ColumnEva Hoeke

Hangjongeren corrigeren? Zó burgerlijk waren we nu ook weer niet

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Toen ze terugkeerden schemerde het al. ‘Kijk!’ wees die van 5 opgewonden vanaf de keukentafel. ‘Er lopen mensen op het dak!’

Het was zo. Op het dak van de oefenruimte achter ons huis, de plek waar Brassband Eensgezindheid ’s avonds zijn repertoire in goede banen blaast, liepen inderdaad mensen. Ze droegen zwarte petjes onder zwarte hoodies en dronken blikjes Redbull dus ze stonden er niet om het dak te repareren. Die middag had ik ze ook al gezien toen ik de was ophing in de tuin. Zij mij ook, ik had nog hoi gezegd, maar dat had verder geen indruk gemaakt. ‘Ik zie het,’ zei ik terwijl ik een vork sperziebonen naar binnen duwde. ‘Die zijn daar aan het hangen.’

‘Mag ik ook?’ vroeg de Dochter.

De Man keek nu ook naar buiten. ‘Moeten we daar niet wat van zeggen?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Wat wil je zeggen dan? Kom van dat dak af?’

We waren het erover eens: we waren dan misschien oud geworden, het beeld dat we als een soort Buurman Bolderbast hangjongeren gingen corrigeren was dan toch een brug te ver, zó burgerlijk waren we nou ook weer niet. Bovendien, waar moesten ze anders naar toe nu het leven zo karig was geworden? Hun positie was niet te benijden, we waren zelf ook jong geweest en als het uit de hand liep konden we alsnog ingrijpen.

Na het eten kieperde ik net de aardappelschillen in een pan toen ik vanuit mijn ooghoek zag hoe er weer iemand het dak opklom, en ik zag nu ook hóé diegene daar kwam: via onze schuur. Nu begon er toch wat te knagen. Zo’n dak was natuurlijk niet bedoeld om op te lopen. Straks kregen we lekkage en konden wíj betalen, want je kon de schade moeilijk op hen verhalen. Zo cool als ik kon liep ik naar buiten, voor zover dat gaat wanneer je op weg bent naar de biobak, maar: hee, niemand meer te zien. Opgelucht liep ik naar binnen, zo, dat probleem had zich vanzelf opgelost.

Nee, natuurlijk niet.

Want de dag erna waren ze er weer, en de dag erna wéér, een stuk of vijf dit keer, er zat nu ook een meisje bij, ze had een ontbloot middenrif en vond alles ‘kankergrappig’. Ik niet meer – hádden we eindelijk een tuin met een schutting, keken we alsnog elke keer recht in de snuit van een ander. En daarmee naar onszelf, want ik werd me ineens bewust van hoe ik met de iPad schudt wanneer het beeld op zijn kop staat, hoe vaak ik mijn maillot omhoog sjor, hoe ik klink als ik zegt: nee, éérst handen wassen. De Man kwam er al niet veel beter vanaf, want die wil nog weleens in zijn onderbroek beneden komen, op zoek naar de broek die hij er de dag ervoor heeft uitgetrokken. Daarover gesproken: hoe gingen we dat doen in de zomer, als we in blote bast in de tuin wilden zitten? Of met een baby aan de borst? Of was dat ook truttig, om te denken dat dat nu ineens niet meer zou kunnen? Toen we ’s ochtends ook nog peuken en een plastic fles in de tuin vonden wisten we genoeg: klaar. Maar wie ging dat zeggen, ik met mijn hoogbolle buik, of hij, met z’n diepe, díepe afkeer van welke vorm van autoriteit dan ook?

Gisteravond zat ik binnen de krant te lezen toen ik de Man ineens keihard ‘Hee’ hoorde roepen, gevolgd door een onverstaanbaar gesprek en drie gozertjes die even later in het halfduister afdropen. Of ze weg blíjven moet nog blijken, maar ik ben alvast tevreden. Je bekijkt zo’n Man toch weer even met andere ogen, hè?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden