Interview Winfried Baijens

Hé! Een tv-presentator zonder ambities (ja zónder): Winfried Baijens is geen haantje-de-voorste

‘In televisieland wordt gedaan alsof het van gebrek aan ambitie getuigt als je níet zegt dat je ooit wel De Wereld Draait Door wilt presenteren.’ Beeld Anne Claire de Breij

Journaalpresentator Winfried Baijens is doorgaans snel verveeld. Na tweeënhalf jaar NOS is hij – hoewel onrustig van aard – nog steeds niet op zijn baan uitgekeken. Ook tv-recensenten vragen zich af wie de bescheiden Baijens eigenlijk is. ‘Ik geloof dat je je doelen ook kunt bereiken zonder als haantje-de-voorste je rol op te eisen.’

Bij Winfried Baijens (41) thuis ruikt het naar verse verf. Niet alleen nu, eigenlijk altijd. Hij wisselt namelijk nogal vaak van onderkomen. Volgens goede vriend, de jazzmuzicus Benjamin Herman, heeft hij ‘last van verhuisdrift’. En zijn broer Jan-Willem Baijens: ‘Zodra we de laatste doos hebben uitgepakt, vraag ik al aan Winfried of we maar meteen de volgende verhuizing zullen inplannen.’

Baijens zelf is tegelijkertijd in de weer met het opschuiven van een stapel boeken en het ontwarren van de kabel van een hippe designtelevisie, op witte pootjes. Hij kijkt er opgewekt bij en zegt, terwijl de verbazing doorklinkt in zijn stem: ‘Weet je dat dat eigenlijk best leuk is, televisiekijken?’

Dat wist ik, ja. Het verbaast mij een beetje dat jij daar, als presentator van het Achtuurjournaal, van opkijkt. 

‘Ik zit bij de NOS urenlang voor vier tv-schermen, dus in mijn dagelijks leven probeer ik het aantal schermen een beetje te beperken. En ik vond zo’n tv ook gewoon een lelijk apparaat. Maar nu ik er weer een heb, is toch wel ontspannend, een paar uur voor de televisie hangen.’

Terwijl hij voorgaat op een wiebelende wenteltrap, de strak afgewerkte keuken in: ‘Volgens mijn telefoon besteed ik zes uur per dag aan online zijn. Dat is best ernstig. Dus als ik vrij ben, gooi ik apps als Twitter eraf, om mezelf te beschermen.’

Winfried heeft te veel energie, moet altijd een paar projecten tegelijk omhanden hebben en is snel verveeld, zeggen zowel vrienden als collega’s over hem. Zelf constateert hij: ‘Tachtig procent van mij is meer dan genoeg. Wat betreft mijn werk: het is belangrijk dat ik mensen meeneem in mijn verhaal. Dus op televisie en radio praat ik een stuk langzamer dan in het echt.’

En hoe pak je dat snel verveeld-zijn aan? 

‘Janne Schra schreef er een mooi liedje over, Good Now. ‘Why am I looking for, looking for more / When it is all good now, all good now.’ Dat je je dus altijd afvraagt, hoewel alles goed is: En wat nu? In mijn geval ging ik dan op zoek naar iets wat nog niet goed genoeg was, of juist leuker, waarna ik de boel ging versjteren. Altijd weer op zoek naar onrust, omdat ik denk dat ik me verveel. Terwijl het in feite de angst is om te genieten van wat je hebt.’

Opgetrokken wenkbrauw, onder een lok haar die ook de komende drie uur voortdurend voor zijn ogen zal vallen: ‘Ik weet dat het nogal mindfulness-achtig klinkt, maar het klopt wel.’

Beeld Anne Claire de Breij

CV Winfried Baijens

13 december 1977
geboren in Horst (Limburg)
1996-2000 Fontys Hogeschool Journalistiek Tilburg
1999 stage actualiteitenprogramma Nova, NOS
2000-2003 Redacteur Nova
2003-2007 presentator NOS Jeugdjournaal
2004 Cinekid-publieksprijs voor Jeugdjournaal Jaaroverzicht, krijgt Gouden Tape, onderscheiding voor tv-talent, van Genootschap van Hoofdredacteuren
2007 presentator NOS Journaal op 3
2008 presentator NPO 3FM
2009-2016 presentator NPO Radio 6, onder meer interviewprogramma Winfrieds Woonkamer en BNN Today voor NPO Radio 1
2010 Nominatie Marconi Award
2011 Presentator tv-programma  24/7 (BNNVara)
2016 presentator NOS Journaal en NOS Radio 1 Journaal
2017 invalpresentator Kunststof Radio (NTR)

Winfried Baijens heeft een relatie met artdirector Ferdinand Belfor en woont in Rotterdam

Volgens jouw broer ben je het na drie jaar meestal wel zat in een baan. 

‘Zelfs als ik het nog naar mijn zin heb, vraag ik me al af: ja maar dit blíjft toch niet leuk, hoe lang houd ik dit vol?’ Maar goed, ik zit nu tweeënhalf jaar bij het Journaal en zit er écht nog steeds goed.’

Hij begon al in 2001 met werken voor de NOS, maar beleefde pas dit jaar zijn echte doorbraak bij een breed publiek. Recensenten schreven ineens over die frisse, hippe Baijens die ‘met opvallend gemak’ grote live-uitzendingen draagt, zoals de uitslagenavond bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart, en de daaropvolgende Europese parlementsverkiezingen. En door ziekte van anchor Rob Trip presenteerde hij de afgelopen maanden bovendien om en om met Annechien Steenhuizen het Achtuurjournaal.

Het was allemaal begonnen dankzij een stage bij actualiteitenprogramma Nova (het huidige Nieuwsuur), waar zijn talent werd herkend en hij mocht blijven, als redacteur gekoppeld aan jonge verslaggever Art Rooijakkers. Toenmalig adjunct-hoofdredacteur Peter Kloosterhuis: ‘Er kon geen dag voorbijgaan of die twee kwamen met een nieuwtje. Ze beten zich overal in vast.’

Na twee jaar wordt Rooijakkers verslaggever bij Expeditie Robinson, Baijens blijft bij de NOS en wordt eerst verslaggever, later presentator van het Jeugdjournaal. In 2007 volgt het snappy nieuwsbulletin NOS Journaal op 3 en 3FM op de radio – niet lang daarna zegt Baijens ineens zijn vaste dienstverband op en wordt freelancer.

Nu: ‘Ik vond dat traject veel te voorspelbaar. Nova, Jeugdjournaal, NOS op 3; ik kwam steeds dichter bij het Grote Mensen Journaal en toen ben ik bewust weggegaan. Je hele leven in hetzelfde gebouw met dezelfde mensen, daar groei je niet van, dacht ik.’

Beeld Anne Claire de Breij

In een interview uit die tijd zei je: ‘Iedereen riep: je bent gek dat je dit opgeeft. Een goed salaris, een leaseauto en als je nog vijftien jaar blijft mag je het Achtuurjournaal doen. Maar ik wíl dat journaal helemaal niet presenteren. Mijn kracht ligt niet in foutloos teksten lezen, maar juist bij een betrokken gesprek.’ 

Achteroverleunend in een designstoel: ‘Godsamme ja, zo dacht ik er toen over. Nou, lekker verhaal.’

In een ander interview zei je dat je allergisch was voor de roosters bij de NOS, waardoor je al in het voorjaar moest beslissen wat je in de kerstvakantie wilde doen.

 ‘Die vastigheid is nog steeds wat ik niet per se het meest aantrekkelijk vind, maar ik neem het nu voor lief. Ik ben acht jaar freelancer geweest, compleet met ’s nachts zwetend wakker liggen en jezelf afvragen: ‘Wat ben ik in hemelsnaam aan het doen, kán ik dit wel?’ Ik kon al iets, dus waarom moet je dan zo nodig ook nog iets anders proberen? Achteraf gezien is die fase heel belangrijk voor me geweest. Mijn zelfvertrouwen is er enorm door gegroeid.’

In welk opzicht? 

‘Nog steeds vind ik het best vaak niet goed wat ik doe. In mijn hoofd maak ik daar voortdurend aantekeningen van. Maar om in interviews een goede gesprekspartner te kunnen zijn, moet je eerst meer van jezelf gaan houden.

‘Toen ik net als freelancer begon, maakte ik een programma op Radio 6, waarvoor ik twee uur lang met mensen sprak, bij mij thuis. Kwam Candy Dulfer in haar tijgerprintje mijn piepkleine woonkamer binnen. Of Henk Schiffmacher. Dóódeng vond ik het. Maar langzaamaan bouwde ik aan mijn zelfvertrouwen. Waardoor ik inmiddels weet dat ik mezelf altijd wel zal redden, ook als de NOS om welke reden dan ook met mij zou stoppen.’

Na tien jaar zzp’er zijn, keerde je er terug.

 ‘Ik weet nog goed dat ik af wilde van de journalistieke levensopvatting, die vaak een licht-cynische inslag had. Ik was nog vrij jong toen ik voor Nova  en het Jeugdjournaal verslag deed van vrij heftige gebeurtenissen. Ik hield jarenlang contact met de families die het zwaarst getroffen waren door de vuurwerkramp in Enschede, bezocht een school in Beslan die doelwit was geweest van een gijzelingsactie en waar alles onder het bloed zat, versloeg de Concorde-ramp. Als journalist blijf je daar met afstand naar kijken, maar ik vond niet dat je als twintiger al zo eeltig door het leven moest gaan.

‘Mijn toenmalige vriend was muzikant en leefde in zo’n andere wereld. Vol emotie, passie, en gericht op een specialisme. Ik was verliefd op hem, maar werd dat ook op zijn leven.

‘Toch kreeg ik uiteindelijk weer kriebels voor de journalistiek. Met tranen in mijn ogen keek ik naar de serie Newsroom, terwijl dat helemaal geen emotionele serie is! Maar het raakte me: zo’n avond met een grote nieuwsgebeurtenis, waar jij een rol in speelt, al is die bescheiden – ik miste dat ineens heel erg.’

Jouw toenmalige vriend was de muziekartiest Wouter Hamel, met wie je tien jaar samen bent geweest. Al snel werd jij zijn manager. 

‘Het begon met filmpjes maken en hem helpen met zijn mails. Maar zijn carrière ging zo hard, dat we ineens samen tegenover een leger advocaten in Engeland zaten te onderhandelen over megacontracten, terwijl we allebei totaal niet wisten waar we mee bezig waren. Op een gegeven moment ontwikkel je een soort dopamine-verslaving: elke dag was er wel een succes te vieren. Zie daar maar eens mee om te gaan als die interesse weer afneemt.’

Baijens groeide op in Zeeuws-Vlaanderen. Ouders Frans en Jopie waren leraar, het dorp Philippine telde tweeduizend inwoners; toeristisch hoogtepunt is het monument van een druipende mossel. Winfried ging naar school in Terneuzen, thuis was het vooral veel buitenspelen en de vakanties werden gevierd op een Franse camping.

Beeld Anne Claire de Breij

Jij was een extreem verlegen kind, zegt jouw vier jaar oudere broer Jan-Willem, ‘echt achter moeders rokken’.

 ‘Mijn broer en ik zaten op dezelfde lagere school en hij is een keer uit de klas geroepen omdat ik als kleuter niet op mijn stoel durfde te gaan zitten. Uit angst te veel ruimte in te nemen. En op schoolfoto’s stond ik weggedoken achter zijn schouder. Later heb ik daar regelmatig met Typhoon over gesproken, toen we samen een radioprogramma maakten. Hoe het kan dat introverte mensen zoals hij en ik werk hebben in de spotlights. Waarom zoek je nou precies datgene op wat je ergens diep haat?’

Nou? 

‘Het zal misschien met compensatiedrang te maken hebben. Ik ben altijd een buitenstaander geweest. Journalistiek gezien is dat niet verkeerd, maar op een feestje of tussen onbekenden ben ik ongelooflijk onhandig. Vroeger al, op die campings in Frankrijk. Alle kinderen waren bezig vrienden te maken. Dat lukte mij sowieso niet. Volgens mijn broer leek ik op een hond die met z’n tong uit de bek van een afstandje hijgend zit toe te kijken. Zo van: ik zou daar héél graag bij horen, maar het lukt me niet. En dat de hele zomer lang. Op school hoorde ik bij een groepje enorme nerds. Ik was zelf ook zo’n nerd. Ik denk dat mensen mij nog steeds afstandelijk en moeilijk benaderbaar vinden. Terwijl het bij mij echt onkunde is, geen onwil.’

Ik vind juist dat je overkomt als iemand die zich sociaal heel makkelijk beweegt. 

‘Dat is dus niet zo. Vijf jaar geleden had ik een programma-idee, waarvoor ik afsprak met Wilfried de Jong. Ik keek enorm op tegen Wilfried, dus ik zat als een rillend tienermeisje op hem te wachten. ‘Straks komt-ie, zit mijn haar wel goed? Durf ik wel iets tegen hem te zeggen?’ Daten; ook zoiets wat ik niet kan. Flirten, geen idee hoe dat moet. Ik mis de basis sociale vaardigheden.’

Voor iemand die niet kan flirten heb je best veel relaties gehad.

 ‘Ja, maar het ging altijd via via. Mijn huidige vriend Ferdinand ken ik ook uit onze vriendengroep. Ik heb bijvoorbeeld nooit op een datingapp gezeten. Één keer had ik een date, als 21-jarige, in zo’n Italiaans restaurant met knoflook aan de plafonds. Dat je meteen weet dat het niets wordt, maar toch de hele avond blijft zitten. Uit een soort plichtsbesef, en omdat ik vond: ‘Kom op, je bent net uit de kast, dan moet je toch daten?’ Ik weet twintig jaar later nóg hoe die jongen rook, zoveel indruk maakt dat dan op mij.’

We gaan weg uit het pas geverfde huis – onrúst – de hoek om, naar een café aan de Rotterdamse Nieuwe Binnenweg. Na acht jaar Amsterdam koos hij voor Rotterdam, waar hij het ‘opener, spannender, minder een eenheidsworst’ vindt. ‘In Amsterdam keek ik de hele dag naar reflecties van mezelf. Ik woonde er in een soort getto, tussen alleen maar media-gays en witte mensen met veel geld. Het leuke aan Rotterdam is dat niet iedereen hier even rijk is. Waardoor mijn buurtje een soort microkosmos is. Alles leeft door elkaar heen.’

Hij bestelt een uitsmijter ham-kaas, alles meegebakken. Vertelt dat hij vroeger tijdens het presenteren van het Jeugdjournaal weleens aan de huishoudelijke klussen die op hem wachtten stond te denken, of aan de woordenwisseling met zijn vriendje. ‘Terwijl dat een liveprogramma was. Concentratie is mijn grootste zwakte, al word ik er steeds beter in. Bij het Achtuurjournaal heb je houvast aan een rotsvast format. Daar is mijn motto vooral, indachtig RuPaul: Good luck and DON’T fuck it up.’

Ben je in de liefde net zo onrustig? Je was ook lang samen met programmamaker Tim den Besten, maar dat hield geen stand. 

‘Dat dat stukliep, hakte er flink in. Mijn onrust speelde vaak een rol in het mislukken van een relatie. Het is daardoor weliswaar vaak heel leuk, nooit saai, maar er was ook te weinig rust. Ik vond bovendien dat je álles van elkaar moest weten. Dus dan ging ik in de donkere kanten van die ander zitten wroeten. Terwijl je daarmee juist de glans eraf trekt. Ferdinand is tien jaar jonger dan ik en hij verbaast me elke dag, maar maakt me ook rustig. Wij hebben nooit ruzie. Vroeger vond ik dat een teken van een gebrek aan passie, nu kom ik erachter wat een onzin dat is.’

‘Alle homo’s zijn opgegroeid met een kwartje zelfhaat.’ Beeld Anne Claire de Breij

In 2012 twitterde jij dat je je had uitgeschreven als passief lid van de rooms-katholieke kerk, omdat je de anti-homohouding van de kerk zat was. Op zich zou iemands geaardheid geen onderwerp meer moeten zijn, maar jij vindt het best belangrijk om je daarover uit te spreken, toch? 

‘Daar ben ik van mening in veranderd, ja. Toen ik rond mijn 20ste bij de televisie begon, vond ik het juist van emancipatie getuigen om er níet over te praten. Omdat het niet bijzonder zou moeten zijn. Ik zag de Gay Pride toen als een evenement waarmee homo’s zich wegzetten van de samenleving. Inmiddels weet ik dat dat een grote misvatting is. Daarmee vergeet je namelijk de mensen die geen veilige omgeving hebben om zichzelf in te kunnen zijn. Je moet extremen juist omarmen; die zorgen ervoor dat er een veilig midden ontstaat voor iedereen. Het gaat er niet om dat je iemand oké vindt omdat hij op jou lijkt, het gaat erom dat je iemand accepteert zoals hij is.’

Hij had vroeger vriendinnetjes, naar jongens kijken deed hij vooral om zich fysiek te vergelijken, dacht hij. ‘Zo van: goh, die heeft meer spieren dan ik. Terwijl ik ze natuurlijk gewoon seksueel aantrekkelijk vond. Maar je zet het voor jezelf altijd weg als iets anders. Bij ons thuis ging het weleens over meester Theo, the only gay in the village. Mijn ouders spraken altijd heel liefdevol over hem, misschien wel met opzet, om het mij gemakkelijker te maken. Maar ik had mezelf nog niet gevonden. Liep als puber urenlang met de hond door de polder, huilend, met grunge-muziek op. Het leven kon zo donker zijn in Zeeuws-Vlaanderen. En ik bleef maar denken: ‘Als ik maar eenmaal 20 ben, dán wordt mijn leven leuk.’

Op je 19de verjaardag vertelde je aan je ouders, broer en schoonzus dat je op mannen valt. 

‘Ik had ze allemaal op een rijtje gezet, naast elkaar op de bank. Zelf stond ik voor de open haard, die bloedheet werd. Toen ik het vertelde, zag ik schrik in hun ogen, waarna ik de deur uit rende.’

Jouw broer vertelde dat zij jouw boodschap in liefde ontvingen, maar dat jij toen riep: ‘Ik heb ook recht op mijn trauma’s!’ ‘Hij wilde ook een uit-de-kasttrauma hebben’, zei Jan-Willem. 

My God, wat een drama queen. Eerlijk gezegd herinner ik me dat niet. Ik zag juist vooral dat ze schrokken, al was dat uit bezorgdheid; ze wilden niet dat anderen mij pijn zouden doen.’

En toen stond je daar, buiten. 

‘Ook nog in de regen. Mijn vader kwam me achternagerend, hij huilen, ik huilen, het perfecte script voor zo’n coming out-film. Hij hield me vast, dat deed me heel veel. Op de een of andere manier is hoe je vader reageert toch het meest spannend.’

Waarom? 

‘In een vader-zoonrelatie ligt vaak het gevoel besloten dat jij als zoon óók een man moet zijn. En als tiener denk je toch snel dat homo-zijn niet per se mannelijk is. Waardoor de acceptatie door je vader nog belangrijker wordt.’

Als de uitsmijter wordt geserveerd: ‘Ik heb altijd gezegd dat het bij mij nooit een rol heeft gespeeld dat ik in de kast zat, omdat ik het in mijn jeugd leuk had met meisjes, maar de laatste jaren realiseer ik me dat het toch veel met je doet. Alle homo’s zijn opgegroeid met een kwartje zelfhaat. Je bent altijd op je hoede, omdat er een norm is waar jij niet helemaal aan voldoet.’

Noem eens een voorbeeld? 

‘Ik heb er laatst nog een paar mannen van de redactie op aangesproken: let nou eens op wat je zegt. Toen ik als stagiair bij Nova begon, ging dat net zo; mannen onder elkaar maken al snel de bekende, seksistische kleedkamergrappen. Als je in de kroeg staat, kan dat misschien, maar in je werkomgeving moet je er beter op letten. Door die grapjes over homo’s en anale seks durfde ik bij Nova in het begin ook niet te vertellen dat ik op mannen viel. Terwijl degenen die die grapjes maakten hartstikke ruimdenkend zijn en ik nog steeds bevriend met ze ben.

Maar het denkraam dat dan ontstaat is toch dat homo’s vieze mensen zijn. Die de hele dag in de darkroom rondhangen en anale seks hebben. Waarom wordt er nooit een grap gemaakt over hetero’s die aan anale seks doen? Of massaal met z’n allen naar swingersclubs gaan?’

Na een paar happen: ‘Ik ben opgegroeid in een zeer witte, boerse omgeving. Overal waar de machocultuur dominant is, is de basis-emotie wat betreft homoseksualiteit: Nee. Of die typisch Nederlandse uitdrukking: het mág wel, zolang wij er maar niets van hoeven te zien. Dat maakt me steeds kwader. Ik loop vaak hand in hand met mijn vriendje over straat. De laatste tijd merk ik dat ik daar meer op ben gaan letten. Terwijl ik er helemaal niet op wíl letten. Omdat het normaal zou moeten zijn. Maar ik weet dat het reacties oproept. En ik wil niet meemaken dat iemand onze liefde besmet met scheldwoorden.’

De avond voor het gesprek was hij bij het concert van de Texaanse zangeres Lizzo. ‘Een schaars geklede wulpse dame die heftige hiphop-r&b maakt en voor een zaal met outcasts zoals zijzelf stond. Volle meiden, bi-raciale lesbische koppels, homo’s. Op een gegeven momenten riep ze ons op elkaar aan te kijken en te zeggen ‘I love you, you are beautiful and you can do anything!’ De hele zaal had een brok in de keel, omdat we een litteken deelden; iedereen daar kende het gevoel van afkeur, het gevoel er niet helemaal bij te horen.’

Beeld Anne Claire de Breij

Let jij, nu je presentator bent van het Achtuurjournaal, meer op wat je privé doet? Dat je bijvoorbeeld niet dronken over straat gaat, omdat een anchor onkreukbaar hoort te zijn? 

‘Als je bij de NOS opgroeit, houd je je persoonlijk leven heel erg gescheiden van je werk. Maar ik ben er tien jaar tussenuit geweest; dan kun je het niet meer wegstoppen. Dat gesprek heb ik ook gevoerd toen ik terugkeerde: ik ben niet meer dezelfde persoon als toen.

Natuurlijk loop ik weleens dronken door de stad. Maar je ziet het niet erg aan mij en ik eindig niet ergens in een greppel, of zo. Het neutrale streven is belangrijk in de journalistiek, maar tegenwoordig is laten zien wie je bent en waar je vandaan komt ook goed. Daardoor weet een kijker of luisteraar vanuit welke blik iemand z’n vragen stelt.’

Uiteindelijk was het Eva Jinek die hem het laatste zetje gaf om terug te keren bij de NOS. ‘‘Ga jij nou maar gewoon het Journaal presenteren’, zei ze. En die focus blijkt inderdaad goed voor me te zijn. Dit is nu mijn opdracht, maak er maar het beste van.’

Benjamin Herman zei dat je ambitieus bent, ‘maar gelukkig niet ellebogen-ambitieus’. 

‘Ik krijg liever een klus door fair play, ja. Ik ben niet het type dat gaat netwerken. Ik houd ook erg van onderlinge vrede. Art Rooijakkers zei ooit tegen mij dat ik een allemansvriend was. In de leeuwenkuil die de Nova-redactie was, hadden allerlei groepen ruzie met elkaar. Maar ik kon het met iedereen prima vinden. Hij legde dat toen uit als een zwakke karaktertrek, pas veel later ben ik gaan inzien dat dat niet waar is. Ik heb inderdaad geen zin in ruzie, maar ik geloof dat je je doelen ook kunt bereiken zonder als haantje-de-voorste je rol op te eisen. Als je goed bent, kom je er wel, al duurt het misschien iets langer.’

Jouw toenmalige baas Peter Kloosterhuis, met wie je nog werkt voor NOS Evenementen, vroeg jou een aantal jaar geleden: ‘Wat wil je nou eigenlijk, Winfried? Welk profiel heb je? Of blijf je een niet te plaatsen presentator?’ 

‘Dat hoorde ik vaker, een recensent schreef het onlangs ook: ‘Ik weet niet precies waar die jongen ineens vandaan komt.’ Ik deed het nieuws, maar ook muziek en radio. Tja. Inmiddels is dat duidelijker: ik ben die jongen van het Journaal. Maar wat dat nou precies oplevert, weet ik niet. Word ik er gelukkiger van?’

In oude interviews heb je regelmatig gezegd dat je best Jeroen Pauw zou willen opvolgen. 

‘Dat is echt alleen maar omdat die vraag altijd wordt gesteld. En er in televisieland wordt gedaan alsof het van gebrek aan ambitie getuigt als je níet zegt dat je ooit wel De Wereld Draait Door wilt presenteren. Terwijl er juist veel te betekenen is in wat ik nu doe. De vraag die momenteel speelt is hoe we met het Journaal de toekomst ingaan. In een tijd waarin de waarheid enorm onder druk staat, nepnieuws aan de orde van de dag is. Dat vind ik eigenlijk veel interessanter dan nóg een talkshow erbij.’

Dus dit keer niet na drie jaar op zoek naar iets anders? 

‘Nee. En als het huis af is, gaan we daar voorlopig ook niet weg. Ik heb mijn vrienden moeten beloven dat ik nou eindelijk eens wat langer op één plek blijf.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden