InterviewHelle Helle

Helle Helle: ‘In al mijn boeken zitten zinnen van mijn moeder’

Hoe schrijft de schrijver? De Deense Helle Helle ontdekt pas tijdens het schrijven waar een verhaal over gaat – vaak dankzij gouden uitspraken van haar moeder, die ze met de roman Zij nog even in leven houdt.

Helle Helle. Beeld Sarah Riisager

Ze doen maar, in het krasse pretpark Tivoli uit 1843, midden in Kopenhagen, waar de kerstvreugde je ijzerenheinig tot in dit weekend om de oren klingklokt. Net als op de Stroget, de bekende winkelstraat door het hart van de stad, waar de zware lucht van glühwein, kaneel, kruidnagel en gepofte kastanjes nog hangt, en aan de kledingrekken rijen wintermutsen, sjaals en wanten je aan alle kanten willen verwarmen. De lezer van Zij, de nieuwe roman van Helle Helle (54) over een naamloos 16-jarig meisje dat haar naamloze 41-jarige moeder aan een slopende ziekte gaat verliezen, ziet aldoor maar één scène voor zich. Hoe het meisje de bus van school naar huis heeft gemist en enigszins verloren door een plaatsje loopt, Kerstmis nadert, overal mensen die zich met volle boodschappentassen ergens heen spoeden. Ze blijft bij een kledingrek staan dat volhangt met jassen in de uitverkoop, korte wollen jassen, jassen met een bontrand. ‘Ze huilt in een muts.’

Kort daarna komt ze klasgenote Nete tegen, die vraagt waarom ze zo verdrietig is. Na een lange tijd antwoordt ze: ‘Daarom.’ Waarop Nete zegt: ‘I see.’ Even later, in de bus naar huis, zet de buschauffeur de radio aan, waaruit Bright Eyes klinkt. ‘Het is bijna te veel.’

De boeken van Helle Helle zijn niet dik, maar elke keer slaagt ze erin met subtiele kamermuziek en nauwelijks een plot een baaierd aan emoties op te roepen. Verfijnd, droog, geestig ook vaak, ondanks alle verbeelde eenzaamheid, armoede en tragiek. De evidente liefde tussen moeder en dochter in Zij levert behalve pijnlijke ook mooie momenten samen op, zoals wanneer de dochter haar moeder meeneemt naar een avondcursus ‘Leven en levensfilosofie’, die zo droefgeestig uitpakt dat ze het opgelucht bij één les kunnen laten.

Zo kennen we haar weer, de auteur van onder meer de suggestieve roman De veerboot (2005), over twee zussen die werken op de parfumafdeling van de veerboot tussen Puttgarden (Duitsland) en Rodby (Denemarken), en Het idee van een ongecompliceerd leven met een man (2002), dat uiteraard ook fictie is.

Er is niet aan te ontkomen: God Jul, een goede Kerst, staat er op het pak met koekjes dat een opgewekte Helle Helle heeft meegebracht naar de hotellobby die haar voorkeur heeft, vanwege de loungebanken en de gerieflijke binnenplaats. ‘Toen dit nog geen hotel was, kwam ik hier weleens, een studievriendin van mij woonde op deze plek. Wat ik studeerde? Literatuurwetenschap. Dat heb ik twee jaar vergeefs geprobeerd. Ik wilde literatuur, maar het bleek wetenschap te zijn en theorie schrikt mij af. (Lachend) Ik was een heel slechte student. Schrijver worden, dat was wat ik wilde. Later heb ik bij de radio gewerkt en ik heb nog twee jaar een schrijfopleiding gedaan. Meer achtergrond heb ik niet.’

Maar u doet wel wat u altijd al wilde.

‘Dat klopt. Ik werk drie jaar aan een boek. Of vier, zoals in het geval van Zij, zo klein als het boek is. Veel rondlopen met een idee, erover nadenken en nee zeggen tegen alle andere verzoeken. Ik schrijf alleen wat ik wil en dat zijn mijn boeken. Juist omdat ik geen plot heb, moet ik er zelf ook achter komen waar mijn verhaal over gaat.’

Beeld Sarah Riisager

Hoe begon u aan Zij?

‘Met de eerste zin: ‘Later loopt ze door de velden met een bloemkool.’ Die zin komt eigenlijk uit mijn boek De veerboot, over die twee zussen, Jane en Tine, die hun moeder hebben verloren. Een van de zussen denkt terug aan haar moeders jeugd met de zin: ‘Moeder liep over de velden met een bloemkool in haar hand.’ Uit die zin is twaalf jaar later dit boek voortgekomen. Hoe dat in zijn werk gaat, snap ik niet precies. Maar ik moest er iets mee en het werd het verhaal over een dochter en een moeder die samenleven, de dochter gaat naar school en de moeder werkt in een winkel met kleding en accessoires, tot dat niet meer gaat omdat ze ernstig ziek is.

‘Een droevig gegeven. Ik denk, maar dat is achteraf, dat dit boek gaat over het leed dat we met ons meedragen, de zekerheid dat we ooit onze ouders verliezen. Voor mij was het experiment: hoe kan ik dit verhaal vertellen zonder dat het sentimenteel wordt? Daarom heb ik Zij in een radicale tegenwoordige tijd geschreven. Geen verleden tijd, niet terugblikken op wat is geweest. U zult hebben gemerkt dat ik zinnen schrijf die soms niet kunnen: ‘Vorige week komt hij aanhollen als ze van de winkel onderweg is.’

‘De verleden tijd bestaat niet. En mijn boek eindigt ongeveer op hetzelfde punt waar het begint. Op die manier hoop ik de moeder in leven te houden. Door de vorm van het verhaal gaat zij, die onmiskenbaar stervende is, niet dood. De moeder wordt geen herinnering. En daar komt bij: de enige twee personages in Zij die géén naam hebben, zijn zij, de moeder en de dochter. Ik denk dat de lezer zich zo juist sterker met die twee verbonden voelt.

‘Kort voordat ik aan dit boek begon, stierf mijn moeder, die 73 jaar is geworden, veel ouder dan de moeder in het boek. Ik heb mijn gevoelens toebedeeld aan haar dochter, die nog maar 16 is.

‘Mijn moeder heeft al mijn boeken beïnvloed. Zij was zelf jarenlang parfumverkoopster op de veerboot tussen Rodby en Puttgarden. Zij heeft een winkel gehad in een dorpje in het zuiden, zoals de moeder in Zij. Een alleenstaande moeder met twee dochters, mij en mijn zuster. Las veel en graag. En toen ik ging schrijven, werd zij een leverancier van zinnen voor mijn boeken. Dat was een onuitgesproken deal. Zij kon me opbellen en iets bijzonders zeggen, waarvan ze wist dat ik het noteerde en zou kunnen gebruiken.

Beeld Sarah Riisager

‘Zodra er een boek van mij uitkwam, stuurde ik haar een exemplaar. Elke keer was ze verrukt als ze zinnen herkende. We hebben veel gelachen samen. Over moeilijke dingen spraken we liever niet, die voelden we toch wel aan.’

Kunt u een voorbeeld geven van zo’n zin van uw moeder?

‘Ooit had ze weer eens een vriend gehad, zo kort dat ik hem niet eens heb ontmoet. Ze belde me op en zei: ‘Ik weet niet wat het betekent, maar vanmorgen pakte hij zijn tas en ging ervandoor. Daarom ben ik naar zijn appartement gegaan, en heb daar een notitie gekrabbeld en in zijn bus gestopt. Ik schreef: ‘Ben je weggegaan omdat je weg moest, of ben je weggegaan?’ Dat is een goede zin, dacht ik en noteerde hem meteen.

‘Die zin kwam terecht in mijn roman Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden (2011). Toen die roman werd gerecenseerd, was die zin de kop geworden in een grote Deense krant. Mijn moeder zag dat, deed haar mooiste kleren aan en paradeerde de hele dag door haar dorp. Omdat ze in de krant stond. Ook al wist niemand dat.

‘Toen ik 10 jaar was, lazen mijn moeder en ik dezelfde boeken. Grote historische romans. Ik herinner me een verhaal over de 19de eeuw, waarvan een hoofdstuk begon met: ‘Op een morgen stierf mevrouw Hansen.’ Ik barstte in huilen uit. Mijn moeder vroeg wat er aan de hand was. ‘Mevrouw Hansen is dood’, riep ik. Toen moest mijn moeder ook bijna huilen. Vanaf dat moment wist ik hoe graag ik dat wilde, mensen aan het huilen brengen. Inmiddels is dat een beetje veranderd. Ik wil het liefst dat lezers lachen, en dat ze één keer huilen.’

Beeld Sarah Riisager

U schrijft niet plotgericht, maar eindigt hoofdstukken altijd intrigerend. Neem de treurige avond over die cursus levensfilosofie: ‘Ik weet ook niet of het echt iets voor ons was, zegt haar moeder als ze het plein oversteken, de motregen hangt onder de lantaarnpalen, een auto rijdt weg, en dan nog een, en de stad is weer stil.’

Helle Helle knikt, als ze haar eigen zin herkent. ‘Die ene auto is van de mismoedige cursusleider, de andere van het ene echtpaar dat was komen opdagen en van wie de vrouw blind was. Wat wilt u daarover vragen?’

Nou, er gebeurt niets.

‘Inderdaad. Er gebeurt weinig. Het is vooral doodstil.’

Terwijl het onderwerp van de avond zou zijn: hoe te leven? En het antwoord is doodse stilte.

Ze lacht luid. ‘Daar heb ik niet over nagedacht! Maar ik weet zeker dat ik iets dergelijks heb gevoeld. Dit is schrijven voor mij. Ik denk niet na over de betekenis, niet tevoren, noch als ik ermee bezig ben – maar ik voel dat die scène iets wil zeggen.’

Schrijft u dit in één keer op?

‘Als ik geluk heb wel. Ik schrijf één pagina op een dag. Toch zijn mijn boeken dun en doe ik er jaren over. Dat komt doordat ik veel tijd kwijt ben aan redigeren. Ik ben mijn eigen redacteur, en denk na over elke zin, en controleer of ik een bepaald woord niet per ongeluk twee keer heb gebruikt. Dat redigeren en herschrijven is voor mij het opwindendste gedeelte. Je bent geconcentreerd met taal bezig, en met ritme, en je komt erachter hoeveel gewicht in een klein woord kan schuilen. Misschien dat mijn werkwijze lijkt op die van een dichter.

‘Weet u, ik kan niet over gevoelens schrijven. Niet van binnenuit. Net zoals ik er in het gewone leven niet over kan praten. Het is veel interessanter om te schrijven over hoe mensen dóén en wat ze zeggen: daaruit kun je afleiden wat er in hen omgaat.

Beeld Sarah Riisager

‘Als het meisje op de vraag waarom ze huilt, antwoordt met ‘Daarom’, en haar klasgenote Nete zegt ‘I see’, niets meer – dát is een ontmoeting met een echte vriend, vind ik. Ze kletsen niet over gevoelens. Maar Nete laat merken dat ze om haar geeft. ‘I see’ is genoeg.’ Later klinkt Bright Eyes, dat sentimentele lied van Art Garfunkel. Maar dat zet de buschauffeur aan. Daar kan dat meisje niets aan doen.’

Kun je het iemand leren, schrijven?

‘Op de schrijfopleiding hoorde ik: ‘Als je talent hebt, kun je beter worden.’ Dat geloof ik ook. Er moet iets van talent zijn, maar vervolgens kun je dat verbeteren. Dat kan iedereen trouwens. Elke e-mail kan beter. Iedereen gebruikt tegenwoordig te veel prijzende adjectieven, een gevolg van sociale media. ‘Dank u voor de geweldige avond’, ‘Dit is het beste eten dat ik ooit heb gehad’. Kijk goed terug naar wat je hebt geschreven en begin met wegstrepen. Dat is mijn advies.’

U heeft geen redacteur nodig.

‘Jawel, maar die buigt zich pas over mijn boek nadat ik alle zinnen heb geschreven. En die mag mij op inconsequenties of fouten wijzen, maar niet voorstellen om een hoofdstuk te schrappen, of een ander eind te schrijven. Dan zou ik de uitgeverij verlaten. En mijn redacteur weet dat.’

Was het makkelijk weer terug te gaan naar de schooltijd, om zinnen als deze te kunnen noteren, in het voorbijgaan uitgesproken door een medeleerlinge: ‘Ik wil graag een kilo kwijt op elke dij en twee op mijn kont’?

‘Ha, die zin heb ik veertig jaar geleden opgevangen, toen ik zelf naar het gymnasium ging. Ik heb geen brein voor theorie, maar dát soort dingen onthoud ik allemaal. En ook wat voor kleren iedereen aanhad. Alle zinnen die gezegd zijn, behalve de belangrijke, onthoud ik. Rare zinnen. Die komen tevoorschijn als ik aan het schrijven ben.

‘Een meisje op het gymnasium zei dat, over die kilo’s die ze kwijt wilde: twee op haar dijen en twee op haar kont. Daar heb ik zeker duizend keer over nagedacht. Van een oninteressante zin werd het toen iets boeiends. Wat voor type meisje zégt zoiets? Bedoelt ze soms dat iemand haar moet antwoorden: ‘O nee, dat hoeft niet, twee kilo van je kont, zo groot is die niet.’ Of wil ze dat anderen denken dat ze haar eigen lichaam kan beeldhouwen? Wil ze zeggen dat ze aan fitness doet, of gewichtheffen? Op een bepaalde manier maakt die alledaagse zin die persoon interessant.’

Heeft u die zin toen genoteerd?

‘Nee. Ik heb hem alleen veertig jaar onthouden. Ik ben altijd bang dat mensen zich herkennen in de zinnen die ik van ze heb gepikt. Maar natuurlijk herinneren ze zich die stomme zinnen nooit. Dat meisje van die zin over die kilo’s heb ik onlangs teruggezien, op een reünie van mijn oude middelbare school.’

En, waren die vier kilo’s er eindelijk af?

‘Nee. Er waren nog verschillende kilo’s bij gekomen. (Minzaam lachje) Ze zag er goed uit. Ze kon het hebben.’

Helle Helle geeft een tikje op de cover van Zij. ‘Toen mijn moeder was gestorven, moesten mijn zus en ik haar kleren wegdoen. Haar zijden sjaal in blauw, zwart en rood, die ze in 1987 had gekocht toen ze een busreis naar Italië maakte, heb ik gehouden. Die sjaal is het omslag geworden. Dat leek me gepast, om het laatste boek waaraan zij heeft meegewerkt, in te pakken in de sjaal van mijn moeder.’

Beeld Sarah Riisager

Helle (bis)

Hoe komt Helle Helle aan haar naam? Dat legde ze in 2007 uit in de Volkskrant: ‘Als achternaam komt Helle voor in mijn moeders familie. Toen zij trouwde met een Olsen, kreeg ik Helle als voornaam, opdat haar naam niet verloren zou gaan. Daarna huwde en scheidde mijn moeder verschillende keren. Ik kreeg de ene na de andere achternaam. Op mijn 18de was ik al vier keer van naam veranderd: Helle Olsen, Helle Hansen, Helle Krogh Hansen en Helle Krogh. Omdat ik daar genoeg van had, nam ik de achternaam van mijn moeders familie aan en werd het Helle Helle. Zo staat het in mijn paspoort. Ik heb er later wel spijt van gekregen, maar ik heb geen zin het nóg eens te veranderen.’

Beeld Querido

Helle Helle: Zij

Uit het Deens vertaald door Kor de Vries. Querido; 174 pagina’s; € 20.

Beeld Sarah Riisager
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden