Leven en dood Aat Veldhoen

Geluksvogel Aatje is niet meer

Aat Veldhoen in 2018. Beeld Koos Breukel

Hij zou 85 jaar zijn geworden, ware het niet dat de dood ertussendoor kwam. De grote overzichtstentoonstelling met het werk van kunstenaar Aat Veldhoen gaat gewoon door.

Aat Veldhoen is dood. Op 10 november 2018 stopte de Amsterdamse kunstenaar na een zwaar herseninfarct en drie dagen in het ziekenhuis met ademen. Zijn partner, oud-politicus Hedy d’Ancona (82) was erbij, zoals ze al 22 jaar bij hem was. Nu, bijna een jaar later, vertelt ze over hun late liefde in haar huis aan de Amstel. De open haard is aan, de muren zijn bedekt met Veldhoens schilderijen, tekeningen en etsen, waaronder een portret van Hedy: bloot, met twee copulerende meeuwen op haar knie.

‘Kijk: als iemand van 84 doodgaat, dan is dat niet het noodlot dat je treft. Als je kind ongeneeslijk ziek is, of als je, zoals mijn vader en zijn hele familie gruwelijk vermoord wordt in een kamp, dát is het noodlot. Hier heb ik ook niet om gevraagd, maar ik vind het niet onredelijk, ik ga niet roepen: waarom ik? Nee, ik denk: Aatje is overleden nadat wij 22 jaar vrolijk en gelukkig samen zijn geweest. Dat brengt wel enige rust in de opwinding.

Foto uit 2018, het jaar waarin Aat Veldhoen overleed. Hedy d’Ancona: ‘Dit vond hij verschrikkelijk: Aatje hield niet van het mannenlichaam en zeker niet van zijn eigen lijf. Maar hij vond het kinderachtig om altijd aan vrouwen te vragen hun kleren uit te trekken voor een portret, en dan zelf te weigeren als zijn eigen dochter om een naaktfoto vroeg.’ Beeld Venus Veldhoen

‘Ik ben wel van het glas is halfvol, maar direct na zijn dood kon ik dat nog niet bedenken, hoor. Wat ik dacht, was: ik moet niet hetzelfde leven leiden als met Aatje, dan ga ik hem 33 keer per dag missen. Toen hij nog leefde, was ik meestal bij hem thuis op de Wittenburgergracht, maar na zijn overlijden ben ik terug naar mijn eigen huis gegaan, heb ik mijn auto verkocht en een babyvleugel gekocht en heb pianoles genomen. Mijn eigen huis had ik aangehouden om er te werken; als ik bij Aatje was, werd ik steeds afgeleid. ‘Kijk eens’, riep hij voortdurend. Niet alleen naar zijn werk, maar naar alles om hem heen. Als de zon onderging en er zo’n hysterische lucht hing, belde hij me op: ‘Hierheen!’ Kleine kinderen kunnen ook zo kijken, alsof ze in een trip zitten, later leren de meeste volwassenen dat af. Aatje heeft dat vermogen gehouden. Door zijn ogen leerde ik ook weer zo kijken. 

D’Ancona: ‘Met die ene hand maakte Aatje ‘s ochtends altijd ontbijt voor ons. In zijn keuken was alles beschilderd, zelfs de theemuts die ik van hem had gekregen. ‘Lekker theetje voor Heetje’ stond erop.’ Beeld Venus Veldhoen

‘Vorig jaar werd de hele Wittenburgergracht omgewoeld. Nou, als er toen iemand riep: kijk nou toch eens! Al die buizen, mannen met gele hessen, kraanwagentjes. Aatje maakte er tientallen tekeningen van, hij zat hele dagen voor het raam. Op een van die ochtenden zou er een paar uur geen water zijn, dus we konden niet douchen. Ik had in de waterkoker warm water gemaakt, Aatje stond bij de wastafel, ik deed een beetje koud erbij en toen ik hem in stond te zepen, ging hij door zijn hoeven. Hij was glibberig van de zeep, maar het lukte me hem op bed te slepen. ‘Nee, nee, nee’, kon hij nog net zeggen toen ik een ambulance wilde bellen. Toen heb ik de dokter gebeld, die vervolgens natuurlijk toch een ambulance belde. Aatje was niet bang voor de dood, zei hij altijd, wel om dood te gáán. Maar ja, wie niet?’

‘Nooit eerder bleef ik levenslang verliefd’, schrijft d’Ancona in het boekje dat hoort bij de tentoonstelling Aat Veldhoen – Levenskunst in Museum Kranenburgh in Bergen. Het is een overzicht van zijn werk, oorspronkelijk ter ere van de 85-jarige verjaardag, maar die haalde hij nét niet. Ze vervolgt: ‘Maar levenslang duurt ook korter als je voor elkaar valt als semibejaarden, zoals wij.’

Hedy en Aat, 2004. Beeld VenusVeldhoen

Nu zegt ze: ‘Het is natuurlijk heel gek dat wij verliefd op elkaar werden, moet je nagaan: een drammerige schilder, provocerend, welbespraakt, anti kapitalisme, anti koningshuis. En dan met een ex-minister van een partij die hij verwerpelijk vond, omdat ze een paar keer het koningshuis hadden gered en die hij schuldig achtte aan de politionele acties in Indonesië. Aatje voldeed ook helemaal niet aan míjn ideaalbeeld: ik hield van lange mannen, toen ik ’m leerde kennen was hij net zo groot als ik, tot hij de laatste jaren inzakte. Als we samen voor de spiegel stonden, zei hij: doe je schoenen eens uit.

‘Via zijn dochter Gala Veldhoen, die net als ik voor het Europees Parlement werkte, vroeg hij eind 1995 of ik voor hem wilde poseren. Ik kende hem niet, behalve van zijn gedrukte ‘Rotaprints’ die ik net als iedereen in de jaren zestig in huis had. Wel wist ik dat hij en zijn vrouw vaak ruzie hadden én dat ze ook altijd weer terugkwam; ik had geen zin om daarin verwikkeld te raken. ‘Als ze bij het paasreces nog niet terug is, zeg dan maar tegen je vader dat ik een keer poseer’, zei ik tegen Gala. Zo werden wij, twee oude sokken, binnen de kortste keren heel erg verliefd.’

Aat Veldhoen samen met Venus Veldhoen, een van zijn acht kinderen. Beeld Koos Breukel

Zeven jaar later kreeg Veldhoen zijn eerste infarct. Van een flamboyante, manisch productieve kunstenaar veranderde hij in een man die hulp nodig had, iemand die nog maar moeilijk kon lopen en praten. Bovendien kon hij zijn rechterhand niet meer gebruiken; de hand waarmee hij elke dag had gewerkt. ‘Aatje lag nog in het ziekenhuis toen hij van een vriendin een bloemenkransje kreeg. Ze bracht ook potloden mee en een blocnote, en na een dag of vijf begon hij, ongelofelijk, dat bloemenkransje te tekenen met zijn linkerhand. Kijken, onderzoeken, werken. Het móést gebeuren, ik kan het niet anders zeggen. In de revalidatiekliniek portretteerde hij zijn lotgenoten: suikerziektepatiënten met geamputeerde ledematen, verlamde mensen. In het begin nog een beetje bibberig, maar al snel zag je niet meer dat hij met links werkte.

D’Ancona: ‘‘Die rothand’, zei Aatje ‘s ochtends in bed weleens. Dan hield hij hem overeind en keek ernaar. Na zijn eerste infarct kon hij er niet meer mee werken, maar hij is er nooit depressief over geweest. En 's nachts had hij hem altijd om me heen, dus ik zei dan: ‘ik vind het wel een lekkere hand.’’ Beeld Venus Veldhoen

Aan de ene kant was zijn werk uitbundig vrolijk, aan de andere kant donker. Hij tekende bootvluchtelingen, operaties in het ziekenhuis, overleden vrienden, zelfs zijn dode moeder. Als er iemand overleed van wie hij heel veel had gehouden, wilde hij die per se tekenen.’

‘Aatje zei altijd dat beeldend kunstenaars heel oud werden, omdat ze binnen zaten te kwasten in plaats van buiten onder de tram te komen. Als ik had kunnen kiezen, was ik zelf liever eerder dood gegaan, maar ik wist ook: het is wel béter als hij eerder gaat. Ik moest er zijn om de knoopjes van zijn overhemd dicht te maken en zijn verftubes open te draaien, zelfstandig leven kon hij niet meer. Als we niet samen waren, meldde ik me de hele dag door. Moest ik ergens in het land een vergadering voorzitten, dan belde ik hem in de trein onderweg, als ik aangekomen was en als het pauze werd, stond ik in de wc weer te bellen. Het was een soort wederzijdse geruststelling: we zijn er nog. En dan konden we weer een paar uur vooruit.’

D’Ancona: ‘We gingen nogal eens naar begrafenissen, dat gebeurt nu eenmaal als je ouder wordt. Blote mannenlijven vond Aatje maar niks, maar úniformen, prachtig. Daarom heeft hij gevraagd of Fons Elders, de doodgraver, voor hem wilde poseren.’ Beeld Venus Veldhoen

‘In de ambulance riep hij mijn naam. En omdat ik niet naast hem kon zitten, riep ik terug: ‘Ja, ik ben er!’ Dat is het laatste dat we tegen elkaar hebben gezegd, denk ik, diezelfde avond was hij het contact met de buitenwereld kwijt. Maar als je hart nog klopt, ben je nog niet dood: voor hij gewoon stopte met ademen heeft Aatje dus nog drie dagen in het ziekenhuis gelegen, te hijgen alsof hij een hoge berg moest bestijgen. Toen ik op een van die nachten bij hem zat, kwam er een dokter binnen. Hij vroeg: ‘Weet u dat uw man zijn ogen wil afstaan voor donatie?’ Dat vond ik zó mooi. Bij zijn begrafenis heb ik het ook gezegd: dat wij geluksvogels waren omdat we elkaar op latere leeftijd nog tegen zijn gekomen, en dat het een geluksvogel is die nu door Aatjes ogen kijkt.’

De tentoonstelling Aat Veldhoen - Levenskunst is van 1 december tot en met 13 april 2020 te zien in Museum Kranenburgh. Fotograaf Koos Breukel, vriend en bewonderaar, stelde hem samen met Veldhoens dochter Venus, ook fotograaf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden