Essay De terugkeer van de kitsch

Genomineerd voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2018: ‘De terugkeer van de kitsch’, van Sjoerd van Hoorn

Dit is ‘De terugkeer van de kitsch’ van Sjoerd van Hoorn, een van de genomineerden voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2018.

Download het winnende essay en vijf genomineerde hier als e-book

Het essay van Jilt Jorritsma dat bekroond is met de Joost Zwagerman Essayprijs 2018 en vijf van de genomineerde essays zijn ook te lezen als speciaal vormgegeven e-book. Dat is hier te downloaden . Uitleg over hoe dat e-book op uw e-reaer te zetten is hierhier of hier te vinden.

Wie liever de pdf leest, kan die hier downloaden. 

In zijn roman L’homme surnuméraire, een satire op het door politiek correct denken geregeerde Franse literaire leven van vandaag de dag, voert Patrice Jean de jonge redacteur Clément op. Clément werkt tegen zijn zin aan het fonds Littérature humaniste bij uitgeverij Gilbert Langlois. Deze ‘humanistische literatuur’ bestaat uit literaire klassieken die ‘ne sont plus du tout en phase avec les valeurs de notre societé, et sont même en opposition totale avec elles’. Een schrijver als Friedrich Nietzsche, die spreekt van het blonde beest als een nastrevenswaardig ideaal, zegt iets dat natuurlijk niet meer van deze tijd is. Toch wil uitgeverij Langlois de klassieken de hedendaagse lezer niet onthouden – dus dienen de aanstootgevende passages te worden herschreven of geschrapt. Céline’s Voyage au bout de la nuit vraagt om nogal wat schrapwerk: van de roman van meer dan zeshonderd bladzijden blijft zonder de scabreuze, racistische, seksistische en anderszins foute passages een cahier van twintig pagina’s over, dat een groot verkoopsucces blijkt.

In het ‘humanistische’ literaire klimaat van het Frankrijk dat Patrice Jean messcherp portretteert, is geen plaats voor wat niet van deze tijd is; alles wat niet rijmt met onze waarden dient te verdwijnen. Het fonds ‘humanistische literatuur’ komt neer op een damnatio memoriae, de Romeinse straf waarbij iemands naam letterlijk geschrapt werd van officiële documenten en weggebeiteld van monumenten. Het is een straf die ook populair was in de Sovjet-Unie van Stalin: de beeltenis van partijleden die in ongenade waren gevallen werd weggeretoucheerd van foto’s en films en de geschiedenis van de revolutie werd herschreven zonder hen erin. Dit ging zover dat er een grap de ronde deed die luidde dat alles vaststond, behalve het verleden van de Sovjet-Unie.

In de roman van Jean zijn het geen overwegingen van macht die de aanleiding vormen voor de zachte censuur van uitgeverij Gilbert Langlois. Langlois’ motief is moreel: hij wil de lezers behoeden voor schadelijke ideeën. Daarbij gaat het niet alleen om foute meningen over actuele kwesties, het gaat om de foute mening tout court. Alle gedachten van alle tijden die niet ‘en phase avec les valeurs de notre societé’ zijn, zijn ipso facto ongewenst. De uitgeverij herschrijft de klassieken zodat zij allemaal hetzelfde wereldbeeld uitdragen.

Jean maakt een karikatuur van de hedendaagse mores, maar zoals alle rake karikaturen doet ook deze een waarheid oplichten over wat hij afbeeldt. De stap van de fictieve herschrijving van Nietzsche en Céline naar de al te werkelijke verwijdering van de hedendaagse moreel onwelgevallige standbeelden, onderschriften bij schilderijen (de Nederlandse musea zijn ontdaan van ‘negers’) en straatnamen is maar klein.

Helemaal fictief is het herschrijven van klassieken trouwens evenmin: aanstootgevend geachte benamingen worden verwijderd uit kinderboeken en van de literaire canon heet het dat er maar eens wat ‘witte mannen’ uit moesten verdwijnen ten faveure van vrouwen en ‘mensen van kleur’. Dat het een feit is dat de meeste invloedrijke boeken in de literatuurgeschiedenis geschreven zijn door blanke mannen is des te erger voor de feiten, want deze zullen te allen tijde moeten wijken voor het ideaal. De openbare omgang met cultuur staat geheel in het teken van een soort zuiverheid – een zuiverheid waarin het sneeuwwit van ooit is vervangen door alle kleuren van de regenboog.

In de nieuwe regenboogwereld van de diversiteit is iedereen gelijk en gelijkwaardig, iedereen kan zichzelf zijn en niemand beledigt er nog een ander. Alles is er klimaat- en genderneutraal. De maatschappij is volstrekt horizontaal en alle culturen en idiosyncrasieën bestaan naast elkaar in volmaakte harmonie.

Het is de wereld van het feminisme, het ecologisme en vooral van de diversiteit. Het is een mooi idee natuurlijk, die universele harmonie – te mooi om waar te zijn.

Dat dit ideaal interne breuklijnen vertoont die bij het kleinste beetje druk open zullen splijten – want hoe is de levenswijze van een traditionele hindoe of moslim te verenigen met feminisme, egalitarisme en vegetarisme, hoe de rechten van het kind met abortus? – zien we echter liever niet onder ogen en als we dat wel moeten doen, bedekken we de scheuren in het ideaal met de mantel der liefde. Het is bijvoorbeeld een feit dat een toename aan diversiteit binnen een onderwijsinstelling, een institutie of een samenleving als geheel niet (steeds) leidt tot meer economische groei maar wel tot toenemende spanningen, afnemende sociale cohesie en een toenemend gevoel van onveiligheid, zoals de WRR onlangs argumenteerde in haar rapport De nieuwe verscheidenheid, en zoals sociologen Stanley Rothman, Seymour Martin Lipsett en Neil Nevitte al in 2003 aantoonden in hun paper ‘Does enrollment diversity improve university education?’ met betrekking tot het Amerikaanse hoger onderwijs. Maar dit wordt veelal genegeerd door de evangelisten van de diversiteit.

De vraag is wat het zegt over onze cultuur dat literatuur, geschiedenis en de benadering van maatschappelijke vraagstukken alleen nog door de bril van het diversiteitsideaal en verwante ideologieën bekeken lijken te kunnen worden.

Mijn inziens is een interessant antwoord op mijn vraag te vinden in de ontwikkeling van een begrip uit de esthetica, namelijk de kitsch.

Bij kitsch denken we in eerste instantie aan tekenfilms van Disney, aan tuinkabouters, de Efteling, All you need is love, veel Nederlandstalige muziek, het Songfestival, Prides, de jacuzziwereld van de hip-hop en last but not least, het ‘christelijke’ spektakel The Passion, waarin het lijdensverhaal van Jezus Christus wordt naverteld – hertaald is eigenlijk een beter woord – in glansdecor, door hits croonende Bekende Nederlanders. Hele volksstammen genieten onbekommerd van deze wansmaak en ook de journalistiek lijkt het allemaal mooi te vinden – en dat zonder de ironie van de camp, zonder welke het nog in de jaren negentig onacceptabel zou zijn geweest om van kitsch te genieten. Kitsch is terug en wel zonder ironie, zoals de ironie eigenlijk überhaupt lijkt te zijn verdwenen uit een land waar getetter op Twitter bloedige ernst is en waar de snapchattende jeugd meer chat dan snapt: ironie vereist immers gevoel voor verhoudingen en een zekere algemene ontwikkeling, die je nu eenmaal niet al googelend op je iPad kunt opdoen. Eenzelfde fenomeen zien we in de mode van het hyperrealisme in de beeldende kunst. Hyperrealisme beeldt de dingen niet af zoals ze zijn, het beeldt ze af met een glanslaagje, in buitenproportioneel formaat of kleur – Madame Tussaud in het museum.

Bij kitsch gaat het vaak om wansmaak en om de afwezigheid van ironie (vaak maar niet altijd, het werk van Koons was altijd ironisch, maar was het eigenlijk ook geen kitsch?), maar met het noemen van deze verschijnselen is kitsch toch nog niet afdoende gekenschetst. Om te zien wat kitsch in wezen is, wend ik me tot het werk van twee 20ste-eeuwse Midden-Europese schrijvers, Milan Kundera en Hermann Broch.

In zijn essayistische roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan komt Kundera met een reeks karakteriseringen van kitsch waarvan deze de meest kernachtige is: kitsch is de weigering van de stront. De kitsch wil de vuiligheid van de mens niet onder ogen zien. Dat moeten we letterlijk nemen, het aantal Hollywoodfilms waarin de personages poepen is op een hand te tellen, maar zeker ook figuurlijk. Kitsch beeldt een ideaal af en het is niet de bedoeling dat de werkelijkheid met zijn shit het feestje komt verpesten.

Een van de vormen van kitsch die Kundera beschrijft, is die van wat hij noemt de Grote Mars Voorwaarts: ‘De politieke kitsch die linkse mensen van alle tijden en richtingen samenbindt. De Grote Mars, dat is de schitterende weg voorwaarts, de weg naar broederschap, gelijkheid, rechtvaardigheid, geluk en nog verder, over alle hindernissen heen […].’ Maar is er dan niet een groot verschil binnen het linkse kamp? Misschien, maar: ‘Wat linkse mensen links maakt is niet de ene of de andere theorie, maar hun vermogen welke theorie dan ook te integreren in de kitsch van zogenaamde Grote Mars Voorwaarts.’

Met een beetje fantasie herkennen we in dit citaat ook het links van vandaag de dag terug: wat Groen Links en zelfs D66 verenigt met de oude CPN en de nieuwe SP, is het idee dat er een mooie nieuwe wereld op ons wacht als we maar afrekenen met racisme, neoliberalisme, white privilege, genderongelijkheid, homofobie en de andere hang-ups du jour. Het bereiken van de blije nieuwe regenboogwereld is maar een kwestie van goede wil en dapper weerstand bieden aan de conservatieven, de kapitalisten, de oude politiek, de achterkamertjes – en vooral de wortel van alle kwaad: de heteroseksuele ‘witte man’.

Kitsch, ook de kitsch van links, is funest omdat het op arglistige en perverse wijze reflexief is: ‘Kitsch wekt achter elkaar twee tranen van ontroering. De eerste traan zegt: wat mooi, kinderen die over het grasveld rennen! De tweede traan zegt: wat mooi om samen met het hele mensdom ontroerd te zijn door kinderen die over het grasveld rennen! De tweede traan maakt kitsch pas tot kitsch.’ Kitsch is dus niet alleen ontroerd door wat het ontroerend vindt, de herdenking bij het slavernijmonument, of, zoals recent bij de aankondiging van het Boekenweekthema, de eensgezinde verontwaardiging bij de ontdekking van een of andere vermeende genderongelijkheid; links is vooral ontroerd door zijn eigen eensgezinde ontroering: wat zijn wij linkse mensen toch goed en moreel superieur dat we ons hier druk over maken, dat we onze eigen ‘witte vooroordelen’ herkennen en dat we open brieven schrijven naar NRC Handelsblad. Ontdekten de arme misleide PVV- en FvD-stemmers maar dat wij en niet hun perfide leiders de echte democraten en de ware vernieuwers zijn. Laten we de volgende keer de De Feiten beter uitleggen.

Het logische principe achter de kitsch wordt in het midden gelaten in de sardonische schetsen van Milan Kundera, maar zo’n halve eeuw voor hij zijn Ondraaglijke lichtheid van het bestaan schreef werden deze beginselen uit de doeken gedaan door iemand wiens romans Kundera diepgaand beïnvloed hebben, namelijk de Oostenrijkse schrijver en filosoof Hermann Broch.

De schrijver van romans als Die Schlafwandler en Der Tod des Vergils was ook de auteur van een filosofisch oeuvre, waaronder twee essays waarin de kitsch een cruciale rol speelt. In het essay Einige Bemerkungen zum Problem des Kitsches en eerder in de verhandeling Das Böse im Wertsystem der Kunst, werkt Broch het idee uit dat de kitsch de belichaming van het kwaad in de kunst is, omdat de kitsch vals is. In de kitsch is alles onecht, het gaat de voortbrenger van kitsch namelijk niet om het adequaat weergeven van wat hij afbeeldt of representeert, maar om het maken van een mooi plaatje. De ethisch werkende kunstenaar doet zijn best om een zo goed mogelijke vorm te vinden voor wat hij wil zeggen of tonen. Het goede in de kunst bestaat dus uit waarachtigheid. De maker van kitsch daarentegen, bedenkt wat mooi zou zijn op grond van een vooraf gegeven en dus versteend ideaal: ‘Kitsch ist die Bösartigkeit einer allgemeinen Lebensheuchelei, verirrt in einem ungeheuren Gefühls- und Konvenügestrüpp’, schrijft Broch in Einige Bemerkungen zum Problem des Kitsches. Met enorm maar clichématig drama, dat alleen is gebaseerd op imitatie van vooraf gegeven vormen, is de kitsch het kwaad omdat het op een huichelachtig leven is gebaseerd. De kitsch in de kunst is het voortbrengsel van de kitschmens, dat wil zeggen iemand die de hemel op aarde tot stand brengen wil.

Volgens Hermann Broch is de kitsch de verwording van de romantiek die niet meer wenst te reiken naar het transcendente via een bemiddelaar – daarvan had het Europese (of in ieder geval het Duitse) denken al afscheid genomen ten tijde van de reformatie –, maar die zelf de hemel op aarde tot stand wil brengen, zoals het ideaal van de romantische liefde volgens Broch zowel de stabiliteit en de trouw van de monogamie wil, als de onophoudelijke extase van de hartstochtelijke liefde. De kitsch wenst zich, in tegenstelling tot de romantiek, niet meer tevreden te stellen met het gegeven dat waarheid, schoonheid en ultiem geluk Platonische waarden zijn die het menselijk handelen op z’n best asymptotisch nadert, maar nooit helemaal zal bereiken. De kitsch wenst zich niets aan te trekken van de weerbarstige werkelijkheid, maar het geeft de toeschouwer niets dan plaatjes die hij al kent.

Om het diversiteitsideaal, de hedendaagse kunst en het nieuwe geloof van de EO als kitsch te begrijpen, volstaat Brochs idee dat de kitsch zich altijd op het oude beroept niet geheel. Deze nieuwe idealen doen immers nadrukkelijk een beroep op het nieuwe. Het zijn ideeën die helemaal van deze tijd zijn. Daar Broch echter stelt dat de kitsch is gebaseerd op het imiteren van de vooraf gegeven vormen van een ideaal, is zijn analyse ons toch van nut.

De auteurs van een recent boek over hoe musea dienen te spreken over de artefacten van minderheden die er zich bevinden bijvoorbeeld bieden een lexicon van politiek correcte uitdrukkingen als ‘mensen van kleur’ op basis van het vooraf gegeven ideaal dat er een duidelijk en eenzinnig vocabularium te maken is, dat universele empathie en harmonie zal bewerkstelligen tussen de verschillende (om niet te zeggen, diverse) groepen bezoekers van de bedoelde musea. Hun boek is een exercitie in lexicale kitsch. Er wordt niet nagedacht over een ware representatie van de historische en antropologische werkelijkheid, er wordt een ideale werkelijkheid van universele harmonie geprojecteerd op basis waarvan een bijbehorend woordenboek wordt gemaakt. Geen spoor van een vermoeden dat de wereldgeschiedenis een tragisch en ingewikkeld gebeuren is en geen manicheïsche strijd tussen het kwaad van de kolonialistische Westerse geschiedenis en het goed van het hedendaagse diversiteitsideaal. Was de afschaffing van de weduwenverbranding in Brits India een slechte zaak? Was de massamoord op communisten onder het bewind van Soeharto in Indonesië een goede zaak?

De droom van de blije nieuwe regenboogwereld is de projectie van een ideaal dat zich niets wenst aan te trekken van de tragiek en de complexiteit van het leven. Deze projectie is net zozeer een kitscherige imitatie van een vooraf gegeven ideaal als illusies over het verleden dat waren.

De gedachte die ik terugvind bij Broch en Kundera alsook bij Patrice Jean is een gedachte die kernachtig is verwoord door Isaiah Berlin. Berlin stond een waardenpluralisme voor, het idee dat er meerdere zaken zijn die goed zijn, onder welke er geen eenduidige hiërarchie bestaat, maar die allemaal uiteindelijke en vaststaande waarden vertegenwoordigen. Het radicale van Berlins idee is dat de ethiek en de politiek domeinen van het tragische zijn. Mijn keuzes zijn soms niet zozeer keuzes tussen goed en kwaad, als wel tussen twee goeden of tussen een kwaad en een minder kwaad.

De kitsch bestaat erin te doen alsof dergelijke keuzes te vermijden zijn, alsof er aan het einde van de Grote Mars Voorwaarts, aan het einde van de regenboog een harmonieuze toekomst wacht die we zullen verwerkelijken als we ons nu maar helemaal zonder terughoudendheid wijden aan een gegeven ideaal.

De kitsch die de vernietiging van taal en traditie eist, die oude instituties wil afbreken om ze te vervangen door bouwsels die niet meer fundering hebben dan de grieven waar ze uit voortkomen – of dat nu om oude godsdienstige rituelen gaat of om klassieke curricula in het onderwijs, het museum of het muziekgebouw – weigert de tragische kant van het maken van praktische keuzes onder ogen te zien en loopt daarom verblind door zijn googlebril het ravijn van de cultuurloosheid in, waar hij niets zal aantreffen dan de ruïnes van een halfvergeten popcultuur die niemand meer helemaal begrijpt en die sowieso niet meer bood dan de efemere waarden van het festival.

Het is een triest misverstand dat de popcultuur de canon kan vervangen: de muziek uit de jaren negentig is nu al niet meer dan een trip down memory lane voor nostalgische veertigers, terwijl de toneelstukken van Aeschylos, Shakespeare en Racine, de romans van Tolstoj en Proust, de gedichten van Homerus, Ovidius, Dante, Emily Dickinson, Baudelaire en J.H. Leopold al gelezen werden voor onze ouders bestonden en nog gelezen zullen worden als wij er niet meer zijn, als wij tenminste de fragiele band die tussen de doden en de ongeborenen bestaat en die wij nu in onze handen hebben niet ten prooi laten vallen aan de nietsontziende sloopkogels van de ‘onderwijsvernieuwing’ en het ‘diverser maken van de canon’, zo’n beetje de grootste culturele rampen die West-Europa sinds de reformatie over zichzelf heeft afgeroepen, omdat ze niets anders betekenen dan het verbreken van de banden met de oudheid en de middeleeuwen die onze cultuur al duizenden jaren onveranderlijk maar in al hun variaties bepalen.

Wat we nodig hebben is een hernieuwd besef van het feit dat de wereld van de waarden en de waarde van de wereld niet is begonnen op onze 18de verjaardag en ook niet in 1968. We moeten af van het idee dat wat niet van deze tijd is of heet te zijn ipso facto minderwaardig is en dat we de wereld opnieuw moeten ontwerpen en vormgeven aan de hand van een courant ideaal.

Dat betekent niet dat een onproblematische terugkeer naar een wereld waarin een eeuwige door God gegeven hiërarchische orde mogelijk is. Het beeld van een terugkeer van the great chain of being is zelf ook kitsch. Het is illusoir om te denken dat we weer thuis zouden kunnen zijn in een herbetoverde wereld waarin alles en iedereen zijn plaats heeft als in een romantische voorstelling van het dagelijks leven in de middeleeuwen.

De keuze waar we voor staan is geen keuze tussen de ene soort kitsch of de andere. Waar deze tijd om vraagt is de ontnuchtering van het tragisch besef, een weten dat zich rekenschap geeft van het feit dat twee of meer wenselijke zaken lang niet altijd verenigbaar zijn. Het ene goed is vaak in tegenspraak met het andere en kiezen is verliezen – een noodzakelijk verliezen.

De alomvattende ketting van het zijn is gebroken, de droom van de grote mars voorwaarts is de nachtmerrie gebleken van de waan dat de tocht naar het paradijs de beschaving in puinhopen moet achterlaten. Willen we onze cultuur bewaren dan zullen we dat moeten doen in het besef dat we niet het leed van de wereld op onze schouders kunnen nemen, maar dat we leven in een onvolmaakte wereld, bijgelicht door het beetje schoonheid dat de muziek, de kunst en de literatuur uit het slijk van de geschiedenis hebben gepuurd.

Sjoerd van Hoorn (1973) heeft filosofie gestudeerd in Nijmegen. Hij schrijft essays en gedichten, is geïnteresseerd in Franse literatuur en in schilderkunst. Hij woont in een klein Gelders dorpje.

‘Ik heb álles, dacht ik met Joost. De liefde van mijn leven, het grote geluk. Ik had alles, en opeens was het weg’
Maaike Pereboom (39) woonde samen met Joost Zwagerman in Haarlem toen de schrijver, die zwaar depressief was, op 8 september 2015 overleed. Lees het interview met haar, dat werd gepubliceerd in oktober, terug. ‘Joost is dood en dat zal altijd verschrikkelijk blijven. Maar ik ben er nog’

MEER ESSAYS

Winnaar Joost Zwagerman Essayprijs 2018: ‘Onthoofd’, van Jilt Jorritsma

Genomineerden:

‘Ik had eens twee meisjes’ van Nicole Kaandorp

‘Het kermen van de bomen’ van Hannah de Vries

 ‘Het einde van de brief’ van Ianthe Mosselman

‘Serendipiteit van bananenbrood en sterrenstof’ van Yousra Benfquih

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.