Gezocht, de ideale Rotterdammer

Vanaf de Brienenoordbrug ziet het nieuwe Rotterdam eruit als een prachtige stad, maar op straatniveau heerst nog altijd de naargeestigheid....

Je kunt veel van Rotterdam zeggen, maar niet dat het er hè-lekker-gezellig is. De vreemdeling die het Centraal Station uitloopt zal zich vertwijfeld afvragen 'waar het allemaal gebeurt'. Was hij maar in Amsterdam gebleven. Daar sta je meteen in het centrum. Leuke winkels, antieke gevels, fijne kroegen. Eén brok gezelligheid.

Dan Rotterdam. De stationshal en het stationsplein vullen elkaar qua naargeestigheid moeiteloos aan. 's Avonds belagen vage types met hun 'hebbie gulden' eenieder die draalt. Wie per vergissing de zij-uitgang links neemt, komt op een braakliggend terrein met fietswrakken en taxi's. De immer harde wind stuwt hier het stadsvuil op tegen de achterkant van de torenflats die als een muur langs het Weena zijn opgetrokken. Dat kille Weena met zijn voortrazende verkeer, dat geen moment uitnodigt uit tot flaneren.

Het stationsplein is een voetgangersonvriendelijke, chaotische verzameling tramhaltes. De West-Kruiskade verderop rechts oogt louche, en de op de Mauritsweg staat naast de dichtgeplakte voormalige bioscoop Calypso de Pauluskerk, trefpunt voor daklozen en verslaafden. Snel linksaf naar het Schouwburgplein is geen optie, want ook in deze duistere doorgang domineren de junks. Groeten uit de stad zonder hart.

De alternatieve invalshoek is vanaf de Brienenoordbrug. Op het hoogste punt is het uitzicht ronduit formidabel. Beneden de traag stromende Maas, in de verte de imposante skyline. Water en ruimte, de essentie van Rotterdam. Dankzij de bocht in de rivier lijkt het vanaf hier alsof de stad een immense metropool is, alsof er geen armetierig Rotterdam-Zuid bestaat. Ieder halfjaar krijgt Rotterdam dankzij gewaagde projecten een ander aanzicht. De maakbare stad die nooit af is. The sky's the limit. Groeten uit Manhattan aan de Maas.

Zij die deze dichotomie moeten opheffen, zitten op de tiende verdieping van een toren op het Marconiplein: de Dienst Stedebouw + Volkshuisvesting (dS+V). Het uitzicht is van treffende symboliek: havens, achterstandswijken en wolkenkrabbers.

Bij dS+V wordt nagedacht over de mogelijkheden om Rotterdam nog hoger te maken. De constatering van niet-Rotterdammers dat de stad aan megalomanie lijdt, dat de wolkenkrabbers slechts een façade zijn om de armoede te verbergen, vindt hier geen weerklank. 'Ik denk niet dat het hoogbouw versus achterstandswijken is', zegt stedenbouwkundige Martin Aarts. 'Een sterke binnenstad werkt door in de wijken. Je krijgt meer mensen, en daardoor meer restaurants, winkels en werkgelegenheid. Men wordt trots op zijn stad.'

Aarts zit achter een lange tafel met daarop een maquette van Rotterdam zoals het er rond 2010 moet uitzien, met in het grijs de geplande clusters superhoogbouw rond het Hofplein, rond het Centraal Station, langs de Coolsingel, langs de Maas, op Zuid. De stad moet een nog uitdagender skyline krijgen. Ruim twee uur praat Aarts over de ontwikkelingen. Optimistisch, bevlogen. Dat kan ook niet anders in een stad waar het vooruitgangsdenken genetisch lijkt vastgelegd in de naoorlogse volksaard. Aarts: 'Rotter dammers vinden alles normaal. Eerst waaide je van je sokken, niemand die daar moeilijk over deed.'

De 44-jarige stedenbouwkundige kwam in 1984 bij dS+V, het jaar dat Rotterdam met de ontwikkeling van de Oude Haven voor het eerst poogde iets van gezelligheid in de stad te brengen. Het begon te dagen dat niet alleen de haven belangrijk was, maar dat het centrum er ook toe deed. Tot die tijd was Rotterdam slechts bezig geweest met de wederopbouw. Men dacht dat in twintig jaar te kunnen rooien. In werkelijkheid, zegt Aarts, duurde het tot 1995. 'Toen was er voor het eerst een gevoel van: oké, zo ziet de stad er dus uit.'

Toen het beneden ergens op begon te lijken, moest Rotterdam de hoogte in. Oorspronkelijke bezwaren dat de bodem slechts gebouwen tot 105 meter kon dragen, bleken door de techniek achterhaald. Hup, daar verrees het kantoor van Nationale Nederlanden, 150 meter hoog. Hup, daar kwam de Millenniumtoren, 149 meter hoog. En hup daar komt, als alles goed gaat, op de plek van het oude Luxor Theater een gebouw van 185 meter. Hoog, hoger, hoogst. Aarts lacht: 'Rotterdam is een moderne stad. De enige in Nederland waar het centrum zich leent voor dergelijke bouw. De tijd is er rijp voor. Vroeger was er altijd weerstand. Pas toen het World Trade Center er eind jaren tachtig stond, veranderde dat. Zowel burgers als bestuurders waren trots op dat wtc.'

De wolkenkrabbers in het centrum zijn volgens Aarts behalve leuk en prestigieus ook bittere noodzaak. 'Er is nauwelijks een kantoor meer te krijgen. Slechts 2 procent staat leeg, het streven is 5 procent. Bedrijven profileren zich middels uitdagende hoogbouw en mensen willen graag werken in een stedelijke omgeving.'

Hoewel slogans als Manhattan aan de Maas anders doen vermoeden, spiegelt Rotterdam zich nauwelijks aan buitenlandse voorbeelden. Hooguit probeert men de negatieve uitwassen te voorkomen. Frankfurt wilde geen hoogbouw in het centrum en kreeg die vervolgens op allerlei andere plekken. Aarts: 'De les is: als je wegrent, krijg je het voor je kiezen.' Detroit wilde het stadscentrum herontwikkelen, maar beperkte zich tot casino's, een stadion en glazen kantoortorens. Met als gevolg dat het centrum na zessen unheimisch leeg is en de omliggende wijken nog altijd getto's zijn. De Rotterdamse ontwikkeling is niet op Ameri kaanse leest geschoeid, zegt Aarts. 'Er is een gigantisch verschil tussen een downtown maken of een stad waar alles is en ongelooflijk wordt gewoond. Wij streven naar 50 procent wonen in de nieuwe torens. Er woont hier maar 5 procent van de stadsbevolking in de binnenstad, terwijl 10 procent normaal is. Er moeten 28 duizend mensen bij. Of dat lukt? Ga maar eens kijken bij de nieuwe projecten: duizend wachtenden voor je.'

Groeten uit de stad die nooit af is. Tijd om in te zoomen. Op de hoek van de West-Kruiskade loopt een verslaafde druk te gesticuleren naar niemand in het bijzonder. Hij rochelt en spuugt. De kop van de Kruiskade is vanouds populair bij junks en dealers, dicht bij het station en dicht bij de Pauluskerk. In Chinees restaurant De Lange Muur denkt Kees de Gruiter na over wat hem gevraagd is: verslaggever en fotograaf meenemen naar vier plekken die voor hem symbolisch zijn voor het moderne Rotterdam. Tot 1999 was De Gruiter voorzitter van de Adviesraad voor het Centrum, nu is hij consultant en houdt zich bezig met ontwikkelingen in de binnenstad. Voor we op pad gaan ontvouwt hij zijn theorie over waarom Rotterdam ondanks die hoogbouw een boertige stad is gebleven. Het ontbreekt aan echte stedelingen, zegt hij. De stad heeft lang te maken gehad met instromende plattelanders. 'Eerst Brabanders en Zeeuwen. Hele dorpen werden tegen het oude Rotterdam aangebouwd.' Na de oorlog kwamen Marokkanen en Turken. 'En al die plattelanders namen hun gewoonten en gebruiken mee.' De Gruiter zucht en staat op.

Plek 1. De West-Kruiskade, daar waar de glamour ophoudt, op een steenworp afstand van De Doelen, in de schaduw van het uit metaal opgetrokken Schouw burg plein. Hier zijn we in Parbo Town en China Town. In dit stukje stad, nog steeds centrum, beginnen de achterstandswijken die ervoor zorgen dat Rotterdam in de woorden van burgemeester Opstelten 'de verkeerde lijstjes aanvoert'. Schotelantennes staren naar Rabat en Istanbul. In de jaren zeventig kwamen hier de eerste Surinaamse dope-cafés.

'Ik heb een plan gemaakt om de straat weer aantrekkelijk te maken, zodat je uit het station komend voortaan ook rechtsaf gaat', zegt De Gruiter, refererend aan de dolende vreemdeling uit het begin van dit verhaal. 'We hebben de ondernemers hier verteld dat ze zich moeten richten op een algemener publiek.' Hij stopt bij een toko met tropische producten. 'Neem die Surinamer hier, die heeft van allerlei dingen die wij niet kennen. Maar als je naar binnen gaat en je vraagt wat, kijken ze je alleen onnozel aan.'

Junks vallen de fotograaf lastig. 'We hebben ook het West-Kruiskade-team ontwikkeld, met Roteb, politie en veiligheidsassistenten', zegt De Gruiter. 'Want niemand wilde hier komen omdat ze meteen een grote bek krijgen. Of het is meteen zero-tolerance. Dat helpt ook niet.'

We lopen een paar honderd meter door. Voor de kop van de West-Kruiskade lijkt de spin-off theorie op te gaan: dit stukje 'achterstandswijk' heeft onmiskenbare positieve impulsen gekregen van de ontwikkelingen in de binnenstad. Een exotische straat met een aantrekkelijke mengeling van winkels en horeca. Nighttown trekt het jonge publiek, de Surinaamse broodjeszaken trekken kantoorpersoneel.

Dan komen we bij het Tiendplein. Een kwart eeuw geleden stond hier café De Drie Ballons, waar een prille Jules Deelder nog voordrachten hield op de tafels . Nu is het plein een allegaartje van afzichtelijke stadsvernieuwing, goedkope winkels en vage figuren. 'Hier denk je als vreemdeling: het houdt op. Winkels met bankstellen buiten en hoekjes waar "het" kan gebeuren', zegt De Gruiter. Waar het in Rotterdam misgaat is dat de verbindingen tussen de aantrekkelijke stukken stad ontbreken. De Gruiter vergelijkt het met het spoor van kruimels uit Klein Duimpje. 'Je probeert een nieuwe stad altijd uit. Je gaat lopen zolang het leuk blijft. Op een gegeven moment kom je bij het café met de kannibalen, dan weet je: oeps, hier zit ik verkeerd. In Rotterdam heb je dat gevoel al heel snel.'

Plek 2. De Boompjes, de weg langs de Maas tussen de Willemsbrug en de Erasmusbrug. We lopen over een met onkruid overgroeide poging tot een promenade langs het water. Tussen de kantoorkolossen en die boulevard dendert het verkeer, zes rijen dik. Er zijn nauwelijks voetgangers; flaneren langs het water doe je niet als er geen terrasjes zijn en je je leven moet wagen om over te steken.

Sinds 1985 zijn ontelbare initiatieven ontwikkeld om Rotterdam grootstedelijke allure te geven. Sommige, zoals de verlopen Witte de Withstraat omtoveren tot galeriestraat, zijn geslaagd. De Boompjes blijft een gedrocht, ook al heeft de gemeente de hartgrondige ambitie 'de stad aan de rivier te koppelen'.

'De rivier maakt de stad uniek', zegt Rob Van Gameren, hoofd van Bureau Binnenstad, dat middels samenwerking met alle spelers de binnenstad probeert te ontwikkelen. 'Rotterdam is veranderd van industriestad naar dienstenstad en pretstad. Je moet concurreren met shopping malls, Eftelingen, campings. De rivier biedt de mogelijkheid het pretmilieu te concentreren. Het moet een gebied worden waar altijd wat te doen is. We leggen de accenten op een aantal hoekpunten.'

Maar met de Boompjes weten ze zich ook bij Bureau Binnenstad geen raad. In de lijvige plannen, concepten en visies wordt gerept van 'aantrekkelijke routes en verbindingen'. Alleen hoe die boulevard langs de Boompjes daarin past, blijft een raadsel. De enige oplossing is om de zesbaansweg onder de grond te leiden. En daar wil de gemeente niks van weten. De Gruiter loopt terug naar de auto. 'Rotterdam probeert het centrum naar de rivier te trekken. Maar hier slaat de stad helemaal dood. De Boompjes gaat van niks naar nergens.'

Plek 3. De Beurstraverse, ofwel 'de Koopgoot', het winkelgebied dat onder de Coolsingel tussen V & D en de Bijenkorf loopt. 'Die gevel is van nep-middeleeuwse truttigheid', zegt De Gruiter. 'Ik vind hem nog steeds niet mooi, maar het werkt. Hij is ontworpen door een Amerikaanse tovenaar die precies weet hoe het moet. Dit is de mensenmolen, dít is het centrum. Van hieruit moet je de kruimels leggen.'

De Koopgoot is een succes. Zondags komt het publiek van heinde en ver om hier lekker te shoppen. Maar voor echte stedelingen getuigen winkels als H & M, Hema, V & D en Bruna niet van durf en visie. 'Die plannenmakers laten te weinig over aan particulier initiatief', zegt Rokus Jeronimus van kledingzaak Krokus. 'Er wordt weinig gedaan voor jonge mensen die iets willen opzetten. Alles moet groot en massaal. Maar een stad wordt gekenmerkt door mensen en niet door de gebouwen die je er neerzet.'

De binnenstad biedt startende ondernemers nauwelijks kansen. Fenne de Vries (33) vertelt over de moeilijkheden die zij ondervond toen ze eetcafé Open wilde openen, dat zich richt op publiek dat voor het theater of de bioscoop nog snel iets eenvoudigs wil eten. Een horecavergunning stuitte op grote bezwaren van de buurt en kwam er uiteindelijk met beperkte openingstijden. Haar tuin moet leeg blijven ook al is het nog zulk lekker weer. En van een zaak om de hoek, in de drukke Oude Binnenweg kan ze alleen maar dromen. 'Daar vragen ze a1-prijzen. Zo krijg je allemaal Blokkers en Kruidvaten. De straat zou wel wat meer speciaalzaken kunnen gebruiken. Dat mis je heel erg in Rotterdam.' De Gruiter knikt. 'Het idee is nog steeds dat er zo veel mogelijk bezoekers moeten komen die zoveel mogelijk geld uitgeven aan de attracties.'

Plek 4. Nieuwe Binnenweg, het tweede stuk, tussen de Mathenesserlaan en de 's Gravendijkwal. Hier heeft de stad zich onafhankelijk van plannenmakers ontwikkeld tot iets unieks. Het leeft, het bruist, er is vertier, vreemde winkels en chique restaurants. En gevaar, getuige de camera's die hier sinds 1 juni de buurt bewaken. 'Hier gaat het leven de hele nacht door', zegt De Gruiter. 'Hier dringt de stad om zijn plekje, vol gebruikers die eigenlijk botsen.'

We lopen naar jazzcafé Dizzy, een van de eerste horecagelegenheden die het nieuwe Rotterdam aankondigden. Daarna volgden zaken als Dudok, Hotel New York, Floor. Onderweg groet De Gruiter bekenden. Glunderend: 'Alles komt hier samen. De junks, de vervelende gassies van de koffieshops, Engelse gastarbeiders die bij Dirty Harry's komen. Om de hoek heb je de seksindustrie. Maar er zijn ook dure etablissementen. En artsen die verderop in Dijkzigt werken kopen pandjes in de buurt.'

De Nieuwe Binnenweg heeft zich ontwikkeld zoals wethouder Herman Meijer (grote-stedenbeleid) het graag ziet. 'Rotterdam is grosso modo een interessante stad. Maar het stedelijk leven heeft ernstige tekorten', zegt hij. 'Er is te weinig pionierschap en kunstzinnigheid in het centrum. We hadden dat wel gehoopt, maar het zal wel nooit meer gebeuren met al dat platgooien en die hoogbouw. Maar wat ruimer wordt het wel interessant. De Kruiskade, de Nieuwe Binnenweg, het Oude Westen. Daar zijn exotica en pioniers neergestreken.'

Het gaat hier om de 'centrumrand'. Daar liggen de kansen volgens Meijer. 'Aan de ene kant krijg je goktenten en het louche, aan de andere kant dure zaken die bestaan bij de gratie van een lage huurprijs en de koopkracht van een selectief op smaak gericht publiek. Grootschalig vermaak is best leuk, maar je moet ook een goede bodem hebben met kleinschalige dingen die goed in elkaar zitten en het culturele leven gaande houden. We zijn vooral goed in grote dingen bedenken, publiekstrekkers die aardig staan op de rijtjes van de vvv.'

Verderop verloedert de Nieuwe Binnenweg snel, om over te gaan in de deelgemeente Delfshaven, die berucht is om zijn afbraak en drugsproblematiek. De glamour van de hoogbouw draagt niet ver, zo lijkt het. Meijer knikt. 'De vraag is of we een Amerikaanse stad als Detroit zijn, of gewoon een sociaal-democratische Nederlandse stad met een bijzondere verschijningsvorm.' Hij denkt het laatste. 'Hoewel vrij veel van wat hier in de binnenstad gebeurt de bevolking niet raakt. Bijvoorbeeld langdurige werkloosheid, die wordt niet opgekrikt door de ontwikkeling van het centrum. Van de drie nieuw gecreëerde banen worden er twee bezet door mensen van buiten de stad. Dat zegt wel iets. Voor de zonnige kant moet je kijken wat er rond de Kop van Zuid gebeurt, waar Oud-Feijenoord, de Afrikaanderwijk en Katendrecht meeliften op de Kop van Zuid. Je kunt in de Afrikaanderwijk nu zo woningen van vier ton slijten, dat kon tien jaar geleden absoluut niet.'

Groeten uit Rotterdam: Fun City, Festivalstad, Attrac tieve Stad, Waterstad, Manhattan aan de Maas. Meijer glimlacht. 'Uiteindelijk ben je het centrum van een naar Europese begrippen kleine stedelijke regio met 1,1 miljoen mensen. Daar moet je je ambities aan aanpassen. Dat neemt niet weg dat het een hele leuke, mooie stad is. Daar hoeven we niet kinderachtig over te doen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden