Geloven in gezond verstand

In discussies over de strijd tussen religie en rede wordt vaak vergeten hoezeer die twee elkaar in de loop van de eeuwen hebben beïnvloed....

Alarmerende berichten begin juni van dit jaar in deze krant (het Betoog, 9 juni 2007). ‘De waardering voor de radicale Verlichting is weg, en dat is gevaarlijk’, aldus Jonathan Israel, hoogleraar Vroegmoderne geschiedenis aan de Amerikaanse Princeton-universiteit en specialist op het gebied van de Verlichting. Israel, die op dat moment te gast was bij het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar, werd ondervraagd door gelegenheidsinterviewers Pieter van der Horst en Max Pam, die toevallig net als hij tijdelijk op datzelfde NIAS verbleven.

In het even knullige (‘Bent u atheïst?’) als hijgerige (‘Nederland is toch een middelmatig land?’) vraaggesprek trachtten zij Israel uitspraken te ontlokken over Nederlandse politici, die in een vlaag van onnozelheid en nalatigheid het eigen verlichte verleden zouden laten verslonzen. Met succes. Israel bleek de beroerdste niet en kwam royaal tegemoet aan de omineuze mix van relifobische onderbuikgevoelens en nationale Selbsthass die de ondervragers aan zijn voeten zo openhartig tentoonspreidden.

Want wat was er nog over van het ooit zo vrijdenkende Nederland, waar verlichte geesten uit binnen- en vooral ook buitenland hun revolutionaire ideeën vrijelijk via de drukpers konden ventileren, waar niet de kerk maar de staat de universiteiten controleerde en waar de grote verscheidenheid aan kerkgenootschappen voorkwam dat één oppermachtige religieuze stroming de vrije meningsuiting zou smoren? Dat dreigde nu allemaal naar de verdommenis te gaan. Nederland, aldus Israels conclusie, was eigenlijk veel te belangrijk om nog uitsluitend aan de Nederlanders over te laten.

Ondanks de beschuldigende vinger in de richting van hedendaagse politici – de confessionelen met hun tersluikse streven naar herkerstening van onze samenleving, mogen wij aannemen, maar ook de sociaal-democraten met hun gedogende houding jegens moslim- en andersgezinde isolationisten – hadden we hier volgens Israel vooral ook te maken met de onontkoombare consequenties van ontwikkelingen die al in de 17de eeuw in gang waren gezet en die sindsdien hun ondermijnende werk hadden kunnen doen.

Naast de radicale Verlichting, waarvan Spinoza als architect wordt beschouwd, kwam er – als gevolg van ‘subversieve strategieën’, volgens Israel – namelijk een gematigde variant op, die in de loop van de 18de eeuw op slinkse wijze dominant werd en dat tot op heden is gebleven. Met funeste gevolgen. Want waar de radicalen uitsluitend de menselijke rede als leidend principe wensten te aanvaarden, streefden de gematigden – uit louter opportunistische overwegingen, moeten wij begrijpen! – naar een balans tussen ratio en religie. Een verderfelijk streven. Deze cultuur van kool en geit sparend pappen en nathouden bedreigt nu niet alleen de democratie maar ook de universele mensenrechten, die nog slechts veilig zijn in de boezem van het radicale Verlichtingsdenken.

Zo mondde dit brokkelige betoog uit in een inmiddels tamelijk afgezaagd requisitoir, waarin religie als bron van alle kwaad wordt bestempeld; een aanklacht waarmee nota bene het belangrijkste gebod der Verlichting met voeten wordt getreden: gij zult tot elke prijs verdraagzaam zijn en de overtuiging van uw medemens respecteren.

Het frappantst is nog niet eens dat zo’n betoog zijn eigen ongelijk bewijst – het Verlichtingsradicalisme is allerminst ten dode opgeschreven en ontpopt zich volgens sommigen, met name in ons land, zelfs als een onverdraagzaam Verlichtingsfundamentalisme. Nee, opmerkelijk is vooral dat het, ondanks zijn geschiedkundige aanspraken, blijk geeft van een stuitend gebrek aan inzicht in historische ontwikkelingen. Wie goed kijkt, ziet dat de radicale Verlichting nooit weg is geweest, maar dat het beeld en de waardering ervan met de tijd drastisch zijn veranderd.

Neem nu het gedachtegoed van Baruch de Spinoza, de geestelijk vader van de radicaal verlichte vrijdenkersbeweging. Rond de overgang van de 17de naar de 18de eeuw mocht het ‘spinozisme’ voor orthodoxe gelovigen nog gelden als de hoogste graad van geestelijke verdorvenheid (reden waarom hij zijn filosofie in een aanmerkelijk minder rooskleurige setting van tolerantie en verdraagzaamheid ontwikkelde dan Israel ons in het vraaggesprek voorspiegelt). Maar wie de ideeën van Spinoza aan een nader onderzoek onderwerpt, zal moeten bekennen dat deze vandaag de dag zelfs voor de laatste gelovigen weinig schokkends meer bevatten.

Hoewel dit wellicht meer zegt over onze tijd en de huidige stand van zaken binnen het christendom dan over de als Joodse afvallige en ultieme godloochenaar te boek staande Spinoza, is deze slotsom niet zonder betekenis voor de actuele discussie rond religie en Verlichting.

Spinoza, onmiskenbaar de grootste denker die de Lage Landen gedurende de 17de eeuw hebben voortgebracht, heeft tot het einde toe bestreden atheïst te zijn, en dat niet louter uit pragmatische overwegingen. Hij bestond het weliswaar om God van Zijn menselijke trekken te ontdoen en Zijn Heilige Schrift als fictie van menselijke makelij te bestempelen, maar tegelijkertijd vereenzelvigde hij God met de natuur, die ‘ene Substantie’, waaruit alles bestaat en waarin alles opkomt en weer verdwijnt. Het is welbeschouwd een pantheïstisch getinte overtuiging, die tegenwoordig erg in zwang is bij de gemiddelde ‘ietsist’, maar al evenzeer bij tal van hedendaagse moderne, want verlichte christenen.

Zo’n conclusie relativeert dus niet alleen de noodzaak van een herwaardering van het Verlichtingsradicalisme, maar toont vooral aan dat er in plaats van een voortdurende tweestrijd veeleer sprake is geweest van een ingrijpende wederzijdse beïnvloeding tussen rede en religie. Dat beeld noopt tot het aanbrengen van de nodige nuances en tot de conclusie dat hier sprake is van Een veelzijdige verstandhouding. En dat is niet toevallig de titel van een zojuist verschenen bundel opstellen over religie en Verlichting.

Het boek verschijnt ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Centrum voor de Studie van Religie en Verlichting; een Leidse onderneming, opgericht als forum voor beoefenaars van verschillende wetenschappelijke disciplines met een speciale belangstelling voor de 18de eeuw, die ook wel ‘de eeuw der rede’ wordt genoemd, maar die zoveel meer was dan dat.

In 23 hoofdstukken biedt de bundel een caleidoscopisch beeld van de receptie en de ontwikkeling van de Verlichting in Nederland tussen 1650 en 1850. Zo komt de verhouding tussen rede, geloof en bijgeloof uitvoerig aan bod, wordt in vijf hoofdstukken aan de hand van illustratieve voorbeelden geschetst hoe het godsdienstig liberalisme op zijn beurt reacties opriep in de vorm van mysterieuze opwekkingsbewegingen en geestdrijverij, en hoe het vrijdenken de verhouding tussen kerk en staat op scherp zette.

In die caleidoscopische opzet komt de veelzijdigheid van de Verlichting in haar relatie tot de religie – de protestantse vooral; de rooms-katholieke, in die periode hier slechts oogluikend gedoogd, ontsnapte mede daardoor lange tijd aan beïnvloeding door het verlichte denken – goed tot uitdrukking.

Er is terecht veel aandacht voor de doorwerking van de Verlichtingsidealen: verdraagzaamheid en tolerantie, de opvoeding, emancipatie en geestelijke en culturele verheffing van de massa, zedelijkheid en publieke moraal, en niet in de laatste plaats een synthese tussen het wetenschappelijke en het godsdienstige wereldbeeld.

Tegelijk is de enigszins versnipperde opzet ook een minpunt. Veel bijdragen, bijeengeschreven door maar liefst achttien auteurs, staan tamelijk los van elkaar, wat soms doublures oplevert en de samenhang niet steeds ten goede komt. Om die reden wordt een samenvattend slothoofdstuk, met relevante aanknopingspunten voor het heden, dan ook node gemist. Het beschreven tijdperk eindigt enigszins abrupt en misschien wat arbitrair met het jaar 1850, al wordt in een van de laatste hoofdstukken nog wel aandacht besteed aan Groen van Prinsterers bemoeienissen nadien met het anti-revolutionaire gedachtegoed. Maar wat het geheel bijzonder maakt, is de ruime selectie van fragmenten uit bronteksten waaruit door de auteurs geput werd. Die zijn vaak niet eerder voor een breed publiek, geannoteerd en wel, op deze wijze toegankelijk gemaakt.

Uit de veelheid aan onderwerpen die in de bundel aan de orde komen, dringen vooral twee opmerkelijke thema’s zich na lezing op. Beide illustreren de ingrijpende invloed van de Verlichting op de religie in de 18de eeuw op treffende wijze.

In de eerste plaats springt in het oog dat, anders dan de radicalen van vandaag ons willen doen geloven, voor de vroege Verlichtingsadepten de menselijke rede en de goddelijke openbaring helemaal niet op gespannen voet stonden. Talrijk zijn de voorbeelden van wetenschappers én theologen uit die tijd, die meenden dat God de mens toch niet voor niets met rede en verstand begiftigd had. Zij propageerden daarom een ‘onbevooroordeeld’ lezen van de bijbel, dat wil zeggen: vrij van in de loop der eeuwen ingebrachte dogma’s en confessionele franje, en slechts geleid door de rede. Onder het motto ‘Aanbid toch het Gezond Verstand!’ voldeed men op die manier aan het ideaalbeeld van de ‘raisonnabele Bibliaan’, dat de ware aanhanger van de nieuwe tijd voor ogen stond.

Het tweede thema vormt van dit eerste de noodzakelijke consequentie. Door de invoering van de rede als belangrijkste maatstaf lag het zwaartepunt in het geloofsleven niet langer op de leer, de verhouding tot God of het hiernamaals, maar op de levenswandel, het hier en het nu, en de vruchten van het geloof. Godsdienst werd vooral een maatschappelijk fenomeen, tot nut van het individu, maar vooral ook van het algemeen, en het perspectief kantelde van verticaal naar horizontaal.

Dergelijke synthesen tussen Verlichting en religie zetten weliswaar een rem op een ongebreidelde ontwikkeling van het extreme rationalisme in ons land; op dat punt moeten wij radicale vrijdenkers als Jonathan Israel gelijk geven. Maar het valt na lezing van Een veelzijdige verstandhouding ernstig te betwijfelen of dit de vaderlandse samenleving en cultuur louter windeieren heeft gelegd.

Behalve deze thema’s bevat de bundel voldoende stof, bijvoorbeeld om af te rekenen met de gedachte dat het historische verschijnsel dat wij Verlichting noemen, uit de lucht zou zijn komen vallen; een eenmalige bliksemflits aan een voordien door bijgeloof en obscurantisme verduisterde hemel, die de tijd stilzette en een periode inluidde van een eeuwigdurende strijd op leven en dood tussen ratio en religie.

Wat dat laatste betreft is het altijd weer aardig te wijzen op het onmiskenbaar oorzakelijke verband tussen Reformatie en Verlichting. De ultieme gerichtheid op de bijbel uit de Reformatie en het eruit voortvloeiende rationalisme en individualisme maakten onbedoeld de weg vrij voor een verlichte – lees: primair wetenschappelijke – visie op de Schepping. Dat deze van goddelijke origine moest zijn, stond voor de meeste verlichters van het eerste uur overigens nog buiten kijf.

Belangrijker is de constatering die met nadruk uit de Leidse bundel naar voren komt, dat juist de protestantse godsdienst in ons land al vanaf een zeer vroeg stadium de verlichtingsideeën en -idealen absorbeerde, en zich allengs ontwikkelde tot civil religion; een religie die uiteindelijk eerder maatschappelijke dan spirituele doeleinden diende. Dat deze ontwikkeling niet zonder slag of stoot ging en bij tijd en wijlen stevige reacties opriep bij de orthodoxie, met bijbehorende maatschappelijke consequenties – te denken valt met name aan Isaac da Costa en zijn strijd tegen de ‘tijdgeest’, die via Guillaume Groen van Prinsterer de basis zou vormen voor Abraham Kuypers inmiddels met kerk en al verzwolgen gereformeerde zuil – doet weinig af aan de constatering dat de Verlichting juist in Neerlands drassige grond een rijke en blijvende voedingsbodem vond. Wie daarvoor de ogen sluit, is blijkbaar dermate verlicht dat hij erdoor verblind raakte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden