Interview Gay games

Gay zijn en sporten bij een gay sportclub: ‘Blijkbaar heerst er een beeld dat homomannen er niks van bakken’

Dit weekend beginnen de Gay Games in Parijs. Ook in Nederland is sporten met gays onderling populair, getuige de 45 clubs en teams gericht op homo’s. Waarom? De Volkskrant vroeg het vijf ervaringsdeskundigen.

Foto Henri Verhoef

Amarildo Kromdijk-Bel (29, conducteur) speelt al twintig jaar basketbal en is sinds drie jaar lid van de Amsterdam Tigers, onderdeel van sportvereniging Tijgertje. 

‘Mijn eerste wedstrijd met de Tijgers was in Duitsland. Ik zag de tegenstander en dacht: o mijn god, moeten we dáár tegen spelen? Ze waren heel nichterig, raakten elkaar de hele tijd aan en riepen dingen als: ‘Hey bitch, how are you?’ Ik had blijkbaar nogal wat vooroordelen over de sportiviteit van homomannen. Maar na die wedstrijd ben ik daar heel hard van teruggekomen. Don’t judge a book by its cover, weet ik nu. Die mannen speelden fantastisch – atletisch, professioneel en met een ijzersterke conditie. Nee, we hebben zeker niet van ze gewonnen.’

‘Ik basketbal al sinds mijn tiende en heb op professioneel niveau gespeeld in het Caribisch gebied. Bij geen van de drie clubs van toen heb ik verteld dat ik op mannen val. Ik ben Surinaams, net als veel voormalige teamgenoten, en in onze gemeenschap is homoseksualiteit toch iets meer een taboe. Ik ben een goede spelverdeler. Altijd vroeg ik me af: zouden jullie nog steeds zo tegen me opkijken als bekend was dat ik homo ben? Zouden jullie me harder aanpakken? Zouden jullie nog met me willen douchen na de wedstrijd? Ik had het gevoel dat ze afstand van me zouden nemen.’

‘Ik ben veel mee gegaan in het machogedrag. Als ze naar dames keken, keek ik mee. Maar het was nooit genoeg. Als we op een gemengd toernooi waren en ik stapte niet op vrouwen af, kreeg ik te horen: ‘Ben je homo ofzo?’ Onder de douche maakten ze de raarste opmerkingen over de grootte van hun piemels en wat hun vrouwen daarvan vonden. Ik was constant op mijn hoede. Bij de Tijgers voelde het als thuiskomen. Er wordt niet zo op me gelet, ik kan lol trappen én lekker spelen. Ik voel me vrij en kan mijn eigen grenzen stellen. Het is natuurlijk ook anders dan vroeger: het niveau is een stuk lager. En bijna het hele team is wit. Maar dat vind ik niet erg hoor, ik kan het met iedereen goed vinden.’

Foto Henri Verhoef

Joost Mallo (29, doet sales bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen), speelt vierenhalf jaar rugby bij de Lowlanders, het ‘inclusieve’ team van de Amstelveense Rugby Club.

‘Over gay rugby bestaan allerlei vooroordelen. Een tijd terug speelden we tegen Haarlem. Zij vonden ons tof, maar hadden niet zien aankomen dat we van ze zouden winnen. Ja, wij gaan er ook hard in en doen ook pijn. Je seksualiteit of geslacht maakt niet uit bij rugby, als je maar tegen knallen kan.’

‘Dit is mijn eerste teamsport. Vroeger zat ik op paardrijden, maar ik ben gestopt toen ik naar de brugklas ging. Het leek me geen goed idee een sport te doen die wordt geassocieerd met meisjes. Onbewust wist ik dat ik anders was, maar ik wilde zo min mogelijk opvallen, zodat niemand er misbruik van kon maken. De middelbare school was toch een beetje overleven.’

‘Drie jaar geleden zei mijn coach: ‘Je rent als een meisje, maar je speelt als een man.’’ Haha. Ik heb geen idee hoe een meisje rent, maar sindsdien denk ik daar steeds aan. Misschien dat sommige homomannen wat losser in de polsen zijn? Ik voel me in ieder geval een stoere vent die over het veld rent.’

‘Er is altijd wel drama in ons team, maar is dat niet bij iedereen zo? Ik speel met een paar Lowlanders bij het ‘heteroteam’ van de club. Qua niveau zie ik absoluut geen verschil. Wel in de kleedkamergesprekken. Als zij het hebben over borsten- of billenmannen, vragen wij: ben je een billen- of een piemelman? En als er in de appgroep een foto voorbij komt van een ‘lekker wijf’ sturen wij een mannelijke variant.’

‘Ik vind rugby een heerlijke uitlaatklep. Het is een respectvolle sport met een groot gevoel van kameraadschap; als ik word getackeld moet er binnen 2 seconden iemand bij me zijn om de bal te redden en mij te beschermen. Met de Lowlanders is er altijd een naseizoen met toernooien. Dat is het beste van twee werelden: bijna alle mannen zijn gay of bi én we spelen rugby. Er gaan ook altijd hetero’s mee, en die behandelen ons gewoon als ieder ander, best bijzonder. Ergens verwacht ik toch altijd een oordeel, of dat nu positief of negatief is. Maar deze jongens doen gewoon mee. Ze weten dat er met ze geflirt zal worden, dat ze voor homo zullen worden aangezien en het boeit ze allemaal niets. Het past bij de sport, maar ik vind het hartverwarmend.’

De foto's bij dit stuk zijn onderdeel van een reeks, Gay Sports, van fotograaf Henri Verhoef. Hij is lid van het ‘inclusieve rugbyteam’ Amsterdam Lowlanders. Toen hij door een blessure was uitgeschakeld, fotografeerde hij tijdens een toernooi spelers uit verschillende teams. Dat was het begin van de serie, waarvoor hij een jaar lang gay sporters fotografeerde bij hun homosportclub. 

Duncan Gielen (21, student productontwerp) waterpoloot al sinds z’n zesde en werd anderhalf jaar geleden lid van het homowaterpoloteam Waterproof.

‘Een homowaterpoloteam? Ik vond het ook gek toen ik er voor het eerst over hoorde. Tijdens het uitgaan in Amsterdam ontmoette ik een man die erover vertelde. Hij nodigde me uit om een keertje mee te spelen. Vanaf toen moest ik met de trein uit Giethoorn naar de hoofdstad om te trainen. Het is precies hetzelfde als andere teams waarbij ik heb gespeeld én iedereen is gay. We hebben heel goede spelers die op regionaal en nationaal niveau selectie hebben gespeeld. Dat idee van ‘homo’s rennen als meisjes’ is echt niet zo.’

‘Sommige tegenstanders vinden het gek om tegen een homoteam te spelen. Je ligt toch in je ballenknijper dicht tegen elkaar aan in het water en je graait ook dáár om de bal te bemachtigen. In mijn team is dat niet seksueel geladen, maar we krijgen weleens nare opmerkingen naar ons hoofd geslingerd. Dan maken we een grap terug: ‘Oh lekker hoor!’ of ‘Hey, kom je bij ons homoteam?’ Meestal schrikken ze daar wel van.’

‘Ik speel al waterpolo sinds ik 6 ben. In de puberteit ben ik gestopt. Iedereen begon te veranderen en mijn teamgenoten gingen zich met meisjes bezighouden. Het is niet zo dat ik rare opmerkingen kreeg of dat ik dacht: ik ben homo en ik pas hier niet. Maar achteraf zie ik wel dat het lastig was om mezelf te ontdekken in zo’n hetero-omgeving.’

‘Inmiddels woon ik in Utrecht. Ik zou hier ook lid kunnen worden van een studententeam, maar ik heb geen zin in dat haantjesgedrag. Ik voel me thuis bij het gay team, iedereen is heel comfortabel met zichzelf en ik durf het gewoon te vertellen als ik uit ben geweest en heb staan zoenen met een jongen.’

Foto Henri Verhoef

Peter Schouten (36, woordvoerder bij War Child) doet af en toe aan fitness en speelt nu acht maanden voetbal met de mannen van Gay Soccer Amsterdam.

‘Niet iedereen mag zomaar bij het team. Je moet een bal kunnen aannemen, jezelf vrij spelen en het spel snappen. Het niveau is best hoog. Toen ik voor het eerst mocht meespelen, was ik zenuwachtig. Ik was me veel te bewust van wat ik aanhad, mijn haar zat niet omdat het zo hard waaide en ik had een flutconditie. Tot overmaat van ramp leken alle ballen van mijn voet af te springen. Tóch kreeg ik twee dagen later het verlossende telefoontje: ik was door de keuring en mocht erbij.

'Ik vond voetbal altijd al leuk, maar omdat ik vroeger al op korfbal en tennis zat, had ik er geen tijd voor. ‘Huh, hou jij van voetbal?’ en: ‘Kún jij dat?’ hoor ik vaak. Blijkbaar heerst er een beeld dat homomannen er niks van bakken. Ik vind dat best kwetsend. Gay mannen zijn volgens mij inderdaad niet zo geïnteresseerd in voetbal, maar ik zou er ook niet aan moeten denken om als enige homo in een heteroteam te spelen. ‘Moet dat nou, je afzonderen?’ vragen vrienden en collega’s weleens. Ja, ik vind het ook jammer, maar blijkbaar moet dat nog.’

‘We spelen elke maandagavond vijf tegen vijf en doen niet mee aan een competitie. Het is mijn energizer, fluitend kom ik er weer vandaan. Het zijn leuke gasten, er is geen haantjesgedrag en we zeiken elkaar niet af als iemand een misser maakt. We proberen elkaar juist complimenten te geven. Op de reservelijst staan een paar hetero’s, voor als we niet met genoeg zijn. Dus: we zoeken nog sportieve gay mannen! Zet je erbij dat ze wel een beetje moeten kunnen voetballen? En we praten niet over kinderen of vrouwen, maar over voetbal, vriendjes en werk.’

Rob (51, financieel administratief medewerker bij een groothandel voor pneumatisch gereedschap) is al bijna twintig jaar lid van tennisclub Smashing Pink en voetbalt bij Gay Soccer Amsterdam.

‘Niemand controleert of je gay genoeg bent bij Smashing Pink, we staan echt open voor iedereen. Er spelen zelfs hetero’s. Ze hebben vrienden bij de club of vinden het gewoon leuk. Er zijn zat ‘gewone’ gays en lesbo’s, maar er is ook ruimte voor opvallender types. Een aantal mannen speelt bijvoorbeeld graag in een rokje. We hadden ook een transman en een transvrouw als lid. Meer dan andere sportclubs is Smashing Pink er voor de gezelligheid.’

‘Bij mijn oude tennisclub was ik niet out. De sfeer was er anders, onpersoonlijker, en contacten bleven daardoor wat aan de oppervlakte. Toen ik verhuisde, leek deze club me een mooie plek om vrienden te maken. En misschien zelfs meer dan dat. Gezelligheid heb ik wel gevonden, een vriendje nog niet.’

‘Ik speel ook voetbal in een gay team. Dat begon na een advertentie in de Volkskrant in de jaren negentig. Er werd gezocht naar sportieve mannen die een voetbalteam wilden vormen in aanloop naar de Gay Games van 1998 in Amsterdam. We hebben vier jaar lang competitie gespeeld. Best bijzonder, want een gay team in de reguliere voetbalcompetitie is sindsdien niet meer voorgekomen. Na de kampioenschappen viel het team uit elkaar – de één had last van blessures, de ander voelde zich te oud. Een paar jaar later hebben we nog een tijd gespeeld met Wensley Garden als trainer, de voormalig speler van Helmond Sport die als een van de eerste profvoetballers uit de kast kwam, ná zijn voetbalcarrière. Toen hij stopte, viel ook de animo weg. Tot een paar jaar geleden een paar jongens Gay Soccer Amsterdam oprichtten. We gaan nu al een tijdje steady.’

‘Het is fijn om in zulke open omgevingen te zitten, want op mijn werk is mijn homoseksualiteit niet echt een gespreksonderwerp. Ik vertelde een keer dat ik homo was en toen werd een paar maanden later gevraagd met welk meisje ik aan het daten was. Ze dachten dat ik een grapje had gemaakt.’

Sporten homo’s anders?

Het is een (enigszins gevoelige) vraag die rond gays en sport blijft sluimeren – bijvoorbeeld als weer eens wordt geconstateerd dat er in het mannenprofvoetbal nauwelijks tot geen gays te zien zijn. Zijn mannelijke gays soms minder sportief dan hun heteroseksuele seksegenoten? Sporten ze anders, minder vaak, en/of minder goed misschien?

Toen Frank de Boer in 2012 in een BNN-programma de vraag rond de afwezigheid van (zichtbare) gays in de eredivisie kreeg voorgelegd, was zijn inmiddels roemruchte antwoord dat hij dacht dat homo’s nu eenmaal een andere, minder sportieve motoriek hebben dan hetero’s. Hij kreeg bergen kritiek over zich heen. Ook het stereotype van de a-sportieve mannelijke gay blijft hardnekkig. Zie René van der Gijp, die in 2013 nog beweerde dat homo’s niet willen voetballen, maar liever bij een kapper gaan werken. Ook dat werd hem niet in dank afgenomen. 

Toch is er wel degelijk wetenschappelijk onderzoek dat suggereert dat er epigenetische verschillen bestaan tussen gay mannen en hun heteroseksuele seksegenoten die verder gaan dan alleen een voorkeur voor mannen en/of vrouwen. Zegt de wetenschap ook iets over sport?

Eric Anderson is hoogleraar Sociale Wetenschappen aan de Engelse Universiteit van Winchester, en gespecialiseerd in de verbanden tussen sport, masculiniteit en seksualiteit. Hij ziet de vermeende a-sportiviteit van homo’s vooral als een stereotype. ‘Het beeld van de homoman was lange tijd een Oscar Wilde-achtig type: flamboyant en decadent, niet echt een sportief figuur’, zegt hij aan de telefoon. ‘Er is maar weinig onderzoek gedaan naar het lichamelijke verschil tussen homo- en heteromannen, maar over het algemeen is het onderscheid twijfelachtig – niet genoeg om grote conclusies over sportdeelname aan te verbinden.’

Het is wél mogelijk dat homo’s van jongs af aan een iets andere spelvoorkeur hebben, die zich later vertaalt naar een oververtegenwoordiging in de ene en een ondervertegenwoordiging in de andere sport. Aanwijzingen daarvoor zijn te vinden in een onderzoek uit 2006 onder bijna negenhonderd mannen uit Brazilië, Thailand en Turkije, aan wie onderzoekers van de Universiteit van Santa Catarine in Brazilië vroegen hoe ze zich hun sport- en spelgedrag herinnerden. Homoseksuele mannen zeggen gemiddeld vaker dat ze als kind kozen voor individuele sporten, zoals zwemmen, en niet voor ruigere teamsporten. Ze vochten en pestten ook minder dan de hetero’s.

Evident is in ieder geval de nadrukkelijk heteroseksuele norm die veel sporten aankleeft. Hoogleraar Anderson: ‘Nog steeds denken veel vaders over zoons die wat softer zijn: doe hem maar op voetbal, dan wordt het wel een echte kerel.’

Volgens voormalig atleet Agnes Elling, die bij het Mulier Instituut voor sociaalwetenschappelijk sportonderzoek in Utrecht onderzoek doet naar ongelijkheid in de sport, verklaren sociale uitsluitingsmechanismen het verschil in sportparticipatie tussen homo- en heteromannen. ‘Veel homomannen ondervinden al tijdens de gymles op school dat het sportveld gevaarlijk terrein is. In de sport komt meer homonegativiteit voor dan in de maatschappij als geheel.’ Iemand die niet ‘mannelijk’ genoeg is, krijgt volgens haar al snel het negatief bedoelde etiket homo opgeplakt. Uit onderzoek van het Mulier Instituut uit 2017 blijkt dat 13 procent van de ondervraagde mannelijk teamsporters, er een probleem mee zou hebben om samen met een homo te douchen. Spelers in de ere- en eerste divisie geven een onvoldoende (4,4) voor de gastvrijheid van het betaalde voetbal voor homoseksuele voetballers, volgens het rapport Voetbal en homo-acceptatie van de Vereniging van Contractspelers en de John Blankenstein Foundation. En eenderde van de mannelijke teamsporters geeft aan dat ‘homo’ of ‘mietje’ als scheldwoord wordt gebruikt als sporters minder goed presteren, volgens het Mulier Instituut.

Elling promoveerde op het proefschrift Ze zijn er (niet) voor gebouwd. Meer dan duizend jongeren tussen de 14 en 20 jaar oud vulden een vragenlijst in of werden geïnterviewd over hun sportvoorkeur. Veel jongens meden sportdisciplines als kunstschaatsen, paardrijden of gymnastiek, omdat ze bang waren voor ‘mietje’ uitgemaakt te worden.

Een omgekeerde trend vond ze in haar latere onderzoek onder gay sporters. ‘De meerderheid van de homoseksuele mannen is geen voetballer. Niet omdat ze het niet kunnen, maar omdat ze het niet willen’, zegt Elling. Gay mannen gaven aan macho teamsporten zoals voetbal te vermijden omdat ze verwachtten niet geaccepteerd te worden.

Homomannen sporten wél bijna net zo vaak als hun heteroseksuele evenknie – 53 om 57 procent sport minstens een keer per week, blijkt uit het rapport Ervaringen van LHBT-personen met sport van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2017. Homo’s kiezen wel andere sporten: macho teamsporten zoals voetbal doen ze het minst vaak en fitness is verreweg het populairst.

De meeste homomannen sporten overigens, zo concludeerde Elling uit eigen onderzoek, bij reguliere verenigingen, niet bij een speciale gayclub. Daar voelen ze zich best geaccepteerd, al moeten ze daarvoor wel voldoen aan één voorwaarde. Elling liet twintig mannelijke teamsporters (hetero en homo) een seizoen lang een logboek bijhouden over homotolerantie, en daaruit bleek: ‘Je mag best homo zijn op het sportveld, als je maar ‘normaal’ doet: niet nichterig of verwijfd.’ 

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.