Geluiden van de stille zijde

ER zijn ontelbare voorbeelden van. Dit is een heel mooi: 'Suster als wij ons laekene spuelen en de slaen/ Denckt op Jesus swaere slaeghen voor U ontfaen.' De tekst staat op een paneel dat uit het bezit komt van het Begijnhof van Mechelen....

In de veertiende eeuw kwam de misschien populairste afbeelding op: de piëta: Maria zittend met de gestorven Christus op schoot. 'Vesperbild' heet de piëta in het Duits en dat is een mooie benaming, want als op het einde van de Goede Vrijdag alles gebeurd is, richt zich de aandacht op de dode en zijn moeder. De piëta is een verbeelding van de 'Compassio Matris', het mede-lijden van de Moeder, en dat is een tot in het vroege christendom teruggaand gegeven, dat in de twaalfde en dertiende eeuw opnieuw en hevig opkwam, ook onder invloed van de Franciscanen. De populariteit van de piëta moet het gevolg zijn van de mogelijkheid tot identificatie met Christus èn met de lijdende Moeder. Zelfs in zijn primitiefste vorm kan het beeld ontroeren.

In 1984 werd op het terrein van het vroegere Geertuidenklooster in Amsterdam een piëta opgegraven. Het beeld moet van omstreeks 1450 zijn. Het is zwaar beschadigd; in 1566 woedde ook in Amsterdam de beeldenstorm.

Kloosters hebben in Amsterdam twee eeuwen bestaan; bij de Alteratie in 1578 werden ze alle opgeheven. De piëta van het Geertruidenklooster, dat tussen de Nieuwendijk en de Nieuwe Zijds Voorburgwal lag, is het enige beeld dat uit die eeuwen is overgeleverd. Geslagen door de Reformatie en zo symbool van de oude en de nieuwe tijd, zoals die door de nonnen van het klooster beleefd moet zijn, want zij zullen hun lot gespiegeld hebben in dat van het beeld en van de voorstelling. In het bespiegelen, het eigen lot herkennen in dat van Christus, waren de late middeleeuwers meesters. De bespiegelingen van generaties nonnen voor dit beeld kunnen wij enigszins vermoeden, want voorbeeldige verzuchtingen en overdenkingen zijn in geschriften overgeleverd.

Voor 1578 waren er in Amsterdam 21 kloosters en het begijnhof. Twee ervan bleven buiten de muren: het in 1394 gestichte kartuizerklooster, dat de mooie naam 'Sint Andries ter Zaliger Haven' had, en het Regulierenklooster en dat was een klooster van Reguliere kanunniken, ook in 1394 gesticht. Het eerste lag in wat nu de Jordaan is - er is nog een Kartuizerplantsoen, maar de kluizenaars hebben geen spoor nagelaten. (In Geertruidenberg geeft tenminste nog een heel lichte verhoging in het terrein de plaats van het vroegere kartuizerklooster aan).

Het tweede klooster lag in de buurt van de gracht en straten die nu nog aan zijn bestaan herinneren: Reguliersbreestraat, enzovoort. De andere kloosters lagen tenslotte alle binnen de muren en vooral geconcentreerd langs de Kloveniersburgwal en Oude Zijds Achterburgwal. Van die negentien waren er zestien nonnenkloosters.

Men heeft dat grote aantal vrouwenkloosters - dat ook elders aanwijsbaar is - trachten te verklaren uit het vrouwenoverschot in de veertiende en vijftiende eeuw. Onder voorbehoud. Ik denk dat men niet moet vergeten dat de vrouwelijke religieuzen de mannelijke altijd in aantal hebben overtroffen.

Van één klooster is de precieze stichtingsdatum bekend. Op 2O januari 1397, en dat was aan de vooravond van het feest van Sint Agnes, werd het Agnietenklooster gesticht. De kapel van het klooster bestaat nog steeds. Ze is nu al enkele jaren Universiteitsmuseum. En daar wordt vanaf morgen een tentoonstelling gehouden: Amsterdamse kloosters in de middeleeuwen. Onder dezelfde titel verscheen een boek dat tegelijk catalogus is.

TWEE grote bewegingen hebben het Amsterdamse kloosterleven in de middeleeuwen bepaald: die van de Franciscanen en die van de Moderne Devotie. De zusters van de derde orde van Franciscus waren aanvankelijk sterk in de meerderheid. Ook het Agnietenklooster was van oorsprong Franciscaans; in 1432 ging de kloostergemeenschap over op de regel van Augustinus en sloot men zich aan bij het Kapittel van Sion, dat met het Kapittel van Windesheim de geest van de Moderne Devotie in strikt kloosterlijke vorm verder droeg.

Enkele andere nonnenkloosters kozen ook voor de regel van Augustinus. Of die overgang ook een grote strengheid van leven betekende, weet ik niet. In elk geval: de bloei van de Amsterdamse nonnenkloosters ligt in de vijftiende eeuw.

De geest van de Moderne Devotie was die van een grote innerlijkheid. De voortdurende aandacht was vooral gericht op de mens Christus en de navolging van hem. De voorstelling die men zich, in de geest, van Christus maakte, was een zeer concrete. De meditatie was ook een beeld-meditatie. Afbeeldingen en teksten konden bij die beeldvorming helpen. Warsheid van elke uiterlijkheid heeft de levensvormen van die devoten bepaald. En zo pasten zij prachtig in dat toch al weinig uiterlijke katholicisme van de Noordelijke Nederlanden. Op afstand heeft hun vroomheid iets kleinschaligs, het karakter ook van een druppelregen van vermaningen.

In een bijdrage over bezit en productie van boeken in de Amsterdamse kloosters wordt een uitspraak van Florens Radewijns, de 'tweede man' van de Moderne Devotie, geciteerd. Die komt uit zijn Tractaculus Devotus, - alleen al dat verkleinwoord; er moeten veel dimunitiva zijn gebruikt in die kleine wereld van het boekske in een hoekske:

'De mens moet geen verheven en bijzondere dingen of disputen zoeken in teksten (. . .), want de hele geestelijke literatuur is er om wille van de deugden; en als iemand deugden zou hebben en die onwrikbaar bewaren, dan had hij wat hemzelf betreft die literatuur niet nodig.'

Thomas a Kempis zal de ijdelheid van bijna alles later nog pregnanter formuleren, in dat hoogtepunt van religieuze dorpscultuur dat diens Navolging van Christus is. Hij zou - en hoe veroordeelde hij niet alle pijen en kovels, want die maken de echte religieus niet - op de tentoonstelling instemmend gekeken hebben naar dat enige overblijfsel van kleding uit de Amsterdamse kloosters: een tripje, een soort houten overschoen.

En wie zich een voorstelling maakt van de kloostergebouwen, met hun 'gesloten' buitenmuren, in steen keerde men de wereld de rug toe, kan bedenken dat het een vroomheid was als een cel zonder ramen die uitzicht geven op buiten. 'De stille zijde' is de Amsterdamse kloosterbuurt genoemd, - want de meeste lagen vlak bij elkaar. En dat is eigenlijk heel mooi, de innerlijkheid van het leven binnen de muren wordt er nog eens in benadrukt.

De kloosters namen overigens wel de ruimte. Dat er aan het einde van de vijftiende eeuw bezwaren waren tegen de stichting van een Clarissenklooster, is begrijpelijk. Het kwam er toch en zo kwam het enige beschouwende klooster voor vrouwen binnen de muren. (En in de Gijsbrecht!). Die arme Claren hebben overigens een zeer mooie en rijke monstrans aan ons nagelaten. Zij konden niet uit de stad wegblijven, sinds in 1462 de Franciscanen - en wel die van een zeer strikte observantie - een klooster in de stad hadden gebouwd. Pater Brugman was er de pleitbezorger van.

Er moet in dat kleine Amsterdam op bijna alle uren van de dag heel wat geklept en geklokt zijn, want alle kloosters hadden een dakruiter - geen torens natuurlijk - met een luidklokje erin. Van de vele zijn er nog twee bewaard gebleven. Veel hebben de kloosters niet vererfd aan de latere geslachten, zoals de tentoonstelling kan bewijzen. Maar ze hadden ook niet veel. Ze waren de kleingebruikers van de grote religieuze cultuur van elders.

KLOOSTERS bestaan altijd te lang. De geest vult de stenen bij de stichting. En geest en steen blijven met elkaar in harmonie. Maar de geest wordt altijd zwak, de discipline in het klooster wordt losser en dan neemt het aantal kloosterlingen altijd af. Het gebouw huisvest tenslotte nog weinig van de oorspronkelijke geest. Of als men wil: de geest wordt vorm en de inspiratie voorschrift. Maar wat uiterlijk zichtbaar is, suggereert een bloei. En die bloei kan soms zelfs indrukwekkend zijn: men lijkt te bouwen of te versieren tegen de ondergang op. (Er is misschien geen indrukwekkender zichtbaar vertoon dan dat van het Nederlandse katholicisme in het begin van de jaren zestig. Bijna alle gebouwen staan nu leeg).

In de zestiende eeuw gaat het kloosterleven in Amsterdam achteruit. Dat in dezelfde periode de parochiekerken werden vergroot en verfraaid, levert een van die onverklaarbare tegenstellingen op, want in het laatst kwart van de eeuw doet de beeldenstorm zijn werk en in 1578 worden de kerken ontmanteld en verdwijnt het beeld voor de grote galm van het woord. Er is opgemerkt, dat de achteruitgang van de kloosters op het leven in de stad nauwelijks invloed had: de nonnen traden niet of nauwelijks naar buiten.

In elk geval: naar aantal en middelen werden de kloosters langzaam uitgehold. De materiële achteruitgang laat zich aflezen uit het bewaard gebleven 'huishoudboekje' van het Nieuwe Nonnenklooster over de periode 1573 tot 1578. Johannes Dirk Burger geeft in het boek daarvan een heel mooie analyse. Misschien zegt dit alles: vanaf 1576 weigeren de nonnen nog langer voor het klooster te werken; zij gaan voor zichzelf verdienen, waarmee ze, kan men zeggen, op de zelfstandige staat, die ze in 1578, als de kloosters worden opgeheven, krijgen, lijken vooruit te willen lopen.

Het is niet onverantwoord (want ook de bronnen van andere kloosters, elders, wijzen het uit) dat er een wisselwerking is tussen gebrek aan materiële middelen en gebrek aan geest. De financiële achteruitgang dwingt de kloosterlingen steeds harder te werken. De arbeid neemt alle tijd in beslag, ook die van gebed en meditatie, zeker die van de lezing. Gebrek aan geest houdt nieuwelingen weg en dat vergroot weer de materiële moeilijkheden. En zo nadert men onvermijdelijk het dieptepunt van de draaikolk. Alles is voorbij. Het lijkt erop, dat in veel Amsterdamse kloosters dit aan de hand is geweest. Wat zij dan nalaten zijn de gebouwen, die te groot waren voor het aantal nonnen. Dat sommigen van hen de Reformatie als een verlossing moeten hebben gezien, laat zich begrijpen.

De stad, die om gebouwen voor algemene doeleinden verlegen zat, nam bezit van de kloosters. Maar er werden wel 'afvloeiingsregelingen' voor de kloosterlingen getroffen, voor zover die niet naar andere kloosters vertrokken. En de stad kwam haar verplichtingen na. Mejuffrouw van Eeghen, die al in 1941 het standaardwerk over de Amsterdamse kloosters schreef, haar dissertatie, heeft in Amstelodamum enkele jaren geleden een heel mooi artikel geschreven over een jaren na de opheffing van het klooster opduikende kartuizer. Hij kreeg zijn geld. Het Luciaklooster - de Sint Lucïensteeg herinneert nog altijd aan het bestaan ervan - werd vrijwel onmiddellijk na de opheffing weeshuis en dat zou het bijna vier eeuwen blijven. Het is nu het Amsterdams Historisch Museum en wie niet helemaal vrij is van verbeelding kan in de 'zetting' van de gebouwen nog altijd de grote lijnen van de oude kloosterstructuur onderkennen. Het Oude en het Nieuwe Nonnenklooster werden gasthuis en de oorsprong van het Binnengasthuis, dat met het Wilhelminagasthuis het AMC werd. In dat laatste ziekenhuis wordt nu nog de klok van het oude Nonnenklooster bewaard! De Agnietenkapel heeft een zeer gevarieerde geschiedenis gekend. Dat van de kloosters het meest aan het meest kwetsbare, boeken, is overgeleverd, blijft wonderbaarlijk. Wat er rest kan bewijzen hoe traditioneel dat bezit was, hoe weinig gelezen ook vermoedelijk en daardoor zo goed bewaard.

EEN zeer instructieve bijdrage in het boek - ze werd geschreven door Gerrit Vermeer en Willemijn H. van den Bos - handelt over de kloostergebouwen, architecturaal en als onderdeel van de stedenbouw. De eenvoud van de kloosters, ook van de kapellen, wordt heel goed zichtbaar gemaakt. Interessant is, dat bij de bouw van de kapellen de zelfde techniek werd toegepast als bij de bouw van de woonhuizen. De kerken kenden bijna allemaal een boven- en benedenkerk; de bovenkerk was voor de nonnen; de benedenkerk voor de gelovigen. Bij de kerk van de Franciscanen was de scheiding die tussen koor en publiekskerk op hetzelfde niveau. Maar dat was in de traditie. Men moet, bij al die geleerdheid die zich over zoveel kleinschaligheid buigt, voortdurend bedenken dat Amsterdam in de vijftiende eeuw nog klein was.

Bijna ontroerend is de bijdrage van Frank van der Ploeg en Willemijn H. van den Bos over de 'Roerende goederen'. En dat zijn gebruiksvoorwerpen - een enkele keer uit een inventarislijst bekend - kleding, beelden, schilderijen, paramenten, altaren. Misschien geen beter bewijs voor de eenvoud en soberheid in de kloosters dan dit stuk. (De auteurs mogen overigens weten, dat een hoofdaltaar in een kerk nooit aan een heilige is gewijd, zodat hun speculaties of het hoofdaltaar in het Agnietenklooster al of niet aan Agnes is gewijd, vruchteloos zijn).

Michel Pan schrijft over de boeken. En dat moest een wat schraal verhaal blijven, want er is niet veel, al is dat weinige het meeste. Misschien is er onder de bezoekers van de tentoonstelling een enkeling die voor het laatste de vraag van een enkele kopiist beantwoordt: te bidden voor zijn ziel. Maar die had hij net in het boek gelegd, kunnen we na vijf eeuwen nog vaststellen. Het zal met die ziel wel goed zijn; er is genoeg gemurmeld aan die stille zijde van Amsterdam.

Amsterdamse kloosters in de middeleeuwen, onder redactie van Marian Schilder, Vossiuspers Amsterdam University Press, Amsterdam, * 29,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden