Zinvol levenManfred Buijs

Ex-verslaafde Manfred Buijs: ‘Ik wil nu iets goeds doen met mijn zwarte periode’

Beeld Jitske Schols

Dat Manfred Buijs op zijn 11de met harddrugs begint te experimenteren, heeft alles met zijn ellendige jeugd te maken. Het zou daarna nog 36 jaar duren voordat hij zijn hopeloze bestaan beetje bij beetje weet om te keren. Wat kan het leven je na zo’n lange zwarte periode nog bieden?

Een gelukkige jeugdherinnering? Het blijft even stil. ‘Wanneer ik alleen door de eindeloze polder in ’s Gravenzande banjerde – de weidsheid, de patrijzen en fazanten, daar kan ik met plezier aan terugdenken. Verder is mijn jeugd een opeenstapeling van narigheid geweest.’

Een moeder ‘die heel kil was, geen enkele emotie toonde voor haar kind: nul, nul, nul, nul, nul’; een vader ‘die alcoholist was en losse handjes had’ en na een jaar vertrekt; opgevolgd door een stiefvader die fysieke mishandeling van zijn vrouw afwisselt met ‘wekenlange, psychologische oorlogsvoering’ tegen haar. De locatie: het dorp ’s Gravenzande, in het kassengebied van het Westland, met de eerste buren op vijfhonderd meter afstand. Het zijn de jaren zeventig: zijn moeder is Duits, zelf is Manfred Buijs geboren in Den Haag – twee redenen voor zijn Westlandse klasgenootjes om hem te pesten. Als 5-jarige loopt hij voor het eerst weg, als 6-jarige vlucht hij naar zijn schoolmeester, op zijn 7de zit hij in een internaat. Van zijn 6de tot zijn 9de wordt hij door een bekende van zijn familie seksueel misbruikt.

Op zijn 11de experimenteert hij met harddrugs: ‘Mijn manier om met mijn emoties om te gaan – pijn, verdriet, woede, haat. De verkeerde weg, maar dat zag ik pas later.’ Hij woont tijdens zijn puberteit in een reeks internaten, op zijn 16de is hij verslaafd: ‘Ik heb in mijn jeugd geen rust gekend, geen veiligheid.’ Met een lotgenote, Bianca, ontvlucht hij zijn laatste tehuis: ‘Zij was mijn grote liefde. We hadden niks, maar wel elkaar.’ Haar naam staat op zijn lichaam: ‘We kregen een dochter, Mariska. We waren compleet kansloos. Zij raakte door mij aan de drugs. Daar heb ik een groot schuldgevoel over. Na een jaar is ze met onze dochter weggegaan. Ik had bepaalde karaktertrekken van mijn vader overgenomen, inclusief de gewelddadige.’

Volgt een periode van ruim twintig jaar waarin hij als verslaafde op straat leeft. Dagelijks heeft hij honderden euro’s nodig om aan heroïne, cocaïne en crack te komen. ‘Je moet daar veel nare dingen voor doen, laat ik het daar maar op houden. Ik heb zes jaar in gevangenissen gezeten. Allemaal goede voornemens binnen, eenmaal buiten begon het circus binnen een uur opnieuw. Op straat leven is geen leven, het is overleven. En soms de hel. De hardheid van verslaafden, ook onder elkaar – het is een nare, creepy wereld. Ik ben zo blij dat ik daaruit ben.’

In 2007 doet hij, doodop en broodmager, een zelfmoordpoging. Die vormt het begin van de ommekeer: ‘Ik ben nog een aantal keren flink teruggevallen, maar sinds 2015 ben ik clean, 1.763 dagen, bijna 58 maanden.’ Buijs, die dit jaar 50 wordt, woont in een bescheiden woning in het Amsterdamse Betondorp, met aan de muur een Feyenoord-embleem, naast een Boeddha-poster. Op zijn rechterarm staan twee grote kruisen, met de data waarop zijn ouders overleden: ‘In zijn laatste levensjaar heb ik voor het eerst met mijn vader contact gekregen, dat was bijzonder en mooi. Ik heb hem nooit gehaat. Mijn moeder wel. Ik heb haar nooit meer gezien, maar ben wel op haar begrafenis geweest. Ik ben soms nog boos op haar, maar door haar dood ben ik wel mijn haat kwijt.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Ik wil iets betekenen voor andere mensen met een verslaving. Ik zou graag trainer willen worden van een groep verslaafden of straathoekwerker. Ik wil mijn negatieve ervaringen omzetten in iets positiefs. Ik weet hoe het is op straat te leven, ik voel iemands frustraties, zijn verdriet, zijn woede, zijn pijn. Mensen die dat straatleven nooit hebben meegemaakt, kunnen dat niet. Dat is geen kwaliteit van me, maar een ervaring die ik met me meedraag. Van dat straatgedrag ben ik nu eindelijk af, dat heeft jaren geduurd. Want je kunt mij wel van de straat halen, maar haal de straat maar eens uit mij. Pas na jaren begon ik iets van rust te voelen. Ik wil nu iets goeds doen met mijn zwarte periode.’

Hoe heeft u het al die jaren op straat vol gehouden?

‘Eigenlijk is dat vooral te danken aan mijn dochter, zij was mijn lichtbaken. Met drugsgebruik schakelde ik al mijn gevoelens uit en kon ik overleven, de gedachte aan haar weerhield me ervan eruit te stappen. Maar in 2007 was ik helemaal gesloopt. Ik woog nog maar 57 kilo en was zo moe, ik kon niet meer. Toen heb ik op een Jellinek-wijkpost een zelfmoord­poging gedaan. Ik kwam op de intensive care. Pas toen kon ik hulp accepteren.

‘Dat was het keerpunt. Er was me al veel eerder hulp aangeboden. In een gevangenis was ik Roselyne tegengekomen, een Franse vrouw die daar de bibliotheek runde. Ze gaf me een boekje over het afkickproces, waarin dat werd beschreven als een proces van vallen en opstaan. Dat was in 1997, maar ik was daar nog niet aan toe. Toch heeft dat boekje een zaadje bij me geplant, ook al ging er nog tien jaar overheen. Met Roselyne ben ik altijd contact blijven houden. Ze was erbij toen ik mijn vader opzocht en kwam ook naar de begrafenis van mijn moeder. Daar waren we de enigen. Er was niemand, dat was zo’n ontnuchterend schouwspel, zo’n lege aula. Ik heb er gesproken – niet liefdevol, maar ook geen haat, vrij neutraal. Ik heb haar vergeven. Roselyne ben ik als mijn moeder gaan zien. Vorig jaar ben ik voor het eerst in mijn leven op vakantie geweest, dat was met haar, naar Frankrijk. Ze is nu 79. Onze band is er een van moeder-zoon.’

BOEKTIPJudas door Astrid Holleeder

‘Ik vond het een aangrijpend boek. Astrid beschrijft hoe haar broer, Willem Holleeder, een crimineel en dictator kon worden door te vertellen hoe het er bij hen thuis aan toeging. Wat vooral indruk op mij maakte, was de psychologische oorlogsvoering van hun vader. Die terroriseerde zijn gezin. Daar herken ik veel in. Het boek maakt voor mij nog meer duidelijk hoeveel pijn mensen elkaar kunnen aandoen.’

Heeft u nog contact met uw dochter gekregen?

‘In 2015 kreeg ik een brief van een instantie die ouders weer met kinderen in contact brengt. Mariska wilde contact. Ik durfde dat eerst niet aan, omdat ik een slecht gebit had. Ik heb daar iets langer dan een half jaar mee gewacht. Ik schaamde me, hield het af. Achteraf is dat een grote fout geweest.

‘Nadat ze bij me weg was gegaan, op mijn 19de, is haar relatie met haar moeder verstoord geraakt. Daarna werd ze geplaatst in een gezin in Woerden, dat heeft het perfect gedaan. Ze werkte bij een bedrijf dat vaccins maakte, ik was trots op haar. Bij onze eerste ontmoeting vroeg ze: ‘Heb je al die jaren ooit aan me gedacht?’ Toen liet ik de tatoeage van haar naam op mijn arm zien. Ze legde haar hand erop, wel een half uur lang, en huilde veel. Ik voelde van alles, maar huilde niet, ik vond dat ik dat als vader niet moest doen. We zouden elkaar twee maanden later weer ontmoeten, maar nog dezelfde avond hing ze aan de lijn, ze wilde de volgende dag weer komen. Toen heb ik gezegd: rustig aan. We hebben in de twee jaar die daarop volgden een paar leuke, liefdevolle ontmoetingen gehad. Maar de klik van een vader-dochterrelatie is er nooit gekomen. Ze was boos en verdrietig. Dat is ook terecht: ze was in een adoptiegezin terechtgekomen. En we hadden elkaar 24 jaar niet gezien, dat kan je niet overbruggen. In 2018 besloot ze uit het leven te stappen.’

Mijn God. Voelt u zich daar schuldig over?

‘Als je er zo lang niet voor je kind bent geweest en gewelddadig naar haar moeder bent geweest, dan heb je daar wel redenen voor, ja. Het gevoel dat ik erover heb, kan een ander nooit navoelen. Dat is peilloos. Dat ik haar niet meteen wilde zien, het uitstel van onze eerste ontmoeting, daarover voel ik me ook schuldig. Dat zal voor haar veel hebben betekend. Ze verlangde er erg naar en was depressief, waar ik pas later achter kwam, dus dat kan hard zijn aangekomen.’

Kan iets uw schuldgevoel weg­nemen?

‘Misschien helpt het dat ik nu een ­vaderfiguur kan zijn voor een jonge vrouw die ik heb ontmoet, Amina. Ze is begin dertig, van Arubaans-Egyptische komaf. Ze mist haar Egyptische vader, terwijl ik mijn dochter mis. Onze band is heel sterk geworden, nadat mijn dochter uit het leven was gestapt. Ze is erg betrokken bij de traumatherapie die ik volg om het verlies van mijn dochter te verwerken. Misschien mag dat mijn nieuwe rol zijn, die van vader, wat ik voor mijn dochter niet heb kunnen zijn. Het leven kan raar lopen. Je verliest een kind, dat is verschrikkelijk, tegelijkertijd krijg je een waanzinnig geschenk. Ik zie Amina als een bonusdochter en heb er nog een, Milena.

‘Ik koester het idee dat mijn dochter van bovenaf toekijkt en haar goedkeuring aan die relaties met mijn ­bonusdochters geeft. Wat anderen daarvan denken, zal me een bout zijn, als ik me er maar wel bij voel. De gedachte geeft mij een fijn gevoel. Ik hoop de band met hun allebei nog uit te bouwen, met hun te doen wat met mijn dochter niet is gelukt.

‘Mannen zijn er nauwelijks in mijn leven. Dat zal te maken hebben met het seksueel misbruik in mijn jeugd. Ik kom er steeds meer achter hoe beschadigend dat is geweest. Voor zover ik contacten met mannen heb, zijn die vluchtig, afstandelijk. Veertig jaar na dato ben ik nog altijd op mijn hoede. Ook daarvoor ben ik in therapie. Dat ik er nu over durf te praten, met een man, was nog maar een half jaar geleden ondenkbaar.’

Hoe kijkt u aan tegen de dood?

‘Ik heb hem zo vaak in de ogen gekeken, ik ben er totaal niet bang voor. Mijn jaren op straat waren tropen­jaren en daarvoor moet ik, denk ik, ooit nog de prijs betalen. Maar ik heb een sterk gestel. Ik ken er veel die jonger waren en die nu niet meer leven. Ik zie de dood niet als een bevrijding. Daarvoor heb ik hier nog te veel plezier. Ik wil ook nog wat voor anderen betekenen.’

Wat wilt u overbrengen?

‘Mijn boodschap is vooral: oordeel niet. Het is gemakkelijk neer te kijken op iemand die op straat leeft, maar die junk is nog steeds een mens. Wees open, begin met begrip, luister onbevooroordeeld. Ik ben zelf veel veroordeeld. Door de rechter, maar ook door de maatschappij. Ik ben veel met de nek aangekeken door mensen die het hele verhaal niet kennen. ‘Oordeel niet, opdat je niet geoordeeld wordt.’ Dat is bijbels, maar zo waar. ‘

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Op deze overzichtspagina leest u alle voorgaande gesprekken in deze serie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden