En strooi ons wat lekkers...

Sinterklaas is anno 1997 een lieve, oude man. Het 'wie stout is, de roe' mag hij absoluut niet meer praktiseren....

DE schrijver/tekenaar Rien Poortvliet vertelt in zijn uit 1980 daterende Van de Hak op de Tak hoe hij in Noord-Afrika sinterklaasliedjes hoorde zingen. Het waren twee stokoude mannen met van spijt verwrongen gezichten. Ze zaten op een vies binnenplaatsje met kettingen vast aan een opgezette dromedaris: twee broers uit Asperen. Als kind wilden zij niet deugen, ze moesten mee in de zak, maar nog steeds deugden zij niet. Daarom had Zwarte Piet hen verkocht. De onverbeterlijke broers waren uitzonderingen. De meeste stoute kinderen mochten, na een jaartje dwangarbeid op het landgoed van de Sint, weer braaf naar huis.

De onthullingen van Poortvliet hebben geleid tot grote veranderingen. Niet door een massale boycott van suikergoed en marsepein; ook niet door beschuldiging van schending van de rechten van het kind, maar door stille diplomatie.

De zak waar kinderen eeuwenlang in zijn meegenomen naar Spanje, dient nu alleen nog om steeds mooiere cadeaus in te stoppen. Hij gaat leeg terug. Zwarte Piet is geen griezelige boeman meer. Hij maakt niet meer bang. Kinderen worden niet meer beloond omdat ze braaf zijn geweest; nee, ze krijgen omdat ze kind zijn. Ze hebben recht op geschenken, als op kinderbijslag.

'Zwarte Piet draagt geen roe meer. Het spannende, het angstige is verdwenen', zegt Rudolf Dekker, docent maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit. 'Ik vind dat wel jammer', mijmert hij. 'Kan Sinterklaas blijven bestaan als hij alleen maar zacht en aardig is?'

Het is een ernstige, zeer actuele vraag, zeker nu wij dagelijks horen en zien dat 'het kwade' op aarde is teruggekeerd, de politiek niet zonder vijand kan en er alom geroepen wordt om een hardere aanpak van jeugdige criminelen. Kinderen zijn er niet wellevender op geworden, zeggen overspannen leraren.

'In het boek van Sinterklaas staat nooit meer dat kinderen stout zijn geweest; alleen nog dat Floris of Ireentje lief en - zo zielig - ziek zijn geweest,' zegt de volkskundige John Helsloot die Sinterklaas het hele jaar door bestudeert en er zelf een is: 'Ik zelf wil als Sinterklaas nog wel even streng zijn. Maar dat mag niet. Sinterklaas is een hulpbehoevende oude sukkel geworden. Geen eerbied meer voor de ouderdom. De Zwarte Pieten zijn hem volledig de baas.'

Sinterklaas, de weldoener en kindervriend die in de vierde eeuw na Christus bisschop van het nu Turkse Myra was, verrichte al tijdens zijn leven vele wonderen. Hij werd de beschermheilige van bakkers, scholieren, gevangenenen, maagden, hoeren en zeelieden. In de middeleeuwen kreeg de Sint-Nicolaasviering wereldse trekken. Op kloosterscholen deelde hij als beloning voor goed gedrag snoepgoed uit.

Langzamerhand kreeg ieder braaf kind lekkers, maar wie stout was de roe. Sint reed met zijn paard over de daken - vaders vonden verloren hoefijzers in de dakgoot - en gooide noten, vijgen, appelen en rozijnen door de schoorsteen. Op de koek stond hij afgebeeld als bisschop.

Ten tijde van de Reformatie voelden dominees en magistraten zich gedwongen op te treden tegen het verderfelijk paapse kinderfeest. Want kinderen die men leerde te geloven in Sinterklaas gaf men 'zo ook het geloof in leugen, superstitie en afgoderij met de paplepel mee'.

Verscheidene steden als Dordrecht, Delft en Grave verboden Sinterklaas te vieren en de 'schoen of klomp van enig kind te ontvangen of te laten zetten'. Toen op 4 december 1663 Amsterdam de verkoop van sinterklaaspoppen op straffe van drie gulden boete verbood, ontstond het 'Oproer der Elfjarigen'. Het verzet was zo hevig dat Sinterklaas volgens goed Nederlands gebruik moest worden gedoogd. Banketbakkers en tekenaars ontdoken sinterklaasverordeningen door de Sint niet meer als bisschop maar als ruiter te paard af te beelden.

SINTERKLAAS was niet uit te roeien. Maar hij werd met de verslechtering van de welvaart aan het eind van de achttiende eeuw strenger, zo niet angstaanjagend. Straf en beloning waren, zo dachten pedagogen, de waarborgen van zedelijk besef in deze bange tijden. In zijn Uit de schaduw in 't grote licht schrijft Rudolf Dekker: 'Van oudsher fungeerde de goedheiligman meer als boeman dan als de kindervriend die hij pas ver in de negentiende eeuw zou worden.' Dekker haalt geschriften aan van onderwijzers die vertelden hoe zij, vaak door de keukenmeid, gewaarschuwd werden voor boemannnen als Bullebak, Ongeboren Gerrit, Haantje Pik, Sinterklaas en de Bloedkaros die voor het bad van de koningin van Engeland bloed van kinderen leverde.

Op plaatjes uit die tijd grijpt Sinterklaas kinderen hardhandig bij de oren en stopt hen persoonlijk in de zak. Hij was 'schrikwekkend uitgedost; onder luid geraas en ketengerammel vroeg hij met doffe stem naar het gedrag der kinderen', schreef een tijdgenoot.

In het midden van de vorige eeuw beleefden de opvoeders die het kind met angst en beven op het rechte pad trachtten te houden, de 'zwarte pedagogen', hun glorietijd.

Tegelijkertijd ontdekten vooral Duitse volkskundigen, als de sprookjesschrijver Jacob Grimm, dat christelijke feesten stamden uit heidense tijden. Sint Nicolaas was een opvolger van de Germaanse god Wodan. Zijn knecht, eerst gezien als Wodans helper, werd later een figuur die spotte met het achterlijke heidendom, hij werd een metafoor voor het overwonnen heidense geloof. Katholieken hadden bezwaar tegen deze mythologische benadering en zagen in de zwarte dienaar de 'geknechte duivel'.

Op een pilaar van de Walburgiskerk in Zutphen is een schildering uit de vijftiende eeuw waarop Sint Nicolaas met een wit duiveltje aan een ketting staat afgebeeld. Ook andere heiligen zijn toen herhaaldelijk met een met geketende duivel geschilderd. 'Maar,' zo schrijft de kunsthistorica Eugenie Boer, 'de beeldtraditie van Sint Nicolaas met een duivel heeft zich in de zestiende eeuw en later in ieder geval niet voortgezet. Een geleidelijke transformatie van duivel naar Zwarte Piet kan niet worden aangetoond.'

In Nederland kwam Sinterklaas alleen; en zonder knecht. Maar wel te paard. Op de volkse centsprenten en de speculaasplank kon hij in vreemde gewaden gehuld en vermomd zijn, maar aan het paard kon je zien dat het de Sint was. Hij behoorde tot de burgercultuur; in Duitsland bleven de banden met de volkscultuur sterker.

De oudste Nederlandse prent waarop Eugenie Boer Sinterklaas met knecht heeft ontdekt dateert uit circa 1800. Op die prent ziet Sinterklaas eruit als een 'agtbaar burger met pruik en steek'. Zijn bediende, heel Hollands en welgedaan, gaat gekleed als heer. Beslist niet als duivel.

Dertig jaar later verschijnt in Nederland de eerste 'zwarte bediende', als de 'zwarte page' in de schilderkunst: de bont uitgedoste Moor die termidden van de Hollandse edelen gold als synbool van rijkdom en weelde. Hij is vriendelijk, gedienstig en zijn donkere huid wordt nergens gebruikt om kinderen bang te maken. 'Als er gestraft moet worden, doet Sinterklaas dat zelf wel,' zegt Eugenie Boer.

Pas sinds de tweede helft van de vorige eeuw maakt de voorname bisschop zijn handen niet meer vuil aan het uitdelen van straffen. Dat gaat de knecht doen. Hij wordt de nieuwe boeman. De theorieën over zijn duivelse afkomst waaien over uit Duitsland, maar worden nu verworpen. Pas deze eeuw wordt zijn naam Zwarte Piet.

Historici wijzen er op hoe vanaf de Gouden Eeuw verlichte denkers zich verzetten tegen 'de zwarte pedagogen met hun kinderschrik'. De vooruitstrevende opvoeders gaan het kind zien als 'onbeschreven blad' en willen het vormen en opvoeden met liefde en respect. En ook zij maken gebruik van Sinterklaas.

Toen Nederland zichzelf vorige eeuw begon te zien als een moreel voorbeeld voor de wereld, werd Sinterklaas een eerbiedwaardige kindervriend. Hij ging bij de deftige, liberale burger op huisbezoek en werd de zedenmeester voor heel het volk. Hij groeide uit tot symbool van de vaderlandse, burgerlijke deugdzaamheid. De nationale, huiselijke held in een land dat geen helden vereert.

Sinterklaas bezocht als bewijs van zijn liefdadigheid de minder bedeelden en begon rond de eeuwwisseling zijn intocht in de grote steden. In Amsterdam kwam Sinterklaas pas in 1934; en wel om saamhorigheid te brengen onder de Amsterdammers na het neerslaan van het Jordaanoproer en de dreiging van het nationaal-socialisme.

JOHN HELSLOOT vertelt dat ijverige dorpsonderwijzers de moderne Sinterklaas 'als brenger van de burgerdeugden' in de jaren dertig naar het platteland haalden. Vooral de scholen ontfermden zich over het sinterklaasfeest.

Maar de commercie heeft de taak als behoeder van Sinterklaas overgenomen van de onderwijzers en opvoeders. 'Daarom,' zegt Helsloot, 'mogen Sinterklaas en Zwarte Piet alleen maar lief, aardig en onschuldig zijn als barbiepoppen'. Met vorming en opvoeding heeft Sinterklaas niets meer te maken. In deze tijd van mondialisering (gesymboliseerd door de Kerstman) sponsort het bedrijfsleven, ter wille van de vaderlandse elite, Sinterklaas als cultureel erfgoed. Sinterklaas belichaamt opnieuw de nationale identitieit. Dat Sinterklaas en de Kerstman naast elkaar kunnen bestaan, wordt even duidelijk als de groeiende gedachte dat - heel paradoxaal - de Europese Unie er wel eens kan blijken te zijn om de nationale staat te versterken, in plaats van, zoals voorspeld, te verzwakken.

Sinterklaas blijft verrassen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden