Het blijft toch je familie

Met de feestdagen geven de familiebanden houvast – of ze knellen. Maar wat is eigenlijk familie? In ieder geval niet: ‘een bloedband’....

De een kijkt er het hele jaar naar uit, de ander zou het liefst een maandje incognito op een vakantie-eiland onderduiken. In de decembermaand is het familie wat de klok slaat. Eerst – soms in een marathonsessie – Sinterklaas; dan een paar weken heen en weer gebel over recepten, data en onwillige ooms en tantes; daarna de voorlopige familie-apotheose, Kerst; en tot slot het inslaan van vuurwerk en het ‘deze keer’ zelf bakken van de oliebollen voor de Oudejaarsavond waarop ook de kleinsten mogen opblijven. Het zijn momenten om weer even de banden aan te halen, liefst met een roesje van chocola voor de kinderen en alcohol voor volwassenen. Een tafel vol mensen die je het dierbaarst zijn. Die je erkent en herkent, die een deel van jou zijn. Ze irriteren je soms, helpen je uit de brand wanneer dat nodig is, en laten je andere keren weer verschrikkelijk zitten. Maar wat ze ook doen, het is je familie. Je zit aan ze vast en gelukkig maar.

Sommige mensen noemen hun vrienden hun familie, maar dat zijn bijna altijd degenen die er een treurige geschiedenis met hun bloedverwanten op nahouden. Familie is voor altijd, en onvoorwaardelijk. Al het andere is behelpen. Maar wat is familie eigenlijk? Het lijkt zo simpel: een vader en een moeder, wat kinderen, liefst een opa en oma en eventueel wat ooms en tantes. Dat gevoel dat je bij de Bertolli-reclames wel krijgt, met kranige oma’s die een schragentafel vol nakomelingen overzien, die genietend hun pasta naar binnen slurpen.

Maar nu de realiteit: gebroken gezinnen, samengestelde gezinnen, pleeggezinnen, adoptiegezinnen, homogezinnen, probleemgezinnen en eenoudergezinnen vieren ook allemaal Kerst. Is het anders als je een kerstcadeautje krijgt van een stiefvader? Of als je in de ogen van je dochter niet de weerspiegeling van jezelf ziet, maar die van een Colombiaans echtpaar dat niet voor zijn kind kon zorgen?

Familie is niet synoniem aan bloedband, zeggen deskundigen eensgezind. Natuurlijk, het is wenselijk dat kinderen opgroeien bij hun eigen ouders. Of in ieder geval binnen hun eigen familie. Als dat niet lukt ergens in eigen land, en als laatste redmiddel opvang in een vreemd land.

Maar die wens heeft meer een ethische grondslag dan een wetenschappelijke, legt hoogleraar adoptiestudies Femmie Juffer van de Universiteit Leiden uit. ‘Wij vinden dat een kind thuishoort bij zijn familie, en zo staat het ook in het Haags Adoptieverdrag. Maar we weten niet of een kind echt beter af is als het wordt opgevoed door een bloedverwant in plaats van door een vreemde.’ Adoptiekinderen doen het over het algemeen heel goed, slechts een klein deel krijgt problemen en dan is het meestal niet aan de adoptie te wijten, maar aan de omstandigheden waarin een kind zich bevond voor de adoptie. Juffer: ‘We denken vaak dat een geadopteerd kind dat problemen heeft, moeite heeft met zijn adoptie, maar dat is lang niet altijd de oorzaak. Problemen ontstaan vaak doordat een kind in een kindertehuis heeft gezeten, of ondervoed was. Dat kun je jaren later nog merken.’

Familie heeft weinig met afkomst te maken, beaamt haar collega Rien van IJzendoorn, hoogleraar gezinspedagogiek. ‘De wortels van het familiegevoel zitten in de gehechtheid van een kind aan zijn familie. Een kind hecht zich aan zijn ouders, maar ook aan zijn broers en zussen, en dat levert een levenslange band op.’ Die band hoeft niet altijd leuk te zijn, voegt hij toe. ‘Familie kan een bron zijn van levenslange verbondenheid en vertrouwdheid, maar ook van voortdurende boosheid en wrok. In elk geval gaat het om intense emoties die zijn opgebouwd na jarenlange intieme omgang.’

Ook gezondheidszorgpsychologe Nelleke Polderman gelooft dat je familie het gezin is waarmee je een band opbouwt. Zij noemt het basisvertrouwen. De term is een toegankelijker naam voor hechting zegt ze, ‘want ook ouders met kinderen die slecht gehecht zijn, hebben een band met hun kind.’

Kinderen hechten zich normaal gesproken in het eerste levensjaar aan hun opvoeders, en zien die mensen vervolgens als hun familie. Een kind kan zich echter veilig en onveilig hechten. De naam verraadt het al, je hebt liever dat je zoon of dochter in de eerste categorie valt dan in de tweede. Polderman is directeur van Basic Trust, waar kinderen met een gebrek aan basisvertrouwen (officieel ‘veilige hechting’) worden begeleid in het alsnog opbouwen ervan. ‘Tweederde van alle kinderen hebben voldoende basisvertrouwen, die zijn veilig gehecht. Ze vertrouwen erop dat hun ouders er voor ze zijn als dat nodig is, en durven op eigen kracht de wereld te verkennen.’ Kinderen die onveilig gehecht zijn, missen dat basisvertrouwen. Ze kunnen zich angstig gedragen, zich vastklampen aan hun ouders of juist heel afstandelijk en zelfstandig zijn, maar het basisprobleem is voor die kinderen hetzelfde: ze durven niet op hun ouders te vertrouwen. Kinderen met een onveilige hechting krijgen later vaker gedrags- en leerproblemen, ze hebben meer kans op communicatiestoornissen of een laag zelfbeeld. Een onveilige hechting kan zich jaren na het probleem nog manifesteren, waardoor veel ouders niet begrijpen waar het probleem vandaan komt.

Reden voor een onveilige hechting kan een verblijf in een instelling zijn, of gesleep tussen pleeggezinnen. Maar het kan ook een hele banale reden hebben. Polderman: ‘Als een moeder vlak na de bevalling een paar maanden in het ziekenhuis moet blijven, dan voelt een kind zich in de steek gelaten en krijgt een gebrek aan basisvertrouwen. Dat is domme pech, maar het kan ernstige gevolgen hebben.’

Vroeger werd gedacht dat het hechtingsproces een eenmalige kans was. Als een kind in zijn eerste jaar zijn moeder verloor, verschillende pleeggezinnen zag of in een weeshuis terechtkwam, werd het moment voorbij geacht en de schade onherstelbaar. Dat is nu gelukkig anders, zegt Polderman. ‘Een gebrek aan basisvertrouwen kun je jaren later nog aanpakken. Soms komen pubers bij ons binnen, die zo ontspoord zijn dat er plannen zijn om ze uit huis te plaatsen. Na behandeling kunnen ze gewoon thuisblijven. We hebben zelfs wel volwassenen geholpen.’

Toch is de gedachte dat adoptiekinderen problemen krijgen doordat ze moeite hebben om te aarden, hardnekkig. Natuurlijk spelen er bij adoptie vaak zaken mee die de situatie kunnen compliceren, zegt Juffer. ‘Veel geadopteerden worstelen met de vraag waarom ze zijn afgestaan. Dat is een verlies dat ze met zich meedragen.’ Ongeveer een derde van de adoptiekinderen gaat op zoek naar zijn biologische familie, weet Juffer. Maar dat is volgens haar geen teken dat de adoptiefamilie niet als de echte familie voelt. Samen met Van IJzendoorn bestudeerde Juffer ruim 270 studies met in totaal 230 duizend (adoptie)kinderen en hun ouders. Het bleek dat adoptiekinderen niet noemenswaardig meer problemen kregen dan andere kinderen. ‘Ik heb zelf een keer de gehechtheid van adoptiebaby’s vergeleken met die van andere baby’s, ze waren precies even vaak veilig gehecht.’

Voor geadopteerden die op zoek gaan naar biologische verwanten, is loyaliteit aan de adoptiefamilie soms zelfs een belemmering, zegt ook Marie-Anne Engels van de Fiom, een organisatie voor psychosociale hulpverlening. Zij werkt al 30 jaar met geadopteerden die vragen hebben over hun afkomst. ‘Wie durft te zoeken met medeweten van zijn ouders, voelt zich veilig in zijn familie. Het is een deel van hun geschiedenis, ze willen weten op wie ze lijken. En waarom ze zijn weggegeven.’

Vroeger was men bij adopties voorstander van een volledige breuk. Een kind kreeg een nieuwe familie, een nieuwe naam en er werd verder niet over gesproken. Om pijnlijke situaties te vermijden. Tegenwoordig is het veel opener, vertelt Engels. ‘Een kind heeft het recht om te weten wie zijn biologische ouders zijn, dat wordt afstandsouders en adoptieouders ook verteld.’ De Fiom kan geadopteerden bijstaan in die zoektocht. Juffer weet uit onderzoek dat geadopteerden zich na het vinden van biologische verwanten soms juist sterker verbonden voelen met hun adoptiefamilie. ‘Vaak zie je dat iemand die zijn familie eenmaal heeft gevonden, daarna weinig contact onderhoudt. Ze weten nu op wie ze lijken, waarom ze zijn afgestaan. Hun thuis ligt bij hun adoptieouders. Thuis is waar je bent opgegroeid, wiens neus je ook hebt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden