Geduldig zoeken naar verdacht patroon

Dat banken moeten meehelpen met het vangen van boeven, is geen punt van discussie meer. Daar is echter meer voor nodig dan goede wil....

Van onze verslaggever Geert Dekker

De twee speurders vormden samen een grote attractie op de jaarlijkse conferentie van Britse bankspecialisten in witwasbestrijding, enkele weken geleden in Londen: een politie-inspecteur en een lid van het Terrorist Finance Team van de Britse toezichthouder op de financiële markten, FSA.

Ze vertelden over het financiële recherchewerk na de vier zelfmoordaanslagen in Londen op 7 juli 2005, waarbij 56 doden vielen. Het is een verhaal over bonnetjes, rekeningafschriften en geldopnamebewijzen van de vier daders. Die waren geïdentificeerd met beelden van een surveillancecamera op een van de aangevallen metrostation.

De sporen leidden naar de stad Leeds, naar de winkels waar de spullen voor de bommen werden gekocht, naar de adressen van de daders en naar hun handel en wandel in de dagen voor de aanslagen.

Dia’s toonden beelden van de kamers in de huizen waar de bommen zijn gefabriceerd; de chemische ingrediënten liggen kriskras door elkaar op de vloer, of opgestapeld in de hoek.

De details moeten de aanwezige bankmedewerkers duidelijk maken: hier doen jullie het voor, dit kan het resultaat zijn van het werk dat jullie verrichten bij de banken.

Maar tegelijkertijd hebben Graeme Millar (de politie-inspecteur) en Graeme Ford (de FSA-man) een wat ontmoedigende boodschap. ‘Als u denkt dat u het financieren van deze activiteiten op het spoor had kunnen komen, dan is het antwoord nee’, zegt Millar.

‘Ten eerste waren de bedragen niet opvallend. Wij schatten dat de aanslagen op 7 juli vijf- tot tienduizend pond hebben gekost. Ten tweede is er geen opvallend patroon geweest in de financiële transacties die aan de aanslagen voorafgingen en we hebben geen bewijzen gevonden dat de aanslagen gefinancierd zijn door anderen.’

Conclusie van Ford: ‘In de bestrijding van het terrorisme moet niet te veel worden verwacht van het doen opdrogen van de bronnen van geld. Aanslagen plegen kost niet zo veel.’

Hoe anders was de stemming na de aanslagen van 11 september 2001 op de torens van het WTC in New York. De honderden miljoenen dollars die Al Qa’ida ter beschikking zou hebben, moesten worden opgespoord. De VS en daarna de Europese Unie stelden lange lijsten op van terrorisme-verdachten die gingen dienen als filter voor de klantenbestanden van banken wereldwijd.

Het regende nieuwe toezichtwetten, voor geldtransferkantoren, voor trustmaatschappijen, voor financieringsmaatschappijen. Geef ons een paar jaar, zo klonk het, en die terroristen kunnen geen kant meer op met hun geld.

Een paar jaar later is dat ijdele hoop gebleken. Voor de beperkte sommen geld die terroristen nodig hebben (de kosten van de WTC-aanslagen worden geschat op driehonderdduizend dollar) is geen bank nodig. Dat is de overtuiging van Guus de Ruiter, directeur veiligheidszaken van Fortis Bank en voorzitter van de interbancaire werkgroep Financieel-Economische Criminaliteit, een werkgroep van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB).

‘Criminelen en terroristen hebben elkaar gevonden in een ondergronds systeem van financiering’, zegt hij. ‘Het is een soort ruilhandel, in een driehoek die bestaat uit de terreurorganisatie, de ‘gewone’ crimineel en de persoon die de terreurorganisatie wil financieren. Die heeft bijvoorbeeld een autohandel en de crimineel heeft zwart geld. Ze vinden elkaar, zonder dat er ingewikkelde trucs nodig zijn: het geld gaat van de crimineel naar de terreurgroep, de auto van de handelaar naar de crimineel.’

Wat rest dan de bestrijders van terrorismefinanciering? Die moeten hun specifieke doel maar op de grote hoop gooien bij alles wat fout, verboden en gevaarlijk is, zo blijkt uit de praktijk bij grote banken. Alle grote westerse banken hebben afdelingen van tientallen tot honderden mensen die zich bezighouden met het voorkomen van en speuren naar fraude, witwassen en andere vormen van financiële misdaad.

De manier waarop ze dat doen, is het onderwerp van jarenlange disputen. Bekend voorbeeld is de Nederlandse wet MOT, Melding van Ongebruikelijke Transacties. Die geldt vanaf 1994 en werd in het leven geroepen na een flink aantal schandalen rond koffers met geld die zonder mankeren door bankmedewerkers in ontvangst werden genomen.

In het kader van de wet MOT zijn de afgelopen jaren vele tienduizenden meldingen gedaan. De criteria waren ruim en algemeen: alle cashtransacties boven bepaalde waarden, alle geldtransfers boven een bepaalde waarde, et cetera. ‘Dom melden’, noemt De Ruiter dat. ‘De getallen zijn natuurlijk indrukwekkend, maar het is window dressing. Het resultaat is vrijwel nihil geweest.’

De wet is onlangs veranderd: het antwoord op de vraag of een transactie ‘ongebruikelijk’ is, hangt nu meer af van subjectieve criteria. Op de website van de NVB is het lijstje criteria te vinden: doet de klant moeilijk over zijn identiteit, maakt hij gebruik van vage rechtspersonen, maakt de klant bewust gebruik van diverse jurisdicties, kan de klant duidelijk maken waarom hij juist bij deze bank komt, waar komt het geld vandaan?

Een apart hoofdstukje is ingeruimd voor een ‘mogelijke relatie met terroristische activiteiten’. Maar afgezien van het feit dat stichtingen en verenigingen met een ideëel doel in dit hoofdstukje als mogelijk verdachte omstandigheden kunnen worden gezien, gaat het om dezelfde zaken: vaagheid over herkomst en bestemming van de gelden.

Het zijn dezelfde criteria die banken zijn gaan gebruiken bij het screenen van nieuwe klanten. Die gaan door de molen in een intensiteit die past bij het aantal diensten dat ze willen afnemen. Een betaalrekening, krijgt (vrijwel) iedereen, maar als je meer wilt – krediet, bankgaranties, grote transacties, vermogensbeheer – dan word je grondiger onderzocht. ‘In het hogere marktsegment leidt dat bij Fortis in ongeveer 2 procent van de aanvragen tot een weigering’, aldus De Ruiter.

Niet alleen eenmalige transacties, maar ook transactiepatronen kunnen leiden tot een MOT-melding. Er zijn speciale computerprogramma’s waarmee banken hun betalingsverkeer doorlopend doorzoeken op afwijkende zaken, bijvoorbeeld kleine bedragen uit allerlei landen die naar een rekening worden overgemaakt en daarna een grote contante opname. Telefoontje naar de klant volgt, eventueel een gesprek om wat helderheid te verschaffen.

Volgens een ingewijde bij een van de grootbanken kan dat ertoe leiden dat klanten afhaken. Ook kunnen nieuwe klanten die duidelijk gemaakt wordt met welke informatieverplichtingen ze te maken krijgen als de bank hen accepteert, hun aanvraag intrekken.

En dan? Belt de bank dan naar de collega’s, naar justitie of naar de toezichthouder om te waarschuwen?

Dat mag dus niet, klinkt het wat verongelijkt. Vertrouwelijkheid van de bankrelatie, privacy, wetten en mededingingsregels kunnen dan worden geschonden.

Dat is de achtergrond van het op zichzelf triviale pleidooi voor ‘meer samenwerking’ dat banken zo graag houden. Ze bedoelen ermee: meer kennis delen. Sharing intelligence werd op de genoemde conferentie in Londen het buzz-woord genoemd. Lijsten, registers en databestanden zijn er genoeg, en waarom mogen de banken bij het helpen vangen van boeven daar geen gebruik van maken?

Voorbeeld: volgens een nieuwe richtlijn van de Europese Unie, die binnen twee jaar in de Nederlandse wet moet zijn opgenomen, moeten banken uitvogelen wie de uiteindelijke begunstigde is of begunstigden zijn van een bedrijf dat klant is – waar de winsten uiteindelijk terechtkomen dus. Daarbij geldt dat iedereen die 25 procent of meer van een bedrijf bezit, zo’n begunstigde is.

Die gegevens zijn voorhanden, stellen de banken, maar in de openbare registers van de Kamer van Koophandel is het alleen verplicht belangen van 100 procent te melden. Die verplichting is makkelijk te omzeilen, door één aandeeltje aan een goede bekende te schenken. Een ander voorbeeld: asielzoekers zijn gescreend door de IND. Waarom kan van die gegevens geen gebruik worden gemaakt – bijvoorbeeld de controle aan de hand van de lijsten met namen van terroristen – als een asielzoeker een aanvraag indient voor een bankrekening?

Achter de roep kennis te delen, zit mede angst voor de toezichthouder. Vooral in de Angelsaksische gebieden is het de dreigende toorn van de plaatselijke financiële autoriteit die bankmedewerkers motiveert zich aan de regels te houden. Een mooi voorbeeld van een door de inspanningen van de bank gepakte crimineel doet het niet zo goed.

De deelnemers aan de conferentie in Londen waren zogenoemde Money Laundering Reporting Officers. De Britse FSA (Financial Services Authority) eist dat elke bank die zakendoet in Groot-Brittannië zo’n functionaris heeft. De mlro’s in Londen wilden eigenlijk maar een ding weten van elkaar: ‘Hoe zorg jij dat je voldoet aan de regels?’

De ongerustheid daarover wordt mede ingegeven door de al genoemde nieuwe richtlijn van de Europese Unie. Die is veel meer dan voorheen gebaseerd op het principe dat banken zelf een inschatting moeten maken van de risico’s die ze acceptabel vinden. Achteraf komt de toezichthouder dan wel kijken of de bank genoeg doet om witwassen te voorkomen. Banken hebben liever vooraf al de goedkeuring van hun controleur.

Volgens Guus de Ruiter van Fortis is het vooral reputatieschade die banken nu motiveert om witwassen te bestrijden. ‘Voorheen klonk in de financiële wereld altijd de klacht dat van bankmedewerkers werd verwacht dat ze de rol van opsporingsambtenaar op zich zouden nemen. Dat is nu achterhaald: natuurlijk willen wij misstanden opsporen. Maar de vraag is waarom, en het antwoord daarop is nu dat je anders je werkgever opzadelt met een enorme reputatieschade. Al die regels: natuurlijk, daar moeten we ons allemaal aan houden. Maar je moet verder: het doel is het voorkomen van misdaad. Als je dat niet goed doet, is dat schadelijk voor de banken. Dat moeten medewerkers beseffen.’

En het opsporen van financiering van terrorisme? Veel verder dan het controleren aan de hand van een paar lijsten komen we voorlopig niet, zegt een specialist bij een andere bank. Over witwassen en (interne) fraude zijn inmiddels patronen bekend en er zijn profielen op te maken van daders. Computerprogramma’s die met die kennis worden gevoed, zijn tot veel in staat. Van de geldstromen rond terrorisme is veel minder bekend. Wat overigens ook geldt voor de terroristen. ‘De daders van de aanslagen op 7 juli waren volkomen normale Britse jongens, hier geboren en getogen’, aldus inspecteur Millar. ‘Met de profielen van terroristen die wij voorhanden hebben, hadden wij hen nooit kunnen opsporen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden