ProfielGerda Blees

Gerda Blees schreef een roman over de woongroep die besloot niet meer te eten

Gerda Blees Beeld Valentina Vos

Hoe heeft het zover kunnen komen? Die vraag zette Gerda Blees aan tot het schrijven van haar debuutroman Wij zijn licht, het waargebeurde verhaal van een woongroep die besloot niet meer te eten. En de vrouw die daarbij omkwam. 

‘Klank en Liefde’ heet de woongroep waarom het draait in Gerda Blees’ schrijnende én geestige debuutroman Wij zijn licht. Eigenlijk mooier dan de naam van de échte woongroep in Utrecht waarop het boek is gebaseerd – ‘Contact en muziek’ klinkt daarbij vergeleken nogal houterig. Het voordeel van fictie, zegt de schrijver (35): ‘Je kunt de werkelijkheid fijn naar je hand zetten. En klank en liefde zijn mooie woorden, toch?’

In 2017 raakte Blees geïntrigeerd door een krantenbericht over de dood van een 62-jarige vrouw die samen met haar drie huisgenoten had besloten ‘voeding los te laten’ en te leven van licht en lucht. Ze overleed aan ondervoeding; wie het gebod der ademhalisten, de stroming waartoe het viertal zich rekende, al te serieus neemt, loopt dat risico. De andere drie – onmiskenbaar smokkelaars, want, hoewel broodmager, springlevend – werden door justitie verdacht van nalatigheid; hadden zij wel iets gedaan om haar dood te voorkomen?

Beeld Valentina Vos

In Wij zijn licht kruipt Blees in de hoofden van de betrokkenen (die ze, voor de goede orde, nooit werkelijk gesproken heeft). In dat van Melodie, de leidster van de groep en bovendien de zus van de overleden Elisabeth. Zij vindt dat het ‘allemaal héél mooi is gegaan’. In dat van Peter, een werkloze vrijgezel die in de woongroep geleerd heeft zijn woedeaanvallen te beheersen. En in dat van Muriël, die zichzelf in haar arrestantencel probeert te kalmeren met ‘voedende affirmaties’ (‘Alles wat ik nodig heb, is er al’), maar ondertussen wel de boterham met hagelslag die haar wordt aangereikt naar binnen propt. Zij is de enige die twijfelt: hebben ze wel het juiste gedaan?

‘Ik ben geïnteresseerd in dingen die extreem fout gaan’, antwoordt Blees opgewekt op de vraag waarom deze zaak haar greep. ‘Ik vroeg me af: hoe kon dit zo ontsporen? Ik woon zelf ook in een woongroep en ik kan me wel iets voorstellen bij de dynamiek in zo’n clubje mensen. De een is dominant, een ander te volgzaam – in dit geval tot de dood erop volgde. Ik kon me ook heel goed voorstellen dat de leider van de groep geen last van schuldgevoelens had. Zij vond juist dat ze haar zus heel goed had opgevangen in een moeilijke periode en er echt voor haar was geweest. Zo gaat dat nu eenmaal in de hoofden van mensen: we construeren allemaal een verhaal van gedane zaken waarmee we kunnen leven.’

Beeld Valentina Vos

Blees gebruikt in haar boek veel elementen uit de ware geschiedenis van het viertal. De voorvrouw van woongroep Contact en Muziek, Leonoor, houdt tot op de dag van vandaag een website bij waarop al hun wederwaardigheden zijn te lezen; die site heeft Gerda Blees gebruikt om inspiratie op te doen. Vandaar dat haar personages veelvuldig op bezoek gaan bij hun dementerende moeder – ook in werkelijkheid blogt Leonoor over haar moeder, die inmiddels op 87-jarige leeftijd in het verpleeghuis ‘aan een medicijnvergiftiging!!!’ is overleden. In het gedicht ‘Vaccineren is te keren’ op haar website schrijft Leonoor: ‘Laten we eindelijk toegeven dat dit niet verder mag gaan/ alle vaccinaties en pillen van de baan.’ Onder het kopje ‘Gezondheid’ zet ze haar ideeën over (niet) eten uiteen: ‘Na twee jaar rauwe voeding zijn we in mei 2014, na een 8 dagen proces met daarin drie dagen niet eten en drinken, verder gegaan met eten los te laten. Het is een inspirerend bewustwordingsproces om erachter te komen wat voeding fysiek, emotioneel, geestelijk en sociaal betekent.’ Een belangrijke rol in hun huishouden speelt de slowjuicer waarin ze sappen maken van zelfgeplukte brandnetels en bleekselderij – een gegeven dat Gerda Blees zo trof dat een heel hoofdstuk in haar boek vanuit het perspectief van de slowjuicer geschreven is.

Dat spel met perspectieven speelt een belangrijke rol in Wij zijn licht – ook de buren, het brood dat niet gegeten mag worden (want foute koolhydraten) en zelfs het verhaal zélf krijgen een stem, net als een paar sokken (‘Wij zijn natuurlijk maar sokken en de dood is niet onze specialiteit.’)

Wij zijn licht mag dan Gerda Blees’ eerste roman zijn, een beginner in de literatuur is ze niet. Eerder schreef ze de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet (2017) en de poëziebundel Dwaallichten (2018), allebei lovend ontvangen, en won ze, net als eerder Manon Uphoff en Arnon Grunberg, de Nieuw Proza Prijs. Voordat ze zich fulltime aan het schrijven ging wijden – hoewel: ze zit ook op de kunstacademie – gaf ze tien jaar lang les in onder andere communicatietechnieken op universiteiten. ‘Ik leef een beetje een omgekeerd leven’, lacht ze. ‘Toen ik een twintiger was had ik een vaste relatie en een vaste baan. Nu ben ik single, ik zit weer op school en ik woon met vier anderen in een woongroep met een gemeenschappelijke keuken en een schoonmaakrooster. We maken deel uit van een centraalwonencomplex met nog dertig huishoudens, met z’n allen verzorgen we een moestuin en kippen. Dat zorgt voor verbondenheid, dat vind ik heel fijn. Zeker nu we allemaal thuiszitten.’

Natuurlijk zijn er ook wel eens irritaties. ‘Laatst was ik ziek en toen vond ik dat een huisgenoot mij te weinig kwam helpen, niet aanbood om boodschappen te doen, bijvoorbeeld. Maar toen heb ik op hem gemediteerd en kreeg ik het inzicht dat hij niet aan mijn neus kon zien dat ik hulp nodig had. Dat heeft dan meteen een kalmerend effect; ik heb hem daarna gewoon om hulp gevraagd.’

Inderdaad, zegt Blees: ze is zelf ook niet wars van spiritualiteit, net als haar personages – het verklaart waarom ze het wereldje met zijn voedende affirmaties, bachbloesemdruppels en Genoeg, tijdschrift voor consuminderen zo feilloos weet te vangen. ‘Toen ik een jaar of 18 was las ik veel spirituele boeken van de ouders van mijn toenmalige vriendje. Toen het jaren later uitging, ben ik er een tijdje juist helemaal op afgeknapt geweest. Het credo dat ‘alles goed is zoals het is’ zorgde ervoor dat ik veel te veel geaccepteerd had. Soms zijn dingen níét goed zoals ze zijn.’

Zoals de eetstoornissen bijvoorbeeld die ook in haar eerdere werk al een rol speelden; in Aan doodgaan dachten we niet schrijft ze over een meisje met anorexia. ‘Niet eten vind ik interessant omdat het de ultieme ontkenning is van… ja, van alles eigenlijk, van je lichaam, van je behoeften, van de realiteit. Bij mij is het eerder andersom: ik eet om tot mezelf te komen. Ik heb wel vorig jaar, omdat ik veel last van buikpijn had, een streng dieet gevolgd waarbij je geen fermenteerbare koolhydraten mag: geen melk, geen brood geen peulvruchten, geen appels, peren en perziken, je mag meer níét dan wél. Het heeft overigens niet geholpen. Ik werd er alleen maar chagrijnig van.’

Toch heeft ze niet alle alternatieve leefregels afgezworen. ‘Ik ben beginnend boeddhist. Dat komt er voornamelijk op neer dat je vriendelijk tegen anderen bent, los van of je diegene aardig vindt of niet. En tegelijkertijd vind ik het leuk, ja, om de draak te steken met spiritualiteit, zeker als het zo uit de hand loopt als in de woongroep Klank en Liefde. Maar ik steek ook graag de draak met mezelf.’

Beeld Valentina Vos
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden