Helden terug op hun voetstuk

Geschiedschrijving draait om het in kaart brengen van het verleden, maar zegt net zo goed veel over het heden. Vier van de vijf titels die zijn genomineerd voor de Grote Geschiedenis Prijs 2009, getuigen van een nieuwe behoefte aan helden....

Waar vind je dezer dagen nog een echte held? Daarvoor moeten we toch al snel een toevlucht zoeken in de geschiedenis, vooral in wat met een wat archaïsche term te boek staat als de vaderlandse geschiedenis (al mochten de oude Grieken en Romeinen er met figuren als Achilles en Caesar ook zijn). Michiel de Ruyter, Frederik Hendrik, ‘de stedendwinger’, menigeen zal ze zich herinneren van de basisschool. Helden zijn geruime tijd ‘uit’ geweest: te simpel, niet erg geloofwaardig, wat al te zwart-wit.

In de tweede helft van de twintigste eeuw ging de geschiedschrijving zich sterker richten op de nuances, op de maatschappelijke verhoudingen waaruit de grote historische figuren voortkwamen, op het lang in de schaduw gebleven leven van ‘gewone’ mannen en vrouwen. Maar daarin lijkt langzamerhand weer een kentering te komen.

Vreemd is dat op zichzelf niet. De geschiedschrijving mag dan een wetenschap zijn (gericht op waarheidsvinding en gebonden aan methodische voorschriften), ze staat open voor subjectieve inzichten – de historicus is vrij in het kiezen van een invalshoek en een probleemstelling. Geschiedschrijving is dus ook ontvankelijk voor de collectieve subjectiviteit die wordt belichaamd in de tijdgeest. De rode draad blijft steeds dezelfde: proberen te begrijpen wat er in het verleden is gebeurd, wat niet eenvoudig is, want zoals Leslie Poles Hartley het zo mooi heeft gezegd in The Go-Between: ‘the past is a foreign country, they do things differently there.’ Naast het hoofdaspect van het beschrijven en begrijpelijk maken van wat er aan onze hedendaagse samenleving vooraf is gegaan, kent de geschiedschrijving ook secundaire doelen, zoals het trekken van lessen uit het verleden (een dikwijls hachelijke onderneming) of het versterken van de eigen identiteit.

Dat laatste speelde een grote rol in de negentiende eeuw, toen in Europa de natiestaten tot bloei kwamen. Maar ook tegenwoordig, nu de natiestaten juist onder druk staan door de duizelingwekkende technologische vooruitgang, de globalisering en de veranderde bevolkingssamenstelling, is er opnieuw sprake van een teruggrijpen op de eigen geschiedenis met het doel de nationale identiteit te versterken.

Koortsachtig speurt men naar canons die op een overzichtelijke manier gebeurtenissen en personen belichten die van betekenis zijn voor de huidige Nederlandse identiteit. In dat licht is ook de weer ontloken interesse voor helden goed verklaarbaar.

Deze trend is ook herkenbaar in de vandaag bekend geworden shortlist voor de Grote Geschiedenis Prijs 2009, die dit jaar voor de derde keer wordt uitgereikt, op initiatief van Historisch Nieuwsblad, de Volkskrant, en VPRO en NPS. De vijf genomineerde boeken voldoen aan alle de door de jury gestelde criteria van degelijkheid, leesbaarheid en originaliteit. Opvallend is wel dat twee boeken met een internationaal thema die op de longlist stonden, Eb en Vloed – Europa en Amerika van Reagan tot Obama van Ronald Havenaar en de briljante dissertatie van Luuk van Middelaar, De Passage naar Europa, niet tot de kanshebbers behoren. Wat betreft originaliteit, visie, durf en fraai taalgebruik kan Van Middelaar zich bepaald met iedereen meten. Alleen al de zin waarmee hij het Wendejaar 1989 typeert, ‘toen de geschiedenis als een losgeslagen paard ruiterloos door de nacht van de Val van de Muur galoppeerde’, is opzienbarend.

De genomineerde boeken behandelen ieder een onderwerp uit de – recente of verder teruggelegen – nationale geschiedenis. Drie van de vijf zijn biografieën, een vierde heeft biografische trekken. In een biografie staat uiteraard de hoofdpersoon centraal, hij of zij is de held van het verhaal. Het opmerkelijke aan de genomineerde boeken is dat hun helden ook werkelijk – de een wat sterker dan de ander – als ware helden worden afgeschilderd. Alleen Rampjaar 1672 van Luc Panhuysen is meer op de historische episode dan op personen gericht, al wordt de onderwerping van de Republiek door de brandschattende troepen van Zonnekoning Lodewijk XlV bekeken door het prisma van Margaretha Turnor, kasteelvrouwe van Amerongen, haar man, de diplomaat Godard Adriaan en hun zoon Godard die het onder stadhouder Willem lll, de latere koning van Engeland, tot een hoge militaire functie bracht.

Panhuysen baseert zich hoofdzakelijk op de brieven die de drie gezinsleden elkaar in die benarde tijd schreven en heeft daarnaast ook de couranten uit de jaren zeventig van de zeventiende eeuw doorgenomen. Het gebruik van de correspondentie blijkt een gouden greep. Het geeft een persoonlijk accent aan de historische gebeurtenissen en brengt ze tot leven, mede door het vermogen van Panhuysen om het geschrevene in een bredere context te plaatsen. Maar juist onbetekenende details verhogen soms het leesplezier. Hoe spraken echtgenoten elkaar in de Gouden Eeuw aan als ze elkaar schreven? De aanhef van de brieven van Margaretha Turnor aan Godard Adriaan luidde steevast: ‘Mijn heer en mijn lief hartje’. Heerlijk.

Veel genoegen heb ik ook beleefd aan Panhuysens beschrijving van de desillusie in Utrecht, toen die stad eindelijk van de Fransen was bevrijd. De soldaten van het Staatse leger traden ruw op tegen de burgers. Een vriend van Godard Adriaan die ter plekke was, vreesde voor onlusten ‘want de mensen wilden niet ‘voor een conquest worden aangezien’ ’. De afgevaardigden van de Staten-Generaal in de stad gedroegen zich als heer en meester. ‘Ze eisten alle rekeningen van het stedelijke en gewestelijke bestuur op, alsof er geen oorlog was afgesloten maar een reusachtig boekhoudschandaal.’ Die Hollanders! Ook toen al op de penning.

In 1674 was de vijand uit de Republiek vertrokken en kon worden begonnen met de wederopbouw. De schade van het Rampjaar (dat in feite langer dan een jaar duurde) was immens; ook Margaretha Turnor moest haar kasteel te Amerongen dat door de Fransen was platgebrand weer van de grond af laten opbouwen. Aan de hand van goed gekozen voorbeelden schetst Panhuysen een beeld van de ontreddering die deze Franse inval teweeg bracht. In Zwolle bijvoorbeeld was meer dan de helft van de huizen niet meer bewoonbaar, de stadsbevolking was eveneens gehalveerd. De auteur verhaalt verder smakelijk over de machtsstrijd tussen Willem lll en de regenten en de bijbehorende intriges waarmee ook de jonge Godard te maken kreeg. En als hij eens iets niet kan achterhalen – de bronnen zijn als het over de zeventiende eeuw gaat schaarser dan bij eigentijdse geschiedenis – schroomt hij niet ook daar melding van te maken. Een absolute aanrader, Rampjaar 1672.

Graag had ik dat ook willen zeggen over de biografie die Wilfried Uitterhoeve heeft geschreven over de veelzijdige wetenschapsman Cornelis Kraijenhoff (1758-1840). Maar helaas is deze levensbeschrijving in mijn ogen maar ten dele geslaagd. Uitterhoeve beschrijft overtuigend hoezeer Kraijenhoff van alle markten thuis was: hij studeerde rechten, daarna filosofie en medicijnen. Hij werd een beroemd waterstaatkundige en wist alles van vestingbouw en waterlinies. Hij was Fransgezind (we hebben het dan over het Frankrijk van de Verlichting en de Revolutie), vervulde officiële functies ten tijde van de Bataafse Republiek en onder koning Lodewijk Napoleon bracht hij het tot minister van Oorlog. Korte tijd diende hij keizer Napoleon om vanaf 1813 uit de grond van zijn hart zijn diensten aan te bieden aan de eerste Nederlandse koning Willem l. Kraijenhoff was de trotse drager van de hoogste Franse onderscheiding, het Légion d’honneur en werd door Willem later als baron in de adelstand verheven.

De ondertitel Een loopbaan onder vijf regeervormen klinkt veelbelovend, maar Uitterhoeve weet niet duidelijk te maken hoe Kraijenhoff het over zijn hart verkreeg om zoveel verschillende, voor een deel ernstig met elkaar overhoop liggende heren te dienen. Dat hij als wetenschapsman met praktische ervaring, als ‘grand technicien’ gewild was, is begrijpelijk, maar hoezo stond hij steeds weer klaar, en met hem blijkbaar tal van anderen uit de toenmalige elite? Dat blijft mistig, wellicht omdat Uitterhoeve zijn held, ‘een van de erflaters die aan de wieg van het moderne Nederland hebben gestaan’, te zeer bewondert om ook kritisch te durven zijn.

Heldendom en bewondering zijn ook volop aan de orde in Weest mannelijk, zijt sterk, de biografie die Jolande Withuis schreef over verzetsman en concentratiekampgevangene Pim Boellaard (1903-2001). Maar Withuis heeft een aanzienlijk sterkere case dan Uitterhoeve en ze is bovendien niet onkritisch. Knap schetst ze hoe generaalszoon Boellaard als gevolg van de (voor hem ellendige) omstandigheden uitsteeg boven de beperkingen van zijn sterk naar binnen gerichte, standsbewuste milieu. Hij trad toe tot de oranjegezinde verzetsgroep O.D., viel ten prooi aan verraad en kwam terecht in de gevangenis in Scheveningen waar hij de dood onder ogen zag en besloot zich niet te laten kennen.

Die zelfbewuste onverzettelijkheid hield hij zelfs vol in aanwezigheid van SS-chef Himmler, aan wie hij desgevraagd bereidwillig uitlegde waarom de meeste Nederlanders niets voelden voor de strijd van nazi-Duitsland. Als Nacht und Nebel-gevangene werd hij afgevoerd naar het concentratiekamp Natzweiler en vervolgens naar Dachau. Daar beleefde hij ondanks de mensonterende omstandigheden zijn finest hour. Hij hielp en bemoedigde zijn lotgenoten waar hij maar kon. Van de overlevenden zeiden velen dat ze hun leven aan Boellaard te danken hadden. De meest ontroerende passage vind ik die waar Boellaard weigert een vastgebonden medegevangene af te ranselen. Daar was inderdaad heldenmoed voor nodig. En het is een wonder dat hij die weigering overleefde.

Na de oorlog hernam Boellaards leven schijnbaar zijn normale loop, hij werd een succesvol zakenman, verkeerde in hoge kringen en raakte persoonlijk bevriend met prins Bernhard, die een zwak had voor verzetsstrijders. Maar zijn hart ging in de eerste plaats uit naar ‘zijn mensen’ uit Natzweiler en Dachau, voor wie hij al het mogelijke bleef doen. Volgens Withuis had hij niettemin geen oorlogstrauma. Ik vraag me af – dat is mijn enige punt van kritiek op dit prachtige boek – of hier de wens niet de moeder van de gedachte was: hoe weet ze dat zo zeker? Het feit dat Boellaard niet in therapie ging en zijn gevoelens nauwelijks uitte, zegt weinig bij zo’n stoere man.

Bernhard in hoogsteigen persoon speelt een centrale rol in Juliana en Bernhard van Cees Fasseur. En ja, de prins komt, met al zijn ondeugendheden, bij Fasseur als de held tevoorschijn. De historicus gaat uitgebreid in op de Hofmans-affaire, de komst van helderziende Greet Hofmans naar Soestdijk waar ze de bewondering van koningin Juliana oogstte. Hij beschrijft de verwikkelingen aan het hof boeiend en gedegen, maar gek genoeg vloeit zijn conclusie – Bernhard heeft de monarchie gered door in de publiciteit de aanval op Hofmans en Juliana te openen – niet logisch voort uit het door hem bijeengebrachte materiaal. Daaruit blijkt juist dat Juliana steeds een goed gevoel hield voor wat ze kon en mocht binnen het constitutionele bestel (iets wat je van de prins onmogelijk kunt volhouden) en dat haar ‘lieve engel’ Hofmans zeker een warhoofd was, maar geen boze politieke plannen koesterde. Spannend en interessant, dit koningsdrama, maar Fasseurs eenzijdigheid doet wel enigszins afbreuk aan de waarde.

Naar Joke Smit zijn in Nederland niet minder dan 38 straten vernoemd. Toch lijkt het vermoeden gerechtvaardigd dat menigeen onder de veertig bij het horen van die naam uitroept: ‘Joke Smit? Wie is dat in ’s hemelsnaam?’ Daarom is het goed dat Marja Vuijsje met haar biografie deze voorvrouw van de tweede feministische golf aan de dreigende vergetelheid ontrukt. Een biografie die recht doet aan de persoon van Smit en ook de opkomende vrouwenbeweging kleurrijk belicht. Hoewel het adagium ‘het persoonlijke is politiek’ lang niet altijd opgaat, bewijst het Marja Vuijsje goede diensten. Aan de hand van Smits met veel psychologisch inzicht beschreven Werdegang laat ze zien hoe de onvrede van deze niet al te gelukkig gehuwde jonge werkende moeder zich verdichtte tot Het onbehagen bij de vrouw (de titel van haar geruchtmakende artikel uit 1967 in De Gids), waarin vele seksegenotes zich herkenden.

Gelijke rechten en het eerlijk verdelen van betaalde arbeid en zorgtaken waren de verlangens waarmee de pragmatische feministe zich in het politieke strijdgewoel waagde. Dat veel van de wensen intussen gerealiseerd zijn (kinderopvang, afschaffing van het kostwinnersprincipe, abortus als een vrouw dat nodig vindt), is natuurlijk niet alleen aan Joke Smit te danken. De tijd en de omstandigheden waren eind 20ste eeuw rijp voor een grote emancipatiesprong. Maar iemand moet gangmaker zijn.

Heldin? Vuijsje gebruikt die term niet in haar indrukwekkende boek en Joke Smit zou er vreemd van hebben opgekeken.

Het is zover: de held is terug

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden