ColumnSylvia Witteman

Er gaat toch blijkbaar ook een hoop wél goed in ons niet op alle fronten zo ontzettend gave land

null Beeld

Ik stond weer eens in de rij, maar dat was niet erg, want de zon scheen. Bovendien ging de rij snel, en aan het eind wachtte me het lekkerste ijsje van de stad. Voor me stonden twee mannen in overalls. Die waren grondig met verfvlekken overdekt, vooral in diverse tinten wit.

Huisschilders dus, even aan hun klus ontsnapt, allebei een jaar of 35; een brede blonde en een tengere met een donkerbruine huid en een gouden tand, die telkens blikkerde in de zon. De blonde vertelde over zijn dochtertje, dat te kampen had met dyslexie. Vooral de letters b en d verwisselde ze vaak, maar ze werd ‘uitstekend begeleid’ en ging ‘echt goed vooruit’.

De donkere knikte meelevend, en vertelde op zíjn beurt over zijn zoon die een pols had gebroken bij het skateboarden en in het ziekenhuis zo ‘superlief’ behandeld was; hij had zelf de kleur van zijn gips mogen kiezen, en ging nu met een knalrood armpje door het leven, trots als een pauw, nee, zijn vader kon niet anders dan ‘respect’ hebben.

Verheugd hoorde ik alles aan. Er gaat toch blijkbaar ook een hoop wél goed in ons niet op alle fronten zo ontzettend gave land; betrokken vaders, passende zorg, het leek wel zo’n stichtend Klokhuis-filmpje waar kinderen tóch niet intrappen. Gelukkig stak de blonde een sigaret op, om het niet te gek te maken, en beide mannen loerden vervolgens naar een passerend meisje op een manier die beslist niet door de Klokhuis-beugel kon.

‘Wat neem jij? Ik pistache en citroen’, zei de donkere knus. De blonde dacht diep na. ‘Sowieso ook pistache’, zei hij. ‘Enne, ik denk...’ De donkere onderbrak hem. ‘Bart, ga eens opzij’, zei hij. ‘Die oude mevrouw wil erlangs.’

Inderdaad wurmde een oude dame op een scootmobiel zich omzichtig langs de rij voor de ijswinkel. De mannen stapten naar achteren, waarna de vrouw stilhield en op hoge toon sprak: ‘Noemen jullie mij nou óúd?!’

‘Ík niet’, zei de blonde lafjes. De donkere zei niets. ‘Staat u netjes hoor!’, foeterde de oude. ‘Dat is toch nergens voor nodig? Ik noem u toch ook geen...’ Ze aarzelde. De donkere man keek haar nieuwsgierig aan. ‘Ik noem u toch ook geen... geen... bruine meneer?’

Beide mannen begonnen nu dreunend te lachen, de gouden tand flitste in de zon. De donkere man stak zijn duim op naar de oude dame, die zelf ook maar mee begon te lachen; algauw stond de hele rij te grinniken, al hadden ze geen idee waarom, maar wat gaf dat?

En even later had ik ook nog een ijsje. Het lekkerste ijsje van de stad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden