Essay Het einde van de brief

Genomineerd voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2018: ‘Het einde van de brief’, van Ianthe Mosselman

Dit is ‘Het einde van de brief’ van Ianthe Mosselman, een van de genomineerden voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2018.

Download het winnende essay en vijf genomineerde hier als e-book

Het essay van Jilt Jorritsma dat bekroond is met de Joost Zwagerman Essayprijs 2018 en vijf van de genomineerde essays zijn ook te lezen als speciaal vormgegeven e-book. Dat is hier te downloaden . Uitleg over hoe dat e-book op uw e-reaer te zetten is hierhier of hier te vinden.

Wie liever de pdf leest, kan die hier downloaden. 

Tante Nel was dood, of eigenlijk was ze niet mijn tante Nel, maar de tante van mijn moeder. Ze had als jongste zus het langst geleefd. We hadden oudtante Nel begraven, alleen het bestaan van haar huis maakte duidelijk dat ze niet zo lang geleden nog onder ons was.

Ik denk dat Nel last had van de oorlog, mijn moeder zei echter dat ze de koopjes en aanbiedingen niet kon weerstaan. In laatjes vonden we tandenborstels, schroefjes, spiegeltjes en kraaltjes, multipakken zakdoeken en thee die houdbaar was tot en met september 2003. In de auto, op weg naar haar huis in Dordrecht, om die spullen op te ruimen, vertelde mijn moeder dat ze ook brieven gevonden had. Stapels brieven van oudtante Nel aan opa over vakanties, kinderen, huwelijken en relaties. Relaties die niet altijd even makkelijk waren geweest tussen de leden van mijn familie. Al ken ik weinig families waarbij dat wel het geval is. De brieven van oudtante Nel schetsten een beeld van haar wat ik nog niet kende.

Enkele dagen voordat we naar het huis van Nel reden, had ik me zorgen gemaakt. Zorgen over schrijven, tijd die ik altijd tekort leek te komen en of ik alles niet oneindig veel moeilijker zou maken door zwanger te worden. Zodoende was ik op zoek geweest naar iets moois en verheffends en begonnen met het lezen van Letters to Véra, een verzameling brieven van schrijver Vladimir Nabokov aan zijn vrouw Véra Slonim. De twee zijn zelden lang van elkaar gescheiden, maar als het dan toch gebeurt, dan schrijft hij haar honderden brieven. Als het in 1926 niet goed gaat met Slonim, omdat ze lijdt aan angsten en depressies, probeert ze beter te worden in een sanatorium in het Schwarzwald. Nabokov schrijft haar vrijwel elke dag. Hij vertelt haar in zijn brieven nauwgezet wat hij meemaakt, van de extreme aanval van psoriasis en een voedselvergiftiging tot het zien van een Siamese kat en hoe hij wacht op haar brief, die maar niet lijkt te komen. Schrijver en essayist Martin Amis schrijft in de New York Times over Letters to Vera dat Nabokov probeert Slonim op te vrolijken. Hij probeert haar weer gezond te maken door haar zo veel mogelijk lief te hebben. Amis schrijft: “He endeavored not only to raise her spirits […] but also to love her back to health.” De omschrijving van Amis is vele malen aangrijpender dan mijn vertaling. Ik vind de zin van Amis bijna onvertaalbaar mooi. Hij laat zien hoe krachtig en ontroerend woorden kunnen zijn. Ik denk dat iedereen wel met iemand wil zijn ‘who would love them back to health’. Wat Amis schrijft is hartbrekend, juist vanwege dat ‘back to’, ‘terug naar’. Het is een zin die beelden oproept bij mij, de lezer. Het is alsof Slonim de Styx al is overgestoken en Nabokov als Orpheus haar probeert terug te halen.

Ook de woorden van Nabokov ontroeren met grote regelmaat, onder andere door zijn beschrijvingen en zijn beeldende taalgebruik, hij richt zich tot Slonim met de volgende woorden: “Yes, I need you, my fairy-tale. Because you are the only person I can talk with about the shade of a cloud, about the song of a thought — and about how, when I went out to work today and looked a tall sunflower in the face, it smiled at me with all of its seeds.” Het zou kunnen dat Nabokov tijdens ontmoetingen met Slomin op dezelfde wijze met haar sprak, maar zijn observaties lenen zich het beste voor brieven aan haar. Hij vat ontzettend precies in taal wat hij bedoelt. Dit komt onder andere doordat zijn lange beschrijvingen niet onderbroken worden, bijvoorbeeld door iemand die iets zegt of doordat hij wordt afgeleid door Slonims gezichtsuitdrukking. Hij kan lang achter elkaar vrij associëren, op het geschrevene reflecteren en tegelijkertijd de wereld om hem heen en het effect van de taal observeren. Bij Nabokov is de brief een vrijplaats voor gedachten, een haven voor reflecties.

Tijdens het lezen van zijn brieven vroeg ik me af wat er aan mijn leven en het leven van mijn naasten ontbreekt, nu we elkaar geen brieven meer schrijven. Wat er aan informatie verloren gaat. Dat brieven een schat aan informatie en precisie bevatten, wist Nabokov ook: “And I know: I can’t tell you anything in words — and when I do on the phone then it comes out completely wrong. Because with you one needs to talk wonderfully, the way we talk with people long gone… in terms of purity and lightness and spiritual precision… You can be bruised by an ugly diminutive — because you are so absolutely resonant — like seawater, my lovely.”

De brieven van Nabokov zijn literatuur op zich, net zoals de brieven die Vincent van Gogh schreef waarin hij zijn kunst overdenkt. Ze laten ons kijken in de ziel van de kunstenaar. We leren de kunstenaars beter kennen, doordat we hun brieven kunnen lezen. Hun brieven bieden ons meer nog dan hun werk soms inzichten in wie zij waren. Ik vraag me af wat mensen later over schrijvers en kunstenaars van nu zullen weten en wat zij zullen weten over onze tijd. Er zal een ongeëvenaard grote hoeveelheid materiaal zijn, waarvan het gros natuurlijk van veel mindere kwaliteit is dan de brieven van Nabokov of Van Gogh. Wij sturen platte berichten via whatsapp, zonder reflectie of tweede lagen. Zullen de mensen in de toekomst die whatsappgesprekken bundelen, een bloemlezing maken van onze e-mails? Zouden we dan vlak overkomen, simpeler misschien ook wel, dan de briefschrijvers van vroeger? Omdat bij ons het bloemrijke taalgebruik, de uitgebreide omschrijvingen, de observaties, overwegingen, reflecties ontbreken?

Ik kan me de laatste keer dat ik een persoonlijke brief schreef en deze op de post deed niet herinneren. Misschien was het een brief aan een van mijn penvriendinnen in Engeland, die ik schreef toen ik tien jaar oud was. Al mijn communicatie, buiten fysieke ontmoetingen om, verloopt via social media, e-mail of telefoongesprekken. De lange whatsappberichten die mijn vriend en ik elkaar aan het begin van onze relatie schreven, die misschien nog wel enigszins op brieven leken, zijn verworden tot berichten over wie er vanavond kaartjes voor de film bestelt. Een tijdje terug appte ik hem een foto van een ovulatietest met daaronder de tekst: ‘Nog altijd geen eisprong. Toch maar dokter maandag.’ In een brief had ik hem misschien wel geschreven hoe moe ik werd van het telkens maar weer over een stukje plastic plassen. Of hoe bang ik was dat mijn eisprong na de miskraam nooit meer terug zou keren. Over wat het eigenlijk betekende, die miskraam en het feit dat we nu al acht maanden probeerden om een baby te maken, maar dat het nog altijd niet gelukt was. Dat ik bang was dat het mijn schuld was, omdat ik te veel stress had, niet gezond genoeg at, te veel had gedronken of vroeger te vaak de morningafterpil had geslikt. Hij zou hierop uitgebreid terugschrijven en in zijn brief proberen mijn angsten weg te nemen. Uitgebreider dan als we elkaar zouden zien. Als hij mij zou zien, dan zou hij zeggen dat het allemaal wel goed zou komen, maar niet veel meer dan dat. Hij zou me troosten door een arm om me heen te leggen, door me stevig vast te houden. In een brief zou hij, vanwege het gebrek aan fysieke nabijheid, alles wat hij normaal met zijn lichaam zou doen moeten vangen in woorden. Dit zou de lezers later, onze kleinkinderen misschien, een beeld geven van onze relatie, maar nog meer dan dat. Ze zouden weten hoe het was voor mij toen, kinderen proberen te krijgen, en daardoor misschien ook wel hoe het was voor vrouwen uit onze tijd. Ze zouden weten met welke angsten en welk ongemak het gepaard ging en waarschijnlijk ook wel opmerken dat het toch behoorlijk onprettig was, dat gedoe met bakjes urine en die ovulatietesten en hoe vrouwonvriendelijk die anticonceptiepil was, met zijn vervelende late bijwerkingen.

Nog veel langer geleden, ver voor de brieven van Nabokov en voor mijn foto’s met onderschrift, schreef Plutarchus zijn vrouw Timoxena een troostbrief na de dood van hun dochter. Een brief waaruit zijn vrouw zowel steun als kracht kon halen. Een brief waarvan ik me kan voorstellen dat ze hem telkens weer gelezen heeft op momenten dat het verdriet haar te veel werd. Hij beschrijft hoe bijzonder hun dochter was en vervolgens: “We moeten niet bij de pakken neer zitten dus riskeren dat ons verweten wordt al het plezier dat ons geschonken is, te vergelden met overmatige smart”. Het schrijven van een troostbrief was een kunst. Een kunst die wij verloren zijn, terwijl sommige momenten nog altijd vragen om deze kunst. Ik had haar graag beheerst toen de vader van een van mijn vriendinnen overleed. Als het schrijven van een troostbrief nog gangbaar was geweest, verviel ik vast minder in platitudes dan nu, zoals “Ik leef met je mee en wens je veel sterkte in deze moeilijke periode”. Gelukkig ben ik niet de enige die het gevoel heeft in platitudes te vervallen, die niet weet wat hij moet sms’en of op zo’n lelijke rouwkaart moet schrijven. Op internet vind je talloze websites en fora die een antwoord geven op de vraag: “Wat schrijf ik op een rouwkaart?” Met een persoonlijk geschreven troostbrief zou ik mijn medeleven beter kunnen verwoorden en zou ik werkelijk iets kunnen bijdragen aan het verwerken van het verdriet van mijn vriendin. Toch voelde ik een zekere gêne om me te onttrekken aan wat nu gangbaar is en me te wijden aan een troostbrief. De gedachte dat mijn vriendin hier niet op zat te wachten en dat ik hiermee uit de toon zou vallen, belette dat ik werkelijk ging schrijven.

Waar ik me in berichten die ik met mijn telefoon stuur, primair richt tot de ander, nodigt een brief die ik aan de ander schrijf ook uit tot een gesprek met mezelf, waarin de mogelijkheid bestaat om te reflecteren op wat ik schrijf. Schrijven is denken. In principe zou dit met de sms-berichten ook mogelijk moeten zijn, maar de snelheid waarmee we berichten sturen en bovendien een reactie verwachten, verhindert dit. In de briefroman Riskante Relaties van Pierre Choderlos de Laclos schrijft de marquise de Merteuil een woedende brief aan Valmont. Ze waren geliefden, maar zijn inmiddels vrienden. Ze dagen elkaar uit en geven elkaar goede raad. Valmont besluit echter de goede raad van de marquise in de wind te slaan. Hierdoor voelt ze zich gigantisch geschoffeerd. Hij schrijft haar niet boos terug, maar legt haar in een brief uitgebreid uit waarom hij handelt hoe hij handelt. Hij maakt duidelijk dat hij haar punt begrijpt, maar ook waarom hij haar raad niet kan opvolgen. Hoe anders zou deze uitwisseling verlopen zijn via de whatsapp? Waar een directe reactie vereist wordt en alle ruimte voor even ademhalen ontbreekt. Niet alleen het schrijven van de brief neemt tijd in beslag, omdat je het hele verhaal in één keer wilt vertellen, ook het pakken van pen en papier, de brief in een envelop doen, het opplakken van de postzegel en de gang naar de brievenbus, al deze bezigheden kosten tijd. Tijd waarin de woede misschien wel zakt en waarin je begrijpt dat ook jij je dingen misschien wel anders voorstelt dan ze zijn. Niet alleen is de brief een ruimte voor reflectie, de brief is vaak een gedachte, met weldoordachte emotie.

Inmiddels ben ik zwanger, acht weken en vijf dagen. Ik heb het hartje van de baby, die nu nog geen baby maar een foetus is, zien kloppen op de echo. Mijn oude zorgen zijn verruild voor nieuwe, die vaak beginnen met ‘wat als de baby’ en aan te vullen zijn met ‘altijd huilt, ongelukkig is, klem komt te zitten tijdens de bevalling’. Ik maak me zorgen of ik wel zal blijven schrijven. Of ik net als de mannelijke schrijvers die ik in dit essay noem, tijd zal nemen om observaties en reflecties te vatten in taal. Of ik in mijn nieuwe gezin ruimte durf op te eisen om te schrijven. Of dat ik me daar zo schuldig over zal voelen, dat ik het niet zal doen, omdat ik het idee, dat mijn kind altijd op de eerste plek hoort te komen, maar niet kan loslaten.

Ik heb daarom besloten dat ik de baby zal schrijven, brieven met observaties en gedachten die ik heb terwijl het lijfje langzaam groeit, die hij of zij hopelijk ooit zal lezen, waardoor hij of zij mij weer opnieuw leert kennen en hopelijk zelfs mijn drijfveren een beetje beter begrijpt. Ik zal het kind brieven schrijven, waarin ik zo eerlijk mogelijk zal proberen te zijn. Brieven die het kind hopelijk soms opvrolijken, maar ook tegemoetkomen aan mijn eigen wens om gekend te worden. Brieven die hij of zij hopelijk pas op een wat latere leeftijd zal lezen, brieven waardoor hij of zij dingen in perspectief ziet, brieven waardoor hij of zij kan vergeven.

Ianthe Mosselman (1989) studeerde Nederlands en Comparatieve Neerlandistiek in Amsterdam en Berlijn. Ze interviewt, modereert en maakt programma’s over kunst, literatuur en cultuur bij De Balie.

‘Ik heb álles, dacht ik met Joost. De liefde van mijn leven, het grote geluk. Ik had alles, en opeens was het weg’
Maaike Pereboom (39) woonde samen met Joost Zwagerman in Haarlem toen de schrijver, die zwaar depressief was, op 8 september 2015 overleed. Lees het interview met haar, dat werd gepubliceerd in oktober, terug. ‘Joost is dood en dat zal altijd verschrikkelijk blijven. Maar ik ben er nog’ 

MEER ESSAYS

Winnaar Joost Zwagerman Essayprijs 2018: ‘Onthoofd’, van Jilt Jorritsma

Genomineerden:

‘Ik had eens twee meisjes’ van Nicole Kaandorp

‘De terugkeer van de kitsch’ van Sjoerd van Hoorn

‘Het kermen van de bomen’ van Hannah de Vries

‘Serendipiteit van bananenbrood en sterrenstof’ van Yousra Benfquih

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.