Een tweede Kosovo

Er dreigt een opstand in Tetovo, de Macedonische stad aan de voet van de bergen tussen Macedonië en Kosovo. De Albanese bevolking van Tetovo mort al jaren over de overheersing door Macedoniërs....

HET jongetje blaat als een schaap als het van zijn rotsblok springt, het loeit als een koe als het aan komt rennen en het briest als een paard als het stopt en zich breed lachend op de grond laat vallen. Zijn lippen, tong en tanden zijn paars van de bessen die hij liever eet dan dat hij ze verzamelt met de ijzeren bessenkam, die hij achteloos naast zich in het gras gooit.

De jongen heeft het hele leven al gezien, want behalve schapen, koeien, paarden en bessen is er niets, hierboven op de berg. Er is nog een meertje waarin je niet kunt zwemmen omdat het water te koud is, maar daar komt de jongen niet meer want het meertje ligt in de vuurlinie van de Servische soldaten die achter de bergkam zitten.

Alle schapen van het dorp zijn over de bergkam verdwenen zonder dat iemand ze durfde terug te halen. Mohamed Nurishi, de vader van de jongen, moest op ze passen. Hij doet voor hoe hij moest wegduiken voor Servische kogels, en wijst met duim en wijsvinger hoe weinig een van de kogels maar van zijn hoofd verwijderd was toen die tegen een rotsblok ketste. Hij heeft zich nooit meer in de buurt van de bergkam gewaagd.

Het dorp van Nurishi ligt duizend meter lager tegen de helling geplakt. Zover het oog reikt behoort alles tot zijn dorp, en daarmee tot Macedonië. Maar waar het oog niet meer komt, achter de bergkam op nog geen tien minuten lopen van de bessenplukkers, begint Kosovo.

Boven de glooiende helling vol bessenstruiken ligt op bijna twee kilometer hoogte een moeizaam begaanbare pas die Macedonië en Kosovo met elkaar verbindt. Het is van hieruit drie uur lopen naar de stad Prizren in Kosovo, en een uur naar de dichtstbijzijnde dorpen aan de overkant.

Elke nacht steken groepen mannen te voet en te paard de pas over van en naar Kosovo. Wat die mannen doen, weten Mohamed Nurishi en zijn dorpsgenoot Ramadat Isaki niet, zeggen ze. Zelf maaien ze hierboven alleen maar hooi voor de winter, terwijl de vrouwen en de kinderen bessen plukken om ze beneden in de stad te verkopen. 'We hebben de mannen nooit gezien', zeggen de twee boeren. 'Alleen gehoord', zeggen ze.

Sinds vrijwel de hele grens met Albanië door de Servische troepen met landmijnen is vergrendeld, geldt Macedonië als belangrijkste doorvoerland voor wapens en manschappen voor het Kosovo Bevrijdingsleger (UCK).

De hooggelegen bergpas is een van de mogelijke routes om ongezien de grens over te komen. Mijnen zijn hier niet, zeggen de twee boeren, alleen soldaten. Maar elders langs de Servisch-Macedonische grens zijn waarnemers van de Verenigde Naties tijdens hun patrouilles al op mijnenvelden gestuit - op Macedonisch grondgebied (de Serviërs nemen het in de bergen niet zo nauw met de exacte ligging van de grens). Volgens de krant Nova Makedonija hebben Joegoslavische troepen al maanden mijnen gelegd, om na de Albanese grens ook die met Macedonië hermetisch te sluiten en het UCK te isoleren.

Het dorp van de twee mannen is honderd procent Albanees. Dat betekent onder andere dat de asfaltweg er niet komt: die houdt op bij het laatste dorp waar nog Macedoniërs wonen. Van daaruit loopt alleen een weg van stof, zand en keien naar het dorp, een weg die door de dorpelingen zelf moest worden bekostigd.

Van het dorp verder omhoog naar de pas loopt alleen nog een voetpad. 'De weg' noemen de inwoners het hier - als een herinnering aan een echte weg die er nooit gekomen is. Ook daarvoor heeft de Macedonische regering nooit geld willen uitgeven. De 'apartheid' reikt tot helemaal hierboven in de verste en armste uithoeken.

'Apartheid' is het woord dat de Albanezen steeds vaker in de mond nemen. Misschien is 'apartheid' ook wel het meest toepasselijke woord voor een werkelijkheid waarin het Albanezen onmogelijk wordt gemaakt te studeren en te werken en zij geweerd worden uit openbare functies, terwijl een kleine Slavische minderheid (van Serviërs in Kosovo en Macedoniërs in de westelijke helft van Macedonië) alles bezit - leger, politie, scholen, universiteiten, sportstadions, theaters, hotels en grote bedrijven.

Albanezen maken eenderde van de bevolking uit, maar desondanks is maar 3 procent van alle ambtenaren Albanees. Het aantal afgestudeerde Albanezen aan de (Macedonische) universiteit van Skopje bedroeg de afgelopen vijftig jaar in totaal 450, nog minder dan het aantal afgestudeerde Afrikanen: dat waren er zeshonderd. In politie en leger is geen plaats voor Albanezen.

Alleen de bergkam staat, als een spiegel, tussen Macedonië en Kosovo. Het verschil tussen deze en gene kant van de spiegel is een oorlog die daar al wel, maar hier nog niet is uitgebroken. Verder is bijna alles identiek. Aan deze kant van de spiegel heten de Serviërs alleen Macedoniërs, is de politie Macedonisch, heet het hotel niet Grand Hotel maar Hotel Makedonija en heet de hoofdstraat Maarschalk Tito Boulevard. En de Albanezen heten Albanezen.

De boulevard van Tetovo, de belangrijkste Macedonische stad aan de voet van de bergen, is vierbaans, althans had dat moeten worden, maar halverwege staat nog steeds het huis met huisnummer vijf, dat twee banen van de weg blokkeert. De eigenaar weigert al jaren het te verkopen en dus bestaat de Tito-boulevard links en rechts van het huis uit een tweebaans parkeerplaats die de Albanezen er hatelijk aan herinnert wie in Tetovo de dienst uitmaken: het huis is eigendom van een Macedoniër. Als het van een Albanees was geweest was het allang gesloopt.

Op de middenberm van de boulevard groeien geraniums, in bakken op een laag ijzeren hek. Het hek markeert een grens die pas 's avonds echt zichtbaar wordt: als de mensen hun huizen uit komen om te flaneren. De kant van huis nummer 5 is vrijwel leeg, en ook de restaurants en koffiehuizen zijn verlaten, terwijl de overkant bruist van leven: de overkant is Albanees.

Het hek heeft onlangs een aantal Macedoniërs gered die moesten wegvluchten voor woedende Albanezen. Agenten vormden achter de geraniums een kordon, dat verhinderde dat er slachtoffers vielen.

In Tetovo wordt weer gevochten. Drie weken geleden voor het eerst. De ober van (het Albanese) restaurant Arbi grijnst trots als hem gevraagd wordt naar de vechtpartij: 'Ja dat was hier, bij ons in restaurant Arbi.' Ze hebben de Macedoniërs er flink van langs gegeven. Het begon als een caféruzie om een meisje. Een Macedoniër koelde zijn woede op een tafeltje, een Albanees sloeg terug en binnen tien minuten woedde er een veldslag tussen Albanezen en Macedoniërs, die al gauw het hek op de Tito-boulevard over moesten vluchten naar 'Macedonisch grondgebied'.

Afgelopen zaterdag is er opnieuw gevochten. Weer woedde er in een mum van tijd een veldslag tussen Macedoniërs en Albanezen, opnieuw op een punt waar het Macedonische en het Albanese uitgaansleven aan elkaar grenzen. Ditmaal duurden de gevechten drie uur: twee Macedoniërs raakten ernstig gewond.

Zondagnacht was het opnieuw rumoerig. 'Het moet ergens beginnen', zegt een Albanese. In haar stem klinkt iets van verwachting: 'het' dat moet beginnen, is de opstand van de Albanezen tegen de Macedonische overheersing. Een opstand net als in Kosovo. Vooral in Tetovo heeft die opstand altijd al in de lucht gehangen.

Een kleine rode vlag met de tweekoppige adelaar - de verboden Albanese vlag - wijst erop waar het kantoortje van de Democratische Partij van de Albanezen, de PDSH, is. De burgemeester van Tetovo en die van het nabije Gostivar zitten al zes maanden in de gevangenis omdat ze diezelfde vlag hadden uitgestoken, maar Arben Xhaferi, de leider van de PDSH, is nog op vrije voeten. De vlag buiten is hem heilig. 'Het is niet de vlag van Albanië, maar die van alle Albanezen', zegt hij. De Albanezen, of zij nu in Kosovo wonen, in Macedonië of Albanië, zijn namelijk één volk. 'Wij zijn anders', zegt Xhaferi.

Bij de jongste lokale verkiezingen behaalde zijn partij in het (door Albanezen overheerste) westen van Macedonië 60 procent van de stemmen. De PDSH won tien burgemeesterszetels en tweehonderd raadszetels, en prognoses voor de voor oktober geplande parlementsverkiezingen wijzen al op een steun van 68 procent van de Albanezen voor Xhaferi's partij. Als de verkiezingen eerlijk zullen zijn, wordt hij een politieke factor van belang.

Xhaferi is net weer verhuisd naar een ander appartement, 'ergens in Tetovo'. Hij verhuist vaak, uit voorzorg. Zijn geschiedenis overlapt die van de Albanese strijd: zijn vader was al een politiek activist en zat tussen 1945 en 1955 in toen nog Joegoslavische gevangenissen. Hijzelf liep, met zijn broer, vooraan in de Albanese protesten van 1968 en werd eveneens gevangengezet. Hij was toen achttien. 'Niemand had de moed om te protesteren. Zeshonderdduizend mensen werden door de politie opgepakt, iedere intellectueel, iedereen met een middelbare-schooldiploma. Het wemelde van de spionnen.'

Xhaferi moest uitwijken, studeerde in Belgrado en leefde daarna vijftien jaar in Kosovo. Daar werkte hij voor de Albanese zender TV Pristina tot de zender door de Serviërs werd opgedoekt toen de autonomie van Kosovo in 1990 werd afgeschaft. In 1993 keerde Xhaferi terug naar Macedonië, waar hij in 1994 in het parlement gekozen werd. Hij heeft sindsdien steeds geweigerd zijn zetel in te nemen, uit protest tegen de nieuwe Macedonische grondwet die het Macedonisch tot staatstaal verheft en het cyrillisch tot het enige officiële schrift. 'Zij vroegen ons loyaal te zijn aan deze nieuwe grondwet. Maar ik weigerde me te laten elimineren.'

Xhaferi toont zijn parlementspasje: in cyrillisch. 'Dat is niet ons alfabet. Wij hebben het Latijnse alfabet, we hebben onze eigen taal, onze eigen cultuur en onze geschiedenis. Zij kunnen niet eisen dat de Albanezen integreren, want wij zijn in alle opzichten gelijk aan de Macedoniërs.'

Met de invoering van de nieuwe grondwet begonnen in Macedonië de onlusten. Zij vonden een hoogtepunt toen in Tetovo een Albanese universiteit werd opgericht. In februari 1995 werden de rector van die universiteit en enkele hoogleraren gearresteerd en vier tot tien maanden gevangengezet. Bij de protesten tegen die arrestaties werd een Albanees gedood.

In Reçica, een buitenwijk van Tetovo, studeren nu ongeveer zesduizend studenten in dertien faculteiten. De faculteiten zijn ondergebracht in particuliere huizen die door de eigenaren ter beschikking zijn gesteld, het geld komt van de 800 duizend Albanezen in Macedonië die ieder 1 D-mark bijdragen. Ondanks aanhoudende tegenwerking van de Macedonische overheid is de eerste lichting studenten afgestudeerd. Hun foto's hangen in Reçica. 'De universiteit is een feit. Haar bestaan kan niet meer worden genegeerd', zegt Milaim Fejziu, voorzitter van de senaat van de universiteit.

Fejziu is een voorzichtig man, die voortdurend beklemtoont dat de universiteit geheel in overeenstemming met de wetten van Macedonië is opgericht, dat zijn bestuur die wetten respecteert, en dat hij ook Macedonië als staat aanvaardt. Pas laat in het gesprek komt er een barst in zijn pantser van redelijkheid: 'Maar als de Macedoniërs denken dat Macedonië er alleen is voor Macedoniërs, een land met één cultuur, één kerk, één taal, dan zijn wij hier om ons te verzetten. Wij zijn erg dicht bij Kosovo. Je ziet geen verschil. Wij zijn één volk, we horen al eeuwen bij elkaar. De grenzen tussen ons zijn kunstmatig, ze zijn marginaal. Dit soort grenzen kan niet de wil van de Albanezen tegenhouden om bij elkaar te zijn. De natuurlijke grenzen op de Balkan liggen elders. En als grenzen in Duitsland kunnen verdwijnen, kan dat hier ook.'

Bijna dreigend vervolgt hij: 'En de Macedoniërs hebben niet dezelfde kracht als de Serviërs. . .' Om zich vervolgens toch te hernemen: 'Niet dat we nu de grenzen willen veranderen. Zoals gezegd: we erkennen de Macedonische staat.'

Ook Arben Xhaferi hult zich in politieke omzichtigheid. Zijn eisen zijn in eerste instantie politiek: hij eist nog steeds een nieuwe grondwet, waarin de Albanezen dezelfde rechten worden gegarandeerd als de Macedoniërs. 'Maar de Slaven zijn moreel nog niet volwassen. Zij kennen de gouden regel niet die zegt: ''Wat jou is toegestaan, moet iedereen zijn toegestaan.'' Hier huldigen ze dat alleen jegens hun eigen familie. Dat is het peil van hun beschaving.

'En de Macedoniërs gedragen zich als alle andere Slaven. Wij erkennen Macedonië, en in ruil daarvoor nemen ze ons elke keer iets af. En ze krijgen, van Europa, wat ze willen. Na het uiteenvallen van Joegoslavië: wie kregen er het recht op zelfbeschikking? De Slovenen (1,9 miljoen mensen), de Macedoniërs (1,8 miljoen mensen), de Montenegrijnen (600 duizend), de Serviërs. Maar de Albanezen hebben niet het recht over hun zelfbeschikking te spreken. De Russen mogen praten over Russische belangen, de NAVO mag praten over NAVO-belangen, maar wij mogen niet praten over Albanese belangen.

'Ik snap niet waarom mensen zo bang zijn voor Albanezen. ''Groot-Albanië'' is zo klein. Veel kleiner dan een Groot-Servië of een Groot-Rusland. Ze zouden blij moeten zijn met ons. Wij zouden een stabiele, sterke staat kunnen vormen, een stabiliserende factor op de Balkan.

'Maar wij zijn nu eenmaal ''anders''. Wij zijn niet compatible. Wij hebben geen Russisch broedervolk om ons in de Veiligheidsraad te steunen. Wij hebben drie religies - katholiek, orthodox en islamitisch. Wij hebben een heel eigen taal: we zijn geen Latijnen en geen Slaven, we zijn ouder. We hebben onze eigen code, onze eigen wetgeving die ook al ouder is dan de meeste andere juridische systemen. Wij horen nergens bij, en dat is iets waar Europa geen raad mee weet. Daarom worden Albanezen nu afgeschilderd als de troublemakers van de Balkan. Het Westen bekijkt ons nog steeds met een blik die is gevormd tijdens de kruistochten.

'Dat Milosevic in Belgrado de kwade genius is achter alles wat hier gebeurt - de Macedoniërs hebben hun politieke systeem van hem gekopieerd -, wordt stelselmatig verdrongen. Wij, de Albanezen, moeten onze mond houden. Wij mogen niet praten over zelfbeschikking, maar hoogstens over onze rechten als ''minderheid''. Wij mogen niet vechten zoals de Kroaten of de Slovenen, omdat het OVSE liever een slechte vrede heeft dan een goede oorlog.'

De rustige stem en de beheerste redeneer trant van de afgestudeerde filosoof Xhaferi verhullen bijna de dreiging die onder zijn woorden schuilt. De dreiging van een tweede 'Kosovo'. Dat is niet meer ver weg: 'Het verlies van de geloofwaardigheid van de politiek leidde in Kosovo tot het UCK, het Kosovo Bevrijdingsleger. In Macedonië verliest de politiek meer en meer haar geloofwaardigheid.

'Het UCK is geen schimmige organisatie. Het is een echt leger, dat openlijk vecht met de Serviërs. Wat ze nodig hebben is logistiek. Je kunt niet vechten als je je kind naast je hebt, zoals in Drenica. De Serviërs maken geen onderscheid in wie ze doodschieten. Ze kunnen het UCK niet verslaan omdat ze geen soldaten doden. Het UCK zal winnen, niet nu, maar op de lange termijn.

'De Albanese mentaliteit zal ze verslaan: Albanezen vluchten niet, ze gaan niet in exodus, ze blijven waar ze zijn, omdat Albanezen alleen maar hier kunnen wonen, waar ze thuishoren. Ze kunnen ons de bergen in jagen, en we zullen gaan, maar binnen twee uur zijn we ook weer terug.'

Zijn partij is, zegt hij, niet betrokken bij de financiering of bewapening van het UCK. Maar veel jonge Albanezen uit de streek zijn de grens overgetrokken om voor hun volk te vechten, en als het moet zullen ze ook hier de wapens opnemen: 'De Macedonische politiek maakt Albanezen tot soldaten, bereid om te vechten voor hun rechten. De Macedoniërs moeten zich realiseren dat de Albanezen hier veel sterker zijn dan die in Kosovo, omdat Macedonië niet beschikt over een leger zoals dat van de Serviërs.'

Macedonische militairen laten zich boven in de bergen nooit zien. Een helikopter van de Verenigde Naties is de enige die af en toe langsscheert om een vluchtige blik te werpen. Verder komt hier niemand. Bijna niemand. Drie mannen houden nieuwsgierig de wacht bij de vreemde auto die in hun dorp is geparkeerd. Als de chauffeur komt afgedaald van boven, van de grens, wordt hij onderworpen aan een vriendelijk kruisverhoor, krijgt koffie, en kan dan maar beter gaan.

'Het wordt gauw donker. U moet zorgen dat u voor de nacht beneden bent. De weg is slecht, weet u, vooral in het donker is hij erg gevaarlijk.'

Men zegt dat hier vooral in het donker druk grensverkeer is. UCK?

'Daar weten we niets van. We hebben nooit UCK gezien. Soms komen er inderdaad mensen uit Kosovo. Maar die komen om sigaretten te kopen, of brood.'

De vreemdeling vertrekt, begeleid door vele ogen die hem achterdochtig volgen tot hij helemaal beneden is, op het asfalt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden