InterviewGerri Eickhof

Gerri Eickhof: ‘Racisme raakt mij persoonlijk, en ik kan en wil daar niet overheen stappen’

Beeld Peggy Kuiper

Lange tijd heeft NOS-verslaggever Gerri Eickhof niet over racisme willen praten – ook al had hij er van kinds af aan mee te maken. Sinds de Black Lives Matter-beweging weer ferm op de agenda staat, heeft hij journaalitems overgeslagen, uit angst niet langer objectief te kunnen zijn. Nu spreekt hij zich toch uit. 

Op 2 juni, de dag na de Black Lives Matter-demonstratie op de Dam, zei Gerri Eickhof tegen zijn coördinator bij het NOS Journaal dat zij maar een andere verslaggever moest zoeken. Hij wilde geen reportage maken over het schenden van de anderhalvemeterregel tijdens die demonstratie.

Hij kon het niet. In ieder geval niet op de manier die de NOS van zijn verslaggevers verwacht: objectief en onpartijdig. Eigenlijk had Eickhof op persoonlijke titel op de Dam willen zijn, graag zelfs, maar hij wist niet of hij dat ‘kon maken’, gezien zijn functie. ‘En dus heb ik me laf voor mezelf verscholen achter een privéafspraak die ik best had kunnen verschuiven.’

Dat er ophef ontstond over de drukte, over de demonstranten die te dicht op elkaar stonden, stoorde hem. Hij vond dat ‘vervelend’, zegt Eickhof. Een understatement, want hij was boos. ‘Die kritiek leidde af van waar het om ging. Ik vond het fantastisch dat er zoveel mensen waren. Dus als ik dat item maak, is dat met de handrem erop. Dan zet ik burgemeester Halsema uit de wind. Ik weet normaal gesproken precies waar de grens ligt, want ik zoek die grens in mijn werk soms op. Ik probeer het maximale te zeggen zonder mijn objectiviteit te verliezen. Bij dit onderwerp was ik bang dat ik de grens niet meer zou zien. Ik zei tegen de coördinator: ‘Als je iemand anders kunt vinden, is dat misschien beter.’ Edwin van den Berg heeft er toen een evenwichtig, goed dingetje van gemaakt.’

Hij worstelt ermee, vertelt Eickhof. Waar hij vroeger heel zelden een onderwerp hoefde af te wijzen omdat het over racisme ging en hij vreesde voor zijn eigen objectiviteit als journalist, is het onderwerp nu ‘aanhoudender geagendeerd’, zegt hij, waardoor het steeds moeilijker wordt om zichzelf er in zijn werk aan te onttrekken.

Waarom zou een zwarte man niet onpartijdig kunnen zijn in de verslaggeving over racismegerelateerde onderwerpen?

‘Omdat je ook bent wie je bent door hoe anderen je zien. Ook dat bepaalt je identiteit. Mijn sympathie ligt in conflictsituaties rond etniciteit altijd bij gekleurd en zwart. Omdat racisme mij persoonlijk raakt, en ik daar niet overheen kan en wil stappen. Daarom probeer ik me bij zulke kwesties als journalist afzijdig te houden. Ik wilde ook geen verslag doen van de begrafenis van Gerard Reve. En bij de veiling van zijn spullen, een paar jaar later, werd het onderwerp afgevoerd omdat ik het niet wilde maken.’

Waarom wilde je (Eickhof wil getutoyeerd worden) geen verslag doen van de uitvaart van Gerard Reve?

‘Die man heeft een aantal heel racistische uitspraken gedaan. Ik zat nog op de middelbare school toen hij op televisie vertelde dat hij vond dat er tunnels moesten komen van de Bijlmer naar de rest van Amsterdam, zodat de Surinamers die er woonden zich ongezien konden verplaatsen. Je kon het blanken immers niet aandoen ze voortdurend te confronteren met negers. De volgende dag hadden we een les Nederlands, en daar stak de leraar de loftrompet over zijn held Reve, en toen heb ik gewezen op die tv-uitzending. Daar moest ik niet over zeuren, dat waren grapjes, ironie. Maar zo voelde dat niet. En als het grapjes waren, waren het buitengewoon kwetsende, onaangename grapjes. Daar moet ik niet doorheen hoeven prikken. Dat moet ik niet hoeven doen! Als je ironie bedrijft, beweer je iets dat tegengesteld is aan wat je werkelijk vindt, op zo’n manier dat de luisteraar dat in de gaten heeft. Dat is bij Reve niet het geval. Hij meende wat hij zei, er is geen reden iets anders te vermoeden. Veel later heeft Reve nog eens een interview gegeven, aan de Varagids, over tv kijken. Hij zei dat hij het vreselijk vond als Philip Freriks in beeld kwam, want dat was een hufter, een leugenaar. Maar als ik in beeld kwam, dan spuugden hij en zijn partner Joop naar de beeldbuis. Ik was buitengewoon trots op dat stukje. Ik heb nog lang gedacht, elke keer als ik voor de camera stond: ‘Zo. Zitten ze weer lekker te spugen.’ Dat schonk me buitengewoon veel genoegen.’

Als Gerri Eickhof voorafgaand aan het interview de deur van zijn Amsterdamse bovenwoning opendoet, staat Crosby, Stills & Nash op. Hij gaat meteen weer zitten aan de keukentafel, achter een dubbele bruine boterham met kaas. Of de muziek zo misschien uit mag, vanwege de opname? ‘Ja hoor. Maar ik eet eerst even af. Hoe lang denk je dat dit duurt, voor mijn eigen idee? Dan weet ik wanneer ik kan beginnen aan het belangrijkste klusje van de dag.’

Wat dat is? ‘De luxaflex goed proberen te krijgen. Daar heb ik me verschrikkelijk op verkeken. Ik dacht dat ik met alles rekening had gehouden, maar als ik hem ophang, past het niet. Nu heb ik verlengstukken gekocht, maar ik zie er tegenop, omdat ik bij dat soort dingen altijd fouten maak. Kunnen we afspreken dat jij even formeel benoemt wanneer het interview begint en wanneer het eindigt?’

Beeld Peggy Kuiper

Ja hoor, zullen we nu beginnen?

‘Nee, ik wil eerst mijn boterham opeten.’

Gerri Eickhof (62) is de oudste en meest ervaren verslaggever bij de NOS, hij werkt er sinds 1986. Sommige kijkers zullen bij zijn naam denken aan de bontmuts met flappen die hij droeg tijdens reportages langs besneeuwde snelwegen, of misschien aan de tirade over Ajax die hij in 2009, toen de club in een diepe crisis verkeerde, live in het journaal ten gehore bracht. Daarin omschreef hij de Arena als een ‘megalomane vliegende schotel waar nog geen gras wil groeien’ en deed hij geen enkele poging zijn frustratie te verbergen over het feit dat Ajax derde was geworden achter ‘met alle respect, twee clubs uit de provincie’. Onlangs nog werd hij op sociale media geprezen vanwege een journaalreportage over door coronamaatregelen gesloten camping-wc’s, door Eickhof afgesloten met een rijmpje: ‘Zelfs voor doorgewinterde kampeerders is het warempel geen pretje, om steeds te moeten poepen op een chemisch toiletje. En als je dan ook niet gewoon een plasje kunt plegen, houdt dat veel mensen daadwerkelijk tegen.’

Hoe ging dat, waarom dacht je: het is tijd voor een rijmpje?

‘Van tevoren keek ik hoe de journaaluitzending in elkaar zat. En ik dacht: poeh, zware uitzending, ik kom aan het eind met een onderwerp over wc’s op de camping, dus daar kan wel een lichte toets in. Het is een relativering, van zowel het onderwerp als mijn eigen rol. Het rijmpje drukt uit dat er een lach en een traan is. Een heel klein traantje, in dit geval.’

Overleg je zo’n rijmpje vooraf met een leidinggevende?

‘Nee.’

En krijg je dan achteraf een appje van NOS-hoofdredacteur Marcel Gelauff?

‘Nee.’ Stilte. ‘Volgende vraag.’

Op Radio 1 werd het rijmpje door cabaretier Jan Beuving woord voor woord geanalyseerd. Hij zei: ‘In het handboek ‘Hoe word ik een cultheld’ heeft Gerri Eickhof een eigen hoofdstuk.’

‘Die reacties kunnen me niets schelen. Zo’n rijmpje vind ik gewoon leuk om te doen.’

Je vriendin zegt: hij doet het er ook om.

‘Dat ziet zij er graag in.’

Ze zei: als je hem erop aanspreekt, speelt hij de vermoorde onschuld, maar hij is veel te slim om het per ongeluk te doen.

‘Dan schat ze mij te slim in, denk ik.’

Je hebt ook een voorliefde voor ouderwets taalgebruik.

‘Mijn top drie is: dikwijls, warempel en wis en drie. Die probeer ik regelmatig in mijn items te verwerken. Het woord balsturig vind ik ook leuk, maar dat heb ik afgevoerd van de lijst, want dat is te ingewikkeld. Dat wil de NOS niet meer, en ik denk zelf ook wel dat het een brug te ver is.’

Het lijkt nogal een contrast, tussen je journalistieke werk uit crisisgebieden als Rwanda, Kosovo en Irak, en de binnenlandse items die je nu soms maakt over sneeuw of camping-wc’s. Zie je dat zelf ook zo?

‘Nee. Ik maak eerst en vooral televisie. Hoe krijg je een onderwerp fatsoenlijk over de buis? Het onderwerp maakt daarbij minder uit dan jij misschien denkt. Vroeger ging ik vaak voor de zaak naar het buitenland, nu niet of nauwelijks. Een kantelpunt was de oorlog in Georgië, in 2008. Ik werd gebeld. Mijn zoon Koen was bij mij, hij was 7, en zei: ‘Ga maar niet, ze schieten je dood.’ Ik ging toen niet. De volgende dag kwam RTL-cameraman Stan Storimans om het leven. Op dat moment dacht ik: Koen had gelijk met zijn zorgen. Daarna kreeg ik lichamelijke problemen, artrose, waardoor ik minder goed liep, wat in crisisgebieden niet handig is. Maar daar ben ik in 2017 aan geopereerd. Ik zou nu wel weer eens willen. Als je me vraagt wat me is bijgebleven, zou ik zeggen: de oorlog in Irak. De oorlog in Joegoslavië. De Kosovo-oorlog. Ik was in Rwanda ten tijde van de genocide. We bezochten een ziekenhuis over de grens in Zaïre, waar hutu-vluchtelingen de grens over kwamen. Een arts vertelde dat er die nacht vier mensen waren overleden. De volgende dag waren het er meer dan honderd – een cholera-epidemie. Wij erheen. Er lagen veel doden in de ziekenzaal. In de tuin liep er een bewaker langs. O, u bent van de pers, dan heb ik nog wat voor u. Hij liep naar een schuurtje, trok de deur open en er rolde een enorme stapel lijken uit.’

Hoe deed je daar verslag van?

‘Ik werkte intussen al zo lang bij de NOS dat ik wist hoe de hazen lopen. Ik wist: als ik die dode mensen gewoon zo laat zien, knippen ze het eruit. Dus ik zei tegen de cameraman: maak nog maar een paar afschuwelijke close-ups, met de gedachte: dan snijden ze die shots eruit, maar zullen ze het overzichtsshot van de lijken erin laten. Let wel, bij natuurrampen zou ik zoiets nooit doen, maar oorlog is man made misery, en dan vind ik dat je zoiets moet laten zien.’

En gebeurde dat ook, dat de close-ups eruit werden geknipt?

‘Ja. Wat wel zo was: die mensen die daar in die ellende zaten, de mensen die je zag in onze reportages, waren hutu’s. Daar zaten dus veel mensen tussen die de ellende hadden veroorzaakt. Die kanttekening hebben we nooit gemaakt. Later dacht ik: ik zou het nooit meer zo doen. Ik zou nu aangeven dat dit niet de directe slachtoffers van de genocide waren. Dit waren mensen die op de vlucht waren omdat ze bang waren voor bijltjesdag, mensen die bang waren omdat ze wisten dat de daders uit hun gelederen kwamen. Misschien liepen de daders er zelfs tussen.’

Beeld Peggy Kuiper

Als je een item maakt voor het journaal, heb je dan iemand in je hoofd voor wie je het maakt?

‘Niet meer. Vroeger wel, toen ze nog leefde maakte ik het voor mijn moeder. Dan dacht ik: als ze tot het einde blijft kijken en na afloop iets méér weet, is het goed. Ze keek altijd en ze kon het altijd navertellen. Mijn moeder was een lieve, zachte vrouw die werkelijk zielsveel van mij hield. Ik was haar leven. Haar dood, zestien jaar geleden, is het ergste dat mij ooit is overkomen.’

Eickhof had een sombere, zwaarmoedige jeugd in Amsterdam-Noord, waar hij tot zijn puberteit met zijn moeder inwoonde bij zijn streng-katholieke opa en oma. Zijn vader, ‘hoogstwaarschijnlijk’ een Surinamer, had zijn Nederlandse moeder tijdens haar zwangerschap verlaten, en was sindsdien verdwenen. ‘Mijn moeder had niet het idee dat ze veel invloed had op haar eigen lot. Ze kreeg een kind en woonde bij haar ouders. Het leven overkwam haar, het was zoals het was. Mijn opa en oma leefden nogal ouderwets. We hadden geen koelkast, bij warm weer bewaarden we onze bederfelijke spullen in de tuin. Ik ging eens per week in een zinken tobbe, in hetzelfde water waar eerst mijn opa, oma en moeder in hadden gezeten. We hadden geen warm stromend water. Tot er ergens een ver familielid loodgieter bleek te zijn, die een geiser heeft aangelegd. Er was ook een rare kast in het huis, met een granitovloertje en een putje, waar wat rommel in stond. Die bleek bedoeld te zijn als douche. Die loodgieter heeft daar een douche gemaakt, maar het heeft een jaar geduurd voor een van ons eronder ging staan. Op mijn 15de ben ik voor het eerst mijn tanden gaan poetsen. Een paar jaar later ben ik van het geld van mijn vakantiebaantje naar de tandarts gegaan. Ik heb gelukkig redelijk herstel kunnen plegen.’

Heb je de naam van je vader ooit geweten?

‘Mijn moeder heeft mij zijn naam verteld – als dat zijn echte naam was. Verder zei ze alleen: ‘Als hij voor mijn auto oversteekt, dan geef ik gas.’ Na haar dood, zestien jaar geleden, ben ik gaan zoeken. Heb ik hier en daar geïnformeerd. Ik leek, op basis van die naam, op een goed spoor te komen, en dat spoor leidde naar Suriname. Ik heb contact gelegd met de betreffende familie en toen ik voor de NOS in Suriname was, heb ik ze opgezocht. Mijn veronderstelde vader was al dood, maar zijn familie omarmde mij. Om het zeker te stellen zouden we een dna-onderzoek doen, ik en een zus van mijn veronderstelde vader. En toen kwam de uitslag, het klopte niet, het was helemaal niks.’

Je hebt de zoektocht toen gestaakt?

‘Ik dacht: dan maar niet. Mijn vader was en blijft een onbekende. Toen ik heel klein was, dacht ik dat ik gewoon geen vader had. Toen ik wist dat dat niet kon, dat er altijd een vader bij nodig is, volgde vrij snel het besef dat het voor mijn moeder iets heel pijnlijks was. Ik begon er dus maar niet meer over. Vanaf dat ik een jaar of 7 was, was ik er bovendien van overtuigd dat ik een vondeling was – daar had ik aanwijzingen voor. Dat is van vrij grote invloed geweest op hoe ik uiteindelijk geworden ben. Ik ben tamelijk gesloten, gereserveerd, en dat is sterk daarop terug te voeren.’

Welke aanwijzingen had je?

‘Mijn moeder had haar rijbewijs gehaald en wilde een auto kopen, een goedkope auto, we hadden het niet breed, een Skoda 1000 MB. Die moest gefinancierd worden, en daarvoor had mijn moeder het geld uit haar levensverzekering nodig. Op een avond zit de man van de verzekeringen bij ons thuis. Ik lag boven in bed, maar was wakker en luisterde mee. Die man probeerde haar te overtuigen om die verzekering te behouden. ‘Als ik overlijd’, hoorde ik mijn moeder vragen, ‘naar wie gaat het geld dan?’ Uw kind, zei de man. Mijn moeder vroeg: ‘En als dat een onecht kind is?’ Ik dacht: verrek, ik ben een onecht kind.’

Wist je wat daarmee werd bedoeld?

‘Ik dacht: een vondeling. Dus dat was mijn eerste aanwijzing. Niet lang daarna gebeurde er nog iets. Ik was vlot met lezen, en wilde wel eens iets anders dan Wipneus en Pim. Op mijn verjaardag, ik denk dat ik 8 werd, kreeg ik van mijn oma Alleen op de wereld van Hector Malot. En waar gaat dat over? Een vondeling! Nu kon het geen toeval meer zijn. Dit boek was een voorbereiding op het treurige nieuws dat ik binnenkort zou krijgen. Toen dacht ik: het is zaak om nu heel low profile te blijven, anders sturen ze me weg. Ik begon me erg in te houden, met alles. Niet opvallen. Niet boos worden. Mijn best doen. En dan was er nog mijn huidskleur, óók een reden aan te nemen dat ik een vondeling was, er was maar één ander donker jongetje in de hele buurt. Het duurde een jaar of drie voor ik aan mijn peettante durfde te vragen of het echt zo was. Zij vertelde dat mijn moeder echt mijn moeder was. Maar ja, in die drie jaar daarvoor was ik karakterologisch wel gevormd. Ik ben dat gereserveerde nooit kwijtgeraakt. Ik probeer me niet te laten raken. Ik ben voorzichtig met mensen.’

Lukte het je als kind, om je niet te laten raken?

‘Vaak wel. Bij uitzondering niet. Maar ik werd zoveel uitgescholden, dat die uitzondering zich regelmatig voordeed. Elke dag, op weg van school naar huis, liep er een groep van vijf tot twintig kinderen aan de overkant van de straat met me mee. Bruine boon, nikker, zwarte, riepen ze, behalve in november en december, dan riepen ze Zwarte Piet. Ze bekogelden me met kiezelstenen en aardkluiten. In mijn droombeelden maaide ik ze neer met een mitrailleur. Af en toe schoten mijn drie schoolvriendjes Kees, Peter en Raymond, die aan de andere kant van de wijk woonden, me te hulp. Ze lieten dan hun vuisten spreken. En zo ongeveer eens in de twee maanden knapte er iets en dan timmerde ik er zelf eentje op z’n gezicht.’

Sprak je met je moeder over wat je elke dag moest doorstaan?

‘Ik vertelde het wel, zij zei dat ik het moest negeren. Maar als het regent kun je niet doen alsof het droog is. Ze ging ook praten op school, wat geen zak hielp. Diezelfde dag riep de juf dan voor een volle klas een paar kinderen bij zich met een zwarte of bruine trui aan. Ze zei: ‘Als jullie ooit worden uitgescholden voor zwarte of bruine, moeten jullie bij mij komen, want zo doen we dat hier op school niet.’ De volgende dag hadden die kinderen een gele of groene trui aan. Maar ik zag er nog steeds hetzelfde uit. Toen ik meespeelde in de schoolmusical werd ik blank geschminkt, drie avonden achtereen. En elke keer wilde ik niet afgeschminkt worden. Eindelijk blank, eindelijk normaal. Kort daarna kreeg ik waterpokken. De bultjes krabde ik open, tot er korstjes op kwamen. En als ik die dan ook weer wegkrabde, was de huid eronder lichter dan de rest eromheen. Dat leidde ertoe dat ik wekenlang bleef krabben, in de hoop dat dan mijn lichaam lichter tevoorschijn zou komen. Zoals ik ook mijn haar vaak nat maakte en glad probeerde te kammen.’

Beeld Peggy Kuiper

Wanneer stopte het gescheld?

‘Het werd veel minder toen ik naar de middelbare school ging. En toen ik vanuit Amsterdam Noord naar het Centrum verhuisde, was het eigenlijk over. Vanaf het moment dat ik bij de NOS kwam, voelde ik mij on top of the world, ik had succes in mijn werk en kreeg waardering. Maar vooral na de opkomst van Fortuyn werd ik weer vaker aangesproken op mijn uiterlijk. Het was de combinatie van hoe ik eruitzag en waar ik werkte. In cafés en op straat begonnen de mensen tegen me te zeiken. Ik kreeg een drol in de brievenbus, een rotte vis, dreigbrieven. Er zou met me afgerekend worden – vooral vanwege mijn werk voor de NOS, trouwens, maar als er gescholden werd, dan was het toch ook vaak zwarte.’

Je zegt dat je door je verleden een afstandelijk en gereserveerd mens werd. Is dat voor een journalist geen onhandige eigenschap?

‘Nee, want in mijn werk zet ik juist de knop om. In die zin is het werk voor mij een compensatie. In mijn werk ben ik sociaal, dan lukt het me goed om de mensen mee te krijgen.’

Je durft als journalist wat je als mens niet durft?

‘Ja. Dat zou je tragisch kunnen vinden, maar ik vind dat zelf niet zo erg. Het is voor mijn werk wenselijk dat ik de geslotenheid die mij privé eigen is, openbreek. Dat is een van de redenen dat ik dit werk het leukste werk ter wereld vind.’

Is die afstandelijkheid ingewikkeld in je privéleven?

‘Soms.’

Heb je veel vrienden?

‘Nee, maar de vrienden die ik heb zijn goede vrienden. Bij hen is er geen gereserveerdheid.’

En bij vrouwen?

‘Bij vrouwen is er meer gereserveerdheid.’

Je vriendin zegt dat je vermogen om jezelf af te sluiten voor ellende je heel geschikt maakt als verslaggever in crisisgebieden. Denk je dat dat klopt?

‘Het zou kunnen.’

Ik las je in boekvorm uitgegeven Irak-dagboek uit 2003. De auto waar je in zit wordt bestormd door een menigte met zwaarden en messen die jou en je collega’s wil lynchen, de portiervergrendeling lijkt niet helemaal goed te werken, de auto start niet. Toch blijf je rustig.

‘Ik heb me ook wel eens afgevraagd of ik daar niet ongerust over moet zijn. Er zijn situaties geweest waarvan ik achteraf vond dat ik wel erg onderkoeld reageerde. Ik was natuurlijk ook de eindverantwoordelijke, je hebt een cameraman bij je, vaak een chauffeur. Ik vond dat ik het koppie erbij moest houden. Want als er eentje doodgaat, moet ik het aan vrouw en kinderen gaan vertellen. Ik heb de emoties na die aanval op de auto ingehouden totdat ik in m’n eentje in de hotelkamer was. Ik doe dat liever niet met anderen erbij.’

Je had op een gegeven moment echt een hekel aan het land, hè? Je noemt de Irakezen in je boek allemaal kutlappen en drollenwippers.

‘Het is natuurlijk een dagboek, en dat was de emotie van dat moment. Wat mij ontzettend tegenstaat is volstrekte redeloosheid. En in Irak was iedereen toen, dag in dag uit, volstrekt redeloos. Ook toen met die auto. Iemand sloeg op een standbeeld met een hamer, wij gingen dat filmen. Een groep mannen werd kwaad, omdat ze vonden dat wij als media een beeld van de Irakezen als vernielers schetsten. Het werd bedreigend. De cameraman gooide het bandje op straat, waarna ze het aan stukken trapten. Je zou denken: als het ze daarom begonnen was, kunnen ze feestend naar huis. Maar ze wilden ons dood hebben. We moesten rennend naar de auto, die we aanvankelijk niet aan de praat kregen. Een van de mannen sneed zijn hand open en smeerde het bloed aan de voorruit. Als die auto niet was gestart, hadden we het niet overleefd. Het was redeloos. En redeloosheid, daar kan ik verschrikkelijk slecht tegen. Ook nu.’

Waar zie je nu redeloosheid?

‘Mensen die tijdens het werk op me afkomen, zoals tegenwoordig voortdurend gebeurt, en zeggen dat corona niet bestaat, dat er in werkelijkheid hooguit tachtig slachtoffers zijn gevallen, dat de cijfers zijn vervalst door het RIVM en dat het RIVM dat doet in opdracht van Bill Gates. Het werk is op het moment niet zo makkelijk. Je hebt te maken met mensen die, in hun redeloosheid, overtuigd zijn van hun eigen redelijkheid.’

Wat doe je op zo’n moment? Probeer je ze te overtuigen?

‘Ligt een beetje aan hoe mijn muts staat. Ze proberen te overtuigen heeft in mijn ervaring heel weinig zin.’

In zijn geboortestraat in Amsterdam komt hij nog wel eens, zegt Eickhof. ‘Maar alleen als ik me vreselijk depressief voel. Als ik daar ben voel ik me meteen beter, omdat het vroeger nog zoveel erger was. Dat is nu al een jaar geleden. Ik voel me blijkbaar goed genoeg om het niet nodig te hebben. Ondanks de ontwikkelingen van de laatste maanden. Het racismedebat, zoals dat dan heet. Aan de ene kant ben ik blij omdat het er eindelijk eens echt langdurig over gaat, en aan de andere kant is het pijnlijk, omdat het me weer zo met mijn neus op de feiten drukt. Ik kan je een filmpje laten zien, dat ik heb gemaakt, voor mezelf, om mijn positie op een rijtje te zetten. Het duurt een kwartier. Kijk jij maar, dan ga ik een sigaretje roken.’

In het filmpje zien we Eickhof aan zijn eigen keukentafel zitten, voor zijn servieskast. Hij vertelt hoe hij op 5 april 1968 van zijn moeder te horen kreeg dat Martin Luther King was doodgeschoten. ‘Mijn mond werd meteen zo droog en mijn lippen zo strak als een klein jaar eerder, toen ik hoorde dat mijn opa was overleden’, zegt Eickhof op het telefoonscherm. ‘Dr. King was mijn hoop in bange dagen. De dagen van de jaren waarin ik op weg van school naar huis dagelijks werd begeleid door een groep medescholieren die mij uitscholden voor zwarte, nikker en bruine boon, en die me bekogelden met kiezelstenen en aardkluiten.’

Hij voelde als klein kind dat de strijd van Dr. King ook voor hem iets betekende. Zijn hoop werd met Kings dood de bodem in geslagen, maar zijn moeder had gezegd: ‘Als jij net zo oud bent als Martin Luther King is geworden, is het voorbij. Dan is er geen discriminatie meer.’

Hij vertelt dat hij zichzelf ziet als een gematigd mens, in de geest van Dr. King, dat hij niets heeft met de extremen. Dat het voelde als een klap in zijn gezicht dat de NOS in een online-artikel ‘de racistische hoogleraar Piet Emmer’ citeerde, ‘die vindt dat de slavernij wel meeviel’, maar dat hij aan de andere kant Akwasi en Gloria Wekker ook ‘schreeuwende kletskousen’ vindt. Hij houdt niet van polarisatie, zegt hij, daarom spreekt hij van blank, niet van wit. ‘Wit tegenover zwart is in mijn ogen een tegenstelling die om activistische en politieke redenen is overgenomen uit het Angelsaksische taaleigen, waar ‘whites’ van oudsher nu eenmaal de enige term is. Wie wil, mag van mij van wit spreken, maar ik kies mijn eigen woorden.’

Beeld Peggy Kuiper

Hij vertelt over zijn werk, de worstelingen. Dat hij de afgelopen weken twee keer aan zijn coördinator heeft gevraagd om een racismegerelateerd onderwerp niet te hoeven maken. Dat hij de coördinator een lijstje stuurde, met persoonlijke ervaringen, om duidelijk te maken waarom het onderwerp hem persoonlijk raakt, en hij daar niet overheen kan en wil stappen.

Eickhof leest in het filmpje een lijst voor met 35 voorbeelden. De vrouw van de vooraanstaande Nederlander, die, toen Eickhof het tuinpad op liep voor een interview, naar buiten rende en riep: ‘Weg jij, er is hier niets te halen!’ De winkeliers die hem door de hele zaak achterna liepen als hij zocht naar een cadeautje voor zijn moeder. De leraar op de middelbare school die vertelt dat zwarten vaker een holle rug en bolle billen hebben, en vroeg of hij even wilde gaan staan om dat aan de rest te laten zien. De collega die zei dat hij beslist met zijn peuter naar het Sinterklaasfeest van het bedrijf moest komen, want dan konden ze een Zwarte Piet uitsparen. De sprekers die veronderstelden dat hij de geluidsman was, en de geluidsman de interviewer. De mensen die een voxpop weigerden met de woorden: ‘Ga terug naar je eigen land.’ En zo gaat het door.

Hij deelt zijn zieleroerselen niet makkelijk, zegt Eickhof in het filmpje. ‘Met zwarten niet, omdat die de lijstjes toch al kennen. Met blanken niet, omdat die het dikwijls beoordelen als gezeur, slachtofferschap, overgevoeligheid. Zij beschouwen het vaak als ongelukkig, onhandig toeval. Een kwestie van pech en geluk dat ik in mijn leven intussen 42 keer ben aangehouden zonder concrete aanleiding, en zij nog nooit. Met een dergelijke getalverhouding is er denk ik geen sprake van toeval. Volgens mij is het racisme, en dus noem ik het racisme.’

‘Zo sta ik erin’, zegt Eickhof na afloop. ‘Ik heb het er niet graag over, ik denk er liever niet aan. Maar nu weet je hoe ik het zie.’

Op de voordeur van Eickhof zit – aan de binnenkant – in het midden een grote sticker: Obama ‘08. Hij was erbij in Chicago toen Barack Obama werd verkozen, vertelt hij. ‘We stonden in het park waar hij zijn overwinningsspeech zou houden. Ik geloof dat ik toen wel erg vrolijk was. Ik had een blikje bier gekocht en daar stond de foto van Obama op. Dat blikje heb ik in de uitzending gebruikt. ‘Het smaakt naar meer’, zei ik. Zoiets. En toen gingen we naar het hotel, en toen, eh... En mijn collega Dick Jansen, met wie ik daar was, moest een beetje huilen. Ja. Dick moest huilen.’

Ik sprak Dick, en hij zei dat jij ook een beetje moest huilen.

‘Ik heb pas in het hotel gehuild. Ik dacht: dat doen we hier niet, tussen de mensen. Dat houden we wel even op. Dus ik heb gewacht tot ik in het hotel was en daar heb ik een traantje geplengd.’

Waarom huilde je?

‘Omdat ik dacht: we hebben gewonnen.’

CV Gerri Eickhof

21 maart 1958 Geboren in ­Amsterdam.

1970-1976 Atheneum A.

1976-1983 Culturele antropologie, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Utrecht en Universiteit van Bradford (UK). Afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam.

1984-1985 Omscholing tot videoprogrammamaker bij Migrantentelevisie Amsterdam.

1985-1986 Stage bij Ikon.

1986-1988 Freelancer voor Ikon, RVU en NOS.

1988 Vaste dienst NOS als bureauredacteur.

1992 Verslaggever NOS Journaal.

2009 Boek Met de tram door Amsterdam. In hetzelfde jaar publiceert hij Bestemming Bagdad, met dagboekaantekeningen die hij maakte tijdens de oorlog in Irak in 2003.

Eickhof heeft een relatie en een zoon.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden