwam Sjaak ook thuis. Hij en Lei waren de jongsten van het gezin van negen, Lei was de broer met wie hij het meest close was. ‘Elke avond sliepen we in hetzelfde bed. Maar die avond moest ik alleen slapen.’

Sacrament van de dood

Wat Lei in het ziekenhuis meemaakt, is voor hem nog traumatischer dan de explosie en de brandwonden. Aan tafel klinkt hij gespannener wanneer hij vertelt over de priester die aan zijn bed kwam. Lei voelde zich met wijwater besprenkeld worden, hij zag niets. ‘De huid bij mijn ogen was opgezwollen.’ De priester sprak een sacrament over hem uit. Een half jaar eerder had hij zijn communie gedaan, dus hij herkende het. ‘Het was het sacrament van de dood.’

Even is het stil aan tafel. Lei wist als jongetje van 8 nu zeker dat hij zou sterven, vertelt hij met moeite. Toen zijn moeder haar onherkenbare zoon tussen de oorlogsslachtoffers had gevonden en naast zijn bed zat, bleef hij dat herhalen. ‘Ik ga dood’, zei Lei die middag opnieuw en opnieuw.

Rozenkrans

Die avond huilde haar moeder wel, zei Mien, nu ook geëmotioneerd. ‘Moeder zei: Lei is vandaag bediend. Toen wisten wij eigenlijk genoeg: ons broertje zou niet meer terugkomen.’ Thuis werd nauwelijks gesproken over Lei of de vader en broer in Duitsland. ‘In die tijd werd er gebeden’, zegt Jan. Elke avond kwam de rozenkrans tevoorschijn, ook nu heeft Mien het gebedskettinkje van zolder gehaald. Ze doet ‘de tien weesgegroetjes’ en ‘de twaalf artikelen van het geloof’ voor. Sjaak lacht door zijn tranen heen.

Na een week worden de zwellingen op het gezicht van Lei minder groot. Hij wordt rustiger als hij erover vertelt, er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Elke dag brengt een Britse kapitein zijn moeder, ‘misschien uit schuldgevoel’. Hij herinnert zich dat hij op zijn 9de verjaardag in het ziekenhuis een mondharmonica van de Britse kapitein kreeg. ‘Daar was ik zo trots op’.

Hoewel zijn huid nog verbrand is, lukt het hem al om er een beetje op te spelen. In de week na zijn verjaardag geneest de huid verder, Lei verstopt de schilfers van zijn gezicht achter het bed – ‘ik mocht er niet aanzitten.’ Als hij vlak voor Kerst met een taxi naar huis werd gebracht, legt hij de harmonica voor het raam van de auto. ‘Zodat iedereen op straat hem kon zien.’

Kerst 1944

Sjaak huilt weer als Lei over zijn thuiskomt vertelt. Hij was blij dat zijn ‘slaapje’ er weer was. Hij en zijn broertje maakten nooit ruzie, zegt hij. ‘Dat mocht niet’, antwoordt Lei meteen, waarna de bejaarden allemaal moeten lachen.

Alle vier herinneren ze de rare Kerst in 1944, zonder hun vader en broer. De boerderij waar ze nu voor het eerst sinds de jaren ’40 weer samen rondlopen, was te beschadigd om na de bevrijding naar terug te keren. Nu gaat Mien in haar rolstoel voorop het erf op, geduwd door Jan. Sjaak wijst naar de schuur, ‘die is precies hetzelfde als vroeger’. Lei maakt met zijn digitale camera foto’s van de binnenkant.

Toen de vier hier 75 jaar geleden terugkwamen, wisten ze nog steeds niet waar hun vader en oudste broer waren. Jan herinnert zich nog welke muren en ramen van de nu gerenoveerde woonboerderij die Kerst vernietigd waren. Mien vertelt hoe granaatscherven de gipsen beelden van de kerststal op zolder hadden beschadigd. ‘Moeder had die kerst lekkere botermelkpap gemaakt’, herinnert ze zich, ‘maar het was geen feest.’

Dat feest kwam eigenlijk pas een week na de capitulatie van Duitsland in mei, toen hun vader en broer ’s avonds om tien uur weer voor de deur stonden. Ze waren mager, hun vader had geen tanden meer. Maar verder waren ze gezond. ‘In die tijd werd niet geknuffeld’, zegt Jan. ‘Maar toen hebben we elkaar voor de eerste en laatste keer omhelst. Het gezin was weer compleet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden