Zin van het leven Dom Bernardus Peeters Abt

‘God valt niet te bewijzen. Hij is er of hij is er niet’

Broeder Bernardus. Beeld Jitske Schols

Broeder Bernardus zou mogelijk nog hardcore Roda JC-fan zijn geweest als God zich niet zo vroeg had gemeld. Waarom won God?, wil Fokke Obbema weten.

Als puber bezorgde broeder Bernardus, de 51-jarige abt van het klooster Koningshoeven in Berkel-Enschot, zijn ouders moeilijke tijden. Locatie: Simpelveld, een katholiek dorp in de buurt van Heerlen. De tijd: de jaren tachtig, toen na de mijnsluitingen de Zuid-Limburgse werkloosheid hoog was en drugsgebruik gangbaar: ‘Heerlen en Kerkrade waren echte drugssteden. Mijn ouders waren bang dat ik daarmee in aanraking zou komen’.

Zijn vader was directeur van een steenfabriek, zijn moeder onderwijzer. In de opvolging van zijn vader had Pascal Peeters, zoals hij toen nog heette, geen zin. Zijn grote liefdes waren klarinet spelen in de harmonie (‘Simpelveld had een van de beste orkesten van Zuid-Limburg’), de harde kern van voetbalclub Roda JC en God. Tussen die laatste twee bestond spanning.

Op zondag ging de 16-jarige Pascal naar de ochtendmis, dan naar de harmonie, waarna hij met zijn maten en een Roda-vlag optrok naar het stadion. ‘Op de tribunes verhandelden oudere jongens openlijk drugs. Af en toe werd alles kort en klein geslagen. Dat vonden wij wel spannend.’ Maar ’s avonds zat hij in Simpelveld bij zijn tweede mis van de dag. ‘Peeters moet weer naar de kerk’, smaalden zijn vrienden. Na ‘het lawaai en de rauwheid’ van de tribunes ervoer hij ‘stilte en warmte’ – tegenover ‘het kwaad, als je het zo wilt noemen’ stond het ‘gevoel van thuiskomen’.

In 1986, amper 18 jaar, koos hij voor een bestaan als monnik, onder invloed van ‘een godservaring’. Terwijl zijn vrienden gingen werken en vriendinnetjes kregen, omarmde hij het celibataire kloosterleven. Daarmee stond hij dwars op de tijdgeest, gekenmerkt door ontkerkelijking. Dominant in die dagen was een negatieve kijk op religie, als achterlijk of in ieder geval achterhaald.

Ruim dertig jaar later bekleedt Bernardus behalve de functie van abt van het nabij Tilburg gelegen Koningshoeven (21 monniken) ook die van voorzitter van de Konferentie Nederlandse Religieuzen. In de afgelopen tien jaar is het aantal broeders en zusters gehalveerd tot circa vierduizend. In 2030 zijn er, gezien de gemiddelde leeftijd, ‘nog maar vijfhonderd tot achthonderd’ over. Bovendien speelt in de katholieke kerk al tien jaar het ‘hoofdpijndossier’ van het seksueel misbruik, waardoor er sprake is van een ‘moreel faillissement’, zo erkent Bernardus. Toch ziet hij ook lichtpuntjes. Dit jaar verwacht hij meer dan 3.500 bezoekers voor de gastenverblijven van ­Koningshoeven. Die komen voor stilte en bezinning. ‘De gedachte was dat de ­religieuze honger met de ontkerkelijking geheel zou verdwijnen. Dat is dus niet zo. Die hoort ten diepste bij de mens.’

Wat is de zin van ons leven?

‘Voor mijn gevoel wordt ons met het ­leven vooral ruimte geboden, vrijheid. Het is aan ons te ontdekken dat we die hebben en dat we daarmee aan de slag mogen gaan, dat geeft zin aan het leven. Dat is dus nog helemaal los van religie. Voor mij speelt in die ruimte de relatie met het goddelijke de hoofdrol. Ik zie dit leven niet als een vervelende tussenruimte waarin je van God weg bent, waarna het na de dood allemaal goed komt. Dat is de opvatting van sommige gelovigen, maar dat is voor mij niet de christelijke opvatting van het leven. Nee, God geeft mij die ruimte nú. Daarin wil ik de eenheid met God beleven.’

Dient dat nog een hoger doel?

‘Voor mij is dat het hoogste geluk, het dient een gelukkig leven. Dat is toch iets waarvan we allemaal hopen dat we het mogen ervaren. Helaas hebben veel ­gelovigen moeite met dat woord, ze denken dat ze eigenlijk niet gelukkig mogen zijn en dat geluk pas na de dood aan de orde is. Maar voor Benedictus (480-547, grondlegger van de benedictijnse kloosterorde, red.) was dat juist het beginpunt van het kloosterleven: op een goede ­manier gelukkig zijn.’

Wat moet ik me voorstellen bij de eenheid van mens en God?

‘Dat is iets wat je eigenlijk alleen kunt ervaren. Voor mij is God nooit een man op een wolkje met een lange baard geweest. Mijn godsbeeld is bepaald door letters, die ik als piepjonge misdienaar zag staan op de koorkap van de priester: Deus Caritas Est, God is liefde. Daar gaat het mij nog altijd om, dat gevoel van aanwezigheid van liefde. Toen ik 10 jaar was, op 8 december 1978, had ik mijn eerste godservaring. In de kapel werd ik tijdens het gebed overvallen door het gevoel dat ik werd opgenomen in iets zo groots dat het me een enorm vredig en vreugdevol gevoel gaf. Maar het had ook iets angstaanjagends, want wat gebeurde er? Het was alsof er geen enkele afstand, geen enkele grens meer was tot alles om me heen – de mensen, het gebouw, de natuur. Alsof er geen ‘ik’ meer was, een soort samensmelting van alles. Die eenheidservaring maakte dat God me als een magneet aantrok. Ik moest wel monnik worden, ook al probeerde ik weg te komen.’

Heeft die godservaring zich herhaald?

‘Een enkele keer. De laatste keer was in 1990, toen veel jonge monniken uit onze gemeenschap traden. Ook ik stond als 23-jarige op het punt mijn koffer te pakken, tot ik hier in onze kerk zo’n identieke ervaring had. Toen besefte ik ten diepste: ‘Dit is mijn plek, hier hoor ik thuis.’ Op die ervaringen kan ik in tijden van moeilijkheden nog steeds terugvallen.’

Zijn ze met verliefdheid te vergelijken?

‘Daar komt het wel het dichtste bij. Ze duren ook niet eeuwig, net als een verliefdheid. Die groeit uit tot een liefde met zijn ups en downs. Er zijn altijd tijden waarin het niet lukt de liefde te ervaren. Dan vraag je je af waarvoor je het ­eigenlijk doet en ziet het gras bij de buren er groener uit. Net als bij iedere relatie heb je dan middelen nodig om terug op dat liefdesspoor te komen.’

Welke middelen zijn dat?

‘Contemplatie en gebed helpen je weer op dat spoor van die liefdesrelatie te ­komen. ’s Ochtends beginnen we met een dienst van een uur, dan zijn er nog twee diensten van een half uur en vier andere dagelijkse momenten van tien minuten. Bij het eten spreken we niet, maar leest iemand een boek voor – een roman, een wetenschappelijk werk, alles kan. Dat geeft een structuur aan de dag die aangeeft wat belangrijk in het leven is. Je zou kunnen denken: na 32 jaar weet je het wel. Maar toch is iedere keer de beleving net even anders. We leven hier ook met het natuurlijke ritme van de dag, de seizoenen. De beleving zit niet ­alleen in rituelen en gezangen, maar ook in dat ritme.’

In onze samenleving is wetenschap op de plek van religie terechtgekomen. Mensen zeggen: God? Bewijs het maar.

‘Het valt niet te bewijzen. In de theologie zijn pogingen tot empirische gods­bewijzen ondernomen, maar dat is onzin: hij is er of niet, je voelt zijn aanwezigheid of niet. Het gaat niet over ons intellect, maar over ervaring. Bij het verwoorden van wat ik ervaar, heb ik het intellect en dus ook de wetenschap nodig, zeker, maar de wetenschap maakt niet dat ik iets ervaar. Je moet altijd zoeken naar een balans tussen intellect en ervaring, maar die laatste wordt in deze tijd veel te weinig gewaardeerd.’

Natuurwetenschappers zien de zin van het leven in de overdracht van ons genenpakket.

‘Nou, dan heb ik pech. (lacht) Voortplanting zou dan de enige zin van ons leven zijn, dat is wel erg mager. Nee, ik houd het op de ruimte die je in vrijheid kunt beleven en wel zo dat volgende generaties ook kunnen leven. In die zin heeft het wel met overdracht te maken. Dan gaat het alleen niet om genen, maar om hoe je in het leven staat.

‘Toen ik abt werd, koos ik als spreuk: ‘Zoek God en leef!’ Dat komt uit het boek Amos, het uitroepteken heb ik eraan toegevoegd. Gedurende mijn leven komt dat als een echo terug – mijn zoeken in het leven zie ik als het zoeken naar waar die klinkt. Ik doe dat in deze levensvorm, omdat ik daarin de meeste ruimte vind op zoek te gaan.’

Ontzegt u zich met deze levensvorm niet veel?

‘Wanneer je je ruimte beperkt, kun je in mijn ogen datgene wat je doet beter ten volle beleven. Juist door die beperkingen kan ik al mijn aandacht schenken aan wat ik echt belangrijk vind. Gegrepen door mijn godservaring ben ik bereid andere relaties op te geven, zoals u dat bereid bent omwille van de relatie met uw vrouw. Er lopen tenslotte miljoenen anderen op de wereld rond, waarom juist die ene? Dat valt nooit helemaal uit te leggen. Zo is het ook met mij en God.’

Wat vindt u van het agnostische standpunt: we kunnen niet weten of God bestaat.

‘Dat opent veel perspectieven. Ik heb dat liever dan iemand die zegt: ‘Er zal wel iets zijn’. Uit dat ietsisme dat nu populair is, proef ik: val me er verder niet mee lastig. Terwijl de agnost wel open staat, alleen zegt het niet te weten. Daar is niks mis mee. Ik zie dat als een vorm van religieuze honger. Die uit zich nu in het zoeken naar allerlei vormen van spiritualiteit – Tilburg hangt geregeld vol met posters waar Zen.nl op staat. Ik zie daar ook voor ons kansen, wij staan in een traditie van meer dan tweeduizend jaar bezig zijn met vragen van stilte, meditatie en gebed. Maar dan moeten we wel wegkomen van institutionele, rationele geloof en terug naar het ervaren, de mystieke stroming van het christendom. We moeten terug naar het ervaren van het Goddelijke.’

Hoe ziet u de dood? Staat Petrus u bij de hemelpoort op te wachten?

‘Ik visualiseer geen hemelpoort en geen Petrus. Wel licht, zoals de oude katholieke liturgie ook doet, dat is het beeld dat ik heb. Een nieuw licht, dat staat voor God, die ik me niet als een persoon, maar als liefde voorstel. Ik vind het verder moeilijk woorden te vinden om dit uit te drukken; onze taal is in deze beperkt, dat moeten we beseffen. Ik zie het wel als een persoonlijk licht, zoals die godservaring voor mij ook niet iets algemeens was, maar persoonlijk. De ziel vindt in dat persoonlijke licht zijn nieuwe ruimte. Voor mij is de dood de doorgang naar een ander leven, waar de eenheid met God kan worden beleefd. Terwijl ons ­lichaam hier achterblijft en vergaat, leeft onze ziel verder. Net zoals we bij hem vandaan zijn gekomen, gaan we ook weer naar hem terug.’

Leestip

‘Heilige Woede van ­Thomas Quartier. Onze woede kunnen we de vrije loop laten, maar we kunnen hem ook heiligen. Wat dat betekent, wordt boeiend uitgelegd door wetenschapper en monnik Thomas Quartier, die zich na de nodige omzwervingen verbond aan de Sint Willibrordsabdij bij Doetinchem. Ieder mens die naar een gelukkig leven verlangt, gaat bij het lezen van dit boek vanzelf op zoek naar zijn eigen drijfveren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden