Column Reizen

Eindelijk rust in de tent: reisschrijver Iris Hannema legt uit waarom het zo fijn is om weg te zijn

Sorry jongens, ik ben er niet. Ik kan niet afspreken. Geen geplan, geen gedoe met agenda’s. Aan de vooravond van de uitreiking van de Bob den Uyl Prijs legt reisschrijver Iris Hannema uit waarom reizen zo fijn is; omdat je dan niet thuis bent. Reizen, jawel, is loslaten.

Beeld Martyn F. Overweel

Ik trok zijn debuutroman uit een hostelboekenkast in Lhasa, een verfomfaaide pocket tussen de Hebreeuwse en Franse Lonely Planets, Finse thrillers en een mormoonse bijbel. Ik begon te lezen in The Beach en zo ontdekte ik dat ik niet de enige was met zulke heftige gevoelens van bevrijding als ik me in een vliegtuig bevind dat zich losmaakt van de trekkende aarde. Schrijver Alex Garland was de eerste die de opluchting verwoordde die ik voel als de aluminiumdeuren met een doffe klap dicht getrokken worden en de lichten ‘stoelriemen vast’ aanspringen. De buitenwereld met al zijn sociale conventies verdwijnt direct; je bent individu af en een vluchtnummer geworden.

Zodra Schiphol uit elkaar valt en oplost als een bouillonblokje onder de wolken, haal ik diep adem: rust in de tent. Garland sluit de ogen van zijn hoofdpersoon, schikt hem in zijn stoel en laat hem prompt alles wat thuis nog belangrijk was vergeten. Ik voel me opgelucht omdat ik niet meer verplicht ben om met mensen af te spreken, er geen agenda voorkomt in mijn komende reisleven en ook mijn schuldgevoelens, dat ik met bepaalde mensen expres niet heb afgesproken, worden automatisch uit mijn systeem verwijderd.

Perfect

Reizen is loslaten, je overgeven aan de macht van de piloot, van bus- en taxichauffeurs, van oplettende receptionisten en bewakers, maar ook de navelstreng met je sociale leven thuis – pang – laten knappen. Het lijkt willoos te gebeuren – sorry jongens, ik kan niet afspreken, ik ben in het buitenland – maar het is ook een vernuftige manier om je te onttrekken aan sociale verplichtingen: ik ben er niet.

Wie in het buitenland woont, gaat logischerwijs anders kijken naar het thuisland. De meeste emigranten gaan met het verloop van de tijd hun geboorteland idealiseren. Ik doe dat ook. Mijns inziens is Nederland nagenoeg perfect, een voorbeeld voor de rest van de wereld (uitgezonderd Scandinavië en Japan): de straten zijn blinkend schoon, de supermarkten zijn zeer luxe, er wordt alleen bij noodgevallen geclaxonneerd, mannen en vrouwen kunnen gewoon vrienden zijn, hardloopsters rennen alleen, er zijn geen muggen, er is nauwelijks corruptie, niemand komt uren te laat op een afspraak, de vuilnis wordt opgehaald, er stroomt lekker smakend drinkwater uit de kraan en gebruikt toiletpapier hoef je niet in een prullenbakje te gooien maar kun je gewoon in de pot laten vallen. Om maar wat te noemen.

We zijn grenzeloos verwend en dat maakt reizen naar armere landen voor ons westerlingen ook zo confronterend: ineens krijgen we onze zin eens níét.

En toch verstikte het me om op Nederlands grondgebied te zijn. Ik werd gedwongen mee te doen, een agenda te kopen (van papier, voor het visuele overzicht), afspraken te maken en die na te komen. Ik kreeg letterlijk maagzuur van al dat geplan: mensen die mailden en whatsappten om ‘agenda’s over elkaar heen te leggen’, die en die avond voor mij wilden ‘blocken’ of afspraken maken die als tostikaas tussen andere afspraken werden gelegd (‘Om half een, moet ik wel om kwart over twee weg’ of: ‘Anders lekker samen ontbijten bv. om 8.30 u. of liever nog om 8 u., dan hebben we langer’).

Reizen volgens Hannema

Handige tips: in Tel Aviv kun je als meisje om vier uur ’s nachts veilig over straat. ‘Iedereen heeft in het leger gezeten, dus als je in de problemen komt, is er altijd wel iemand die je redden kan.’ Zwemmen tussen rifhaaien in de Stille Oceaan. Vervelende mannen in Caïro, Pakistan en Syrië, en hoe op hen te reageren. Poëtische zinnen, zoals deze over Ghana: ‘Alleen als het donker is, na het opstaan van de nacht, glanst de hemel als net gewaterde aarde.’ Iris Hannema (Haarlem, 1985) schreef jarenlang voor tal van bladen over reizen in je eentje, van IJsland tot Cuba, en van Bora Bora tot Mongolië. In haar derde, recent verschenen bundel Reizen volgens Hannema (De Arbeiderspers; € 19,99) schrijft ze niet alleen over reizen maar ook over thuiskomen, met haar Franse geliefde Francisque, in een berghuis in de Franse Alpen. Of het reizen daarmee is afgelopen, staat te bezien. Twee weken geleden is ze vertrokken naar Tahiti, en werkt daar nu met Francisque als duikleraar. Op verzoek van Sir Edmund schreef ze een stuk over Nederland, waar ze tussendoor was om haar ouders te groeten en haar boek te lanceren.

Haar collega-reisschrijvers Kader Abdolah, Karin Anema, Stefan Brijs, Auke Hulst, Sarah de Mul en Leendert van der Valk zijn dit jaar de genomineerden voor de Bob den Uyl Prijs. Aanstaande zondag wordt bekend wie de 5.000 euro wint die aan de prijs verbonden is.

Ik kwam er gevoelsmatig niet onderuit, terwijl ik op reis juist alleen deed waar ik zelf zin in had. Het contrast van mijn leven ‘uit’ en ‘thuis’ stond me soms zo tegen dat ik, terug in Nederland, mijn telefoon wekenlang uitzette, overprikkeling veinsde en onderdook bij mijn ouders omdat ik geen mensen meer kon verdragen. Ik diagnosticeerde mezelf met escapistische reizigersziekte: obsessief bezig zijn met weg willen. Maar het was net zo goed vluchten voor ons sociaal-culturele gezelligheidsmoeten, een volgeprakte agenda met koffie- en eetafspraken. Hoe deden mensen dat als ze er het hele jaar waren? Stonden agenda’s dan het hele jaar zo overvol?

Muziekcollectie

Mijn emotionele dieptepunt bereikte ik een paar weken geleden, toen ik werd uitgenodigd door een website voor agendaplanning om met een groepje goede bekenden af te spreken. Steeds moest er weer een nieuwe datum worden toegevoegd, want niemand bleek op dezelfde dag te kunnen. Uiteindelijk werd er anderhalve maand later toch een datum gevonden waarop iedereen op dezelfde avond kon. Anderhalve maand! Ik was opgelucht, want op de heilige datum was ik zelf al lang en breed het land uit.

Geen natie is zo vrij als de onze en toch zit het in onze bundel van culturele afspraken dat we ons sociaal inblikken en vastzetten. Daarin schuilt onvrijheid. Waarom perken we ons in met zo’n schematisch bestaan? Hebben we deze manier van regie nodig om ons nuttig te voelen of zijn we zo’n uiterst beleefd volk dat geen ‘nee’ durft te zeggen? Vinden we alleen-zijn soms erger dan anderhalf uur met iemand koffie te moeten drinken die het alleen maar over zichzelf, de kinderen of zijn muziekcollectie heeft?

Bij mijn laatste bezoek aan het thuisfront, dit voorjaar, ontdekte ik een nieuw sociaal fenomeen: steeds meer mensen willen afspreken. De cultuur van samen koffiedrinken, lunchen of diner à deux is niet exclusief meer voor insiders, iedereen doet het met iedereen. Zin lijkt in ons sociale leven niet meer aan de orde, nee, ik heb veel afspraken dus van mij wordt veel gehouden, en jij, heb jij ook veel afspraken?

De vele ‘koffie doen?’-vragen die ik digitaal ontving, kwamen bijna allemaal van mensen die ik weleens zakelijk of via via ontmoet heb, maar nauwelijks ken. Ik vind dat zelf heel ongemakkelijk, georganiseerd tegenover een vrijwel onbekend iemand zitten en minstens anderhalf uur lang te moeten uitwisselen, maar kennelijk heeft die culturele omwenteling toch plaatsgevonden. Tel daarbij op dat het met afspraken gaat zoals met het krijgen van kinderen, het blijft vaak niet bij één, dus hoe vaker je met nieuwe mensen afspreekt, hoe drukker je het in de regel krijgt.

Dat innerlijke verandering leidt tot sociale liesbreuken houdt ons vermoedelijk af van massale scheidingsplannen. We willen voorkomen afgewezen te worden dus wijzen we de ander ook liever niet af. Zo kunnen vriendschappen – vaak aangegaan in een andere levensfase – verplichte agendapunten worden. Maar wie lang op reis gaat, kan niet met iedereen blijven jongleren. Er donderen gegarandeerd kegels op de grond en ook al gaan ze niet direct aan diggelen, stuiteren doen ze ook niet meer. Om te weten of je klaar bent voor sociale opruiming, zijn er aantoonbare symptomen: aversie tegen koffiebars, aversie tegen lulkoekpraat, aversie tegen mensen die continu met hun telefoon bezig zijn, levendige fantasieën over een mogelijke verdwijning (rugzak, liften, prepaidtelefoon waarvan niemand het nummer kent) om zo met een schone lei te kunnen beginnen.

Blijvend is de geruststelling van het opstijgen vanaf een startbaan. Gisterochtend, ingesnoerd op stoel 40B  schoenen en lenzen uit, bril op  verliet ik Nederland weer in opwaartse beweging en daarmee bevrijdde ik me op een van de makkelijkst mogelijke manieren van alle sociale verplichtingen. Opnieuw voelde ik Alex Garlands opluchting toen we een pennestreep tegen de blauwe Hollandse lentelucht waren geworden. Verdwenen voor hen die op de grond waren achtergebleven. Innerlijk bevrijd.

Vrij snel na het opstijgen verscheen er naast me in het nauwe gangpad een steward met koffie, thee en een ontbijtbroodje in een knap doosje. Ik was nog te veel bezig met loslaten om te kunnen eten of drinken en ik bedankte voor het aanbod. ‘Misschien een glaasje water?’ vroeg hij. ‘Ja graag, wat attent van u’, antwoordde ik enthousiast. Ik voelde direct een verstandhouding ontstaan en betrapte me op een gevoel van hoop hem op een volgende vlucht weer te zullen zien. 

-

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden