laat het stoppen

Er is altijd een cartridge leeg. Meestal de kleur ‘magenta’. Je print nooit met magenta, maar ja

null Beeld

Niet alle moderne verschijnselen hoeven we goed te keuren. Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen, nee móéten verzetten. Deze week wil Frank Heinen het hebben over zijn printer, en eigenlijk elke printer.

In de bekendste scène uit de film Office Space (1999) staan drie mannen op een stuk braakland. Ze dragen overhemden en stropdassen. Af en toe deelt een van de drie een trap uit, of een beuk met een honkbalknuppel. Op een zeker moment verliest een van hen zijn laatste restje zelfbeheersing, zakt door zijn knieën en begint – eerst met de knuppel, vervolgens met zijn blote vuist – in te beuken op… een printer.

De onbestemde angst voor robotica grijpt om zich heen, terwijl wij allemaal toch al dertig jaar weten hoe het is om overheerst te worden door één enkel apparaat. Iedereen heeft traumatische ervaringen bij het afdrukken van een of ander Cruciaal Document. Vast en zeker zijn er ook mensen die dit hoofdschuddend aanlezen en opmerken dat zij nog nooit ook maar een centje pijn hebben gehad met hun printer, die al vijftien jaar loopt als een zonnetje. Deze mensen werken óf in de printerindustrie, óf ze lijden aan verdringing. Een bekend psychologisch proces, dat kan leiden tot allerhande crises. Dus aan eenieder die zich geen gekmakende printervaringen kan heugen: komt nog wel. Sterkte.

Ach ja, de printer. Vlak voor het uitbreken van de coronacrisis stond ik in een elektronicazaak van een afstandje te lonken naar een printer uit de folder, zoals je een wild dier in zijn eigen habitat bestudeert. Doodstil, in de hoop hem niet te storen, keek ik toe hoe hij tevreden zoemend het ene papier na het andere naar binnen liet glijden, om twee tellen later een schitterend bedrukt velletje uit te scheiden. Toverij.

Ik keek ernaar en dacht: deze kan ik aan. Zo moet je over printers denken, als potentiële tegenstanders op een bokstoernooi. Je wandelt door de coulissen en schat bij iedereen je kansen in. Automatisch keert je herinnering terug naar de paar keer dat je je opponent had onderschat, naar die keer op een inmiddels ontmanteld kantoor van een reeds lang opgeheven bedrijf waar je tot printerverantwoordelijke was gepromo- of gedegradeerd, en waar de directeur een printverslaving had. Alles wat hij op zijn computerscherm zag, diende tastbaar gemaakt. Afdrukken die hap, of, beter: afpersen. Om deze manische verspiller ter wille te zijn, stond je dagelijks uren hulpeloos naast een humeurig pruttelende machine, opende je papierlades, ramde ze weer dicht, verwijderde papier en stak je hand tot aan je elleboog van achteren in het ding, als een veearts bij een drachtig rund. Vaak trof je dan in het gloeiendhete binnenste een bedremmeld A4’tje, dat halverwege de opdracht op eigen houtje had besloten zichzelf te verkreukelen.

Je herinnert je de rode seinen die maar niet op groen sprongen, het steeds herschikken van de papierstapels, terwijl een deur verder de directeur begon te schuimbekken, omdat hij al drie kwartier niks had kunnen afpersen. Wanneer je ’s avonds uitgeteld thuiskwam en even een strikt noodzakelijk printje wilde maken, was er altijd een cartridge leeg. Meestal de kleur ‘magenta’. Je printte nooit met magenta, maar ja. Apparaat openen, vingers onder de inkt, reservecartridges à raison van een klein fortuin erin, handen onder de inkt, flink proppen, onderarmen onder de inkt – de stigmata van de afdrukker. Daarna, bij wijze van test, drukte het ding ongevraagd alle denkbare kleurenprisma’s af, prestissimo, om vervolgens kalmpjes het moment af te wachten dat je in grote haast een boardingpass moest printen en zich dan op te krullen in de lethargie van het onbegrepen genie. Want het is zoals Simon Hill ooit schreef op Wired: net als in een liefdesrelatie wordt ook de verhouding met je printer pas werkelijk op de proef gesteld als de vakantie nadert.

‘Deze heeft geen cartridges’, verzekerde de jongen van de elektronicamoloch. ‘Het is een laser.’

‘Ik ook’, zei ik, en ik kocht hem direct. Hoe de inkt nu op het papier verschijnt, weet ik niet. Laserstralen? Ik peins er niet over me erin te verdiepen. Hij doet het. Soms rommelt-ie een beetje, en het is een enorme toer om hem uit te zetten, en als je een printopdracht geeft terwijl er geen papier voorhanden is, is-ie een week of wat uit z’n hum. Verder: perfect. Nou ja… hij rookt wel. Altijd. Bij elk velletje een pufje, als een stoomlocomotief. Steeds meer. De laatste tijd ook als er niets te printen valt.

En hij rochelt, vooral ’s nachts.

Uiteindelijk zal het printen voorgoed stoppen (en dat zal alleen voor printerfabrikanten een inktzwarte dag zijn), maar de printers zullen ons in onze angstdromen nog generaties lang achtervolgen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden