Wat zijn dit voor vragen?De keuzen van Hans Kesting

Hans Kesting: ‘Toen ik acteur wilde worden zei mijn vader: Hans, je moet je niks verbeelden’

Hans Kesting Beeld Frank Ruiter

Hans Kesting (59) gaat na een lange pauze eindelijk weer het toneel op met theatermonoloog Wie heeft mijn vader vermoord. Én hij werd onderscheiden met een lintje. De Volkskrant schotelt hem elf dilemma’s voor.

Een lintje of de Albert van Dalsumring?

‘Ja, dat lintje is wel bijzonder hoor. Ik ben nu Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. En ik heb er niks voor hoeven doen! Het is aangevraagd door mijn vrienden Merel Laseur en Pieter Kottman, en zij hebben vijf mensen gevraagd een aanbevelingsbrief te schrijven, onder wie Ivo van Hove en Paul de Leeuw. Dat is het mooiste eraan, dat al die mensen vinden dat ik dit verdien en de moeite hebben genomen dat op te schrijven. Dat is een ongelofelijke aai over je bol.

‘Maar als het gaat om het belang van de onderscheiding geef ik toch de voorkeur aan de Albert van Dalsumring. Omdat dat een prijs is die van acteur naar acteur gaat. Ik was erbij toen Pierre Bokma hem kreeg van Peter Oosthoek – en dat was een legendarisch moment. Later was ik opeens zelf middelpunt van zo’n historisch moment, toen Gijs Scholten van Aschat hem in 2015 aan mij gaf. Ik had werkelijk nooit gedacht dat dat ooit op mijn pad zou komen.

‘Het is wel een nerveus makend bezit, 18-karaats goud met diamanten. Ik draag hem nooit, want ik ben altijd bang dat-ie gestolen wordt.’

Pierre Bokma of Gijs Scholten van Aschat?

‘Nee, kom op, dat is zo’n onzinvraag. Daar kan ik toch niet tussen kiezen.’ 

Wel of geen interviews?

‘Omdat ik niet voor Volkskrant Magazine geïnterviewd wilde worden? Ik wil op zich best interviews doen – hier zitten we toch? – maar liever niet uitgebreid over mijn privéleven. Dat hoeft van mij niet meer zo. Ik heb ooit, in de jaren negentig, een keer een groot interview gehad in Vrij Nederland. Daar stond vrij veel persoonlijks in. Het ging over het feit dat ik toen net seropositief was, dat mijn tv-carrière was mislukt, over mijn terugkeer naar het toneel en mijn succes daarin. Toen heb ik eigenlijk wel alles verteld, dat verhaal ken ik nou wel. Maar een gesprek over mijn werk: graag.’

Toneel of film en tv?

‘Jezus, dat is ook een vraag met een baard zeg. Maar het is heel simpel, in mijn geval. Die tv-carrière mislukte, daar hoeven we het echt niet meer over te hebben, en mijn terugkeer naar Toneelgroep Amsterdam, waar ik in 2003 de titelrol speelde in Othello, maakte het voor mij voor altijd duidelijk: dit kan ik, en hier ga ik in investeren. Bij het toneel heb ik kansen gekregen, die heb ik waargemaakt, hier ben ik iemand geworden. Dus: toneel of film? Vroeger zou ik misschien gezegd hebben: allebei. Maar nu zeg ik: toneel. Punt.’

De rol van de zwarte generaal Othello spelen met of zonder donkere schmink?

‘Ik was maar heel licht geschminkt, een soort lichtbruine waas was het, niet zoals Ko van Dijk of Laurence Olivier in die rol. Ik vond toen dat het wel kon, want het diende die rol. Maar op zeker moment zijn we gestopt met de schmink omdat het gevoelig kwam te liggen. Dat begrijp ik, maar ik vind het ook jammer, omdat het acteurs in hun expressiemogelijkheden beperkt. Als het nodig is voor een rol, vind ik dat zoiets moet kunnen. Maar ik bleek Othello ook heel goed zónder schmink te kunnen spelen. 

‘Hetzelfde dubbele gevoel heb ik bij de opvatting dat alleen zwarte acteurs Othello zouden mogen spelen. Aan de ene kant snap ik dat: er is nu een groep acteurs van kleur die zeggen: dat zijn ónze rollen. En zolang de kansen niet eerlijk zijn verdeeld moet je misschien ook wel zo redeneren. Tegelijk vind ik dat een acteur alles zou moeten kunnen spelen. Anders had ik ook nooit Roy Cohn in Angels in America kunnen zijn, want ik ben geen kleine Joodse man. Dus ik vind die opvatting óók een verarming.’

Het universum van schrijver Édouard Louis van Qui a tué mon père, het boek waarop je theatermonoloog is gebaseerd, is een arm, hard arbeidersmilieu. Is dat herkenbaar of ver van je bed?

‘Nee, dat herken ik wel. Ik ben niet opgegroeid in zulke armoede, maar ik kom wel uit een heel eenvoudig Rotterdams gezin; mijn vader was automatiseerder en mijn moeder huisvrouw. Mijn vader maakte lange dagen en wilde van ons hooguit weten hoe het op school ging.

‘Als ik tegen hem zei: ‘Ik word acteur’, dan zei hij: ‘Hans, je moet je niks verbeelden, jij bent een heel gewone, Rotterdamse jongen.’ Niet om onaardig te zijn, maar vanuit een soort nuchterheid. Hij vond dat overdreven. Toen ik eenmaal op de toneelschool zat was hij trouwens wel apetrots.

‘Hij heeft een hele stapel plakboeken gemaakt, een stuk of negen, met knipsels van alles wat ooit over me is geschreven. Othello in 2003 zit er nog in. Na zijn overlijden in 2005 bleek dat hij nog een hele stapel nieuwe albums klaar had liggen, allemaal nog in het cellofaan.’

Was er bij jullie thuis ook sprake van homofobie, zoals in het boek, of was er meer acceptatie? 

‘Ik was geen meisjesachtig jongetje, zoals de hoofdpersoon in dit boek. Maar ik wist wel: ik ben blijkbaar anders, want ik zie om me heen geen voorbeelden van mannen die samen zijn. En als ze er waren, werden ze belachelijk gemaakt. Op elke verjaardag was er wel een oom met een paar flauwe homomoppen.

‘Dus ik heb er belachelijk lang over gedaan om het thuis te vertellen. Ik wist denk ik op mijn 9de wel dat ik vaker naar jongens keek, maar ik heb het pas aan mijn ouders verteld toen ik 22 was. Daar heb ik me slecht over gevoeld, je loopt toch rond met een groot geheim.

‘Ik denk dat ik bang was om ze teleur te stellen. Terwijl, toen ik het eenmaal verteld had, eindelijk, was die bocht in één avond genomen.’

Rotterdams straatschoffie of Amsterdamse culturele elite?

‘Ergens blijf ik toch een Rotterdams straatschoffie. Ik zal mezelf in elk geval nooit beschouwen als onderdeel van de culturele elite. Hoewel dat misschien wel zo is, als meermaals onderscheiden acteur bij Internationaal Theater Amsterdam. Maar zo zie ik mezelf niet. Misschien ben ik daarvoor wel te Rotterdams. Gewoon, nuchter.

‘Ik herinner me nog als de dag van gisteren mijn eerste serieuze productie, ik zat nog op de toneelschool. Die voorstelling was een enorme mislukking. En ik weet nog, een avond in theater Bellevue, dat ik mijn laatste zin zei: ‘Nou, dan ga ik maar naar huis’, en dat een toeschouwer terugriep: ‘Daar zou je ons allemaal een groot plezier mee doen.’

‘Dus die eerste jaren als acteur waren zeker niet de meest glorieuze, haha. Als je me toen had gezegd dat ik ooit een lintje zou krijgen had ik dat nooit geloofd.’

Je gevoelens uitspreken of binnenhouden?

‘Onze voorstelling Wie heeft mijn vader vermoord gaat volgens mij over het onvermogen van een vader om ‘ik hou van je’ te zeggen tegen zijn zoon. En dat herken ik wel.

‘Bij ons thuis werd niet over gevoelens gepraat. Mijn vader heb ik één keer in zijn leven zien huilen. Dat was verschrikkelijk, alsof voor je ogen een gebouw instort. En mijn moeder joeg me als ze kwaad was gewoon met een mattenklopper door het huis.

‘We stonden een keer op een camping in Brabant, met zo’n washok voor mannen waar iedereen zich ’s ochtends ging wassen. Ik was daar met mijn vader en toen ik wegging gaf ik hem een zoen, van: tot zo! Daar schrok hij van: Hans, doe niet zo gek, je gaat me toch niet zoenen waar anderen bij zijn! Daar was hij heel verlegen over. Dat deed je niet. Maar ik had heel liefhebbende ouders hoor, dat wel. Ik heb altijd geweten dat ze van me hielden.’

Stoer of kwetsbaar?

‘Kwetsbaar, dan toch. Ik ben een grote man natuurlijk, en ik speel vaak tirannen of booswichten, maar ik zoek bij personages als Roy Cohn of Richard III juist ook altijd de gevoelige kant op. Omdat ik behalve groot ook sterk ben, ziet het er snel stoer uit, denk ik, maar daar ben ik me niet zo van bewust. Het personage in Wie heeft mijn vader vermoord is qua kwetsbaarheid voor mij wel weer een nieuwe stap. Omdat de verteller deels kind is, en ook nog eens een heel zachtaardig, gevoelig kind.’

Spelen voor dertig of zeshonderd man?

‘Een publiek van dertig heel gemotiveerde mensen in de zaal is geweldig. Je kan ook zeshonderd verveelde of sceptische toeschouwers hebben. En ik heb zelf ook weleens avonden gehad dat ik geen zin had om te spelen. Omdat ik altijd speel, snap je? Maar nu! Nu mocht het niet, bijna drie maanden lang. Ik wil echt dolgraag weer. 

‘En het publiek zal ook heel veel zin hebben om er te zitten. Dus hoe die voorstelling straks ook uitpakt: iedereen is ontzettend blij dat die zaal weer opengaat. En ik vind het heel erg leuk dat ik de eerste ben die er weer mag spelen.’

Wie heeft mijn vader vermoord is vanaf maandag 1 juni te zien in Internationaal Theater Amsterdam. 

Hans Kesting

1960 Geboren in Rotterdam

1986 Studeert af aan Toneelacademie Maastricht

1987 Treedt toe tot ensemble Toneelgroep Amsterdam

1989-heden Diverse rollen in films en tv-series als Vincent & Theo, Wiplala, Sprakeloos, Ares en Hoogvliegers

2000-2002 Verlaat Toneelgroep Amsterdam voor zijn tv-carrière, onder meer Laat de Leeuw en Oude jongens, met Paul de Leeuw

2003 Keert terug bij Toneelgroep Amsterdam, titelrol Othello

2008 Speelt Roy Cohn in Angels in America, wint Louis d’Or

2015 Ontvangt Albert van Dalsumring, een ereprijs die van acteur op acteur wordt doorgegeven

2016 Kings of War, opnieuw bekroond met Louis d’Or voor zijn rol als Richard III

2020 Koninklijke onderscheiding, solo Wie heeft mijn vader vermoord

Hans Kesting is getrouwd en woont in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden