Een onbelangrijk land

Handarbeid was in Sparta verboden. Productieve arbeid was in Sparta verboden. Ik lees het zojuist in het klassieke boek Utopia van Todd en Wheeler....

De Spartaanse afkeer van handarbeid zien we op een meer beschouwelijke manier terugkomen in de traditie van de utopieën. Volgens Thomas More waren de bewoners van zijn Utopia vooral gesteld op geestelijk voedsel, 'hetgeen zij van veel meer waarde achten dan de puur lichamelijke geneugten als krabben, eten, drinken, zich wassen en boenen.' En die voorkeur voor denken deelden zij met de bewoners van heel wat andere beroemde boeken.

Er zijn natuurlijk altijd ook lichamelijke utopieën geweest. Agrarische utopieën. Ambachtelijke utopieën. Nijvere dromerijen van doeners over eigenhandig geiten hoeden, eigenhandig kleren weven, eigenhandig tafels timmeren en strijden met de natuur. Maar zulke dromen maken in Nederland tegenwoordig geen kans meer. Hier is allang geen plaats meer voor geiten, zelfs niet in gedachten. Nederland is een dienstensamenleving geworden – en een dienstensamenleving is gewoon een ander woord voor intellectuele utopie. Nederland draait op geestelijk voedsel. Nederland bestaat uit commentaar op commentaar op commentaar.

Eerlijk gezegd twijfel ik wel eens aan het belang van al dat geestelijk voedsel. En als ik er zelf niet aan twijfel, twijfelen anderen er wel aan. Tijdens een diner met ambachtelijk voedsel werd me laatst over tafel heen de vraag toegeworpen wat filosofen, commentatoren en columnisten eigenlijk bijdragen aan het heil van Nederland. Slapjes antwoordde ik dat je datzelfde zou kunnen vragen over bestuurders, managers, ambtenaren, politici, psychologen, administrateurs en inspecteurs en alle andere werkgevers en werknemers wier werk bestaat uit praten en rapporten schrijven.

Toch was ik het stilzwijgend wel met mijn tafelgenote eens. Niet voor niets denk ik vaak terug aan die mooie documentaire over een commune die een jaar of wat geleden werd uitgezonden op de Nederlandse televisie. Een jonge Duitse vrouw vertelde in die documentaire hoe ze zichzelf opeens had zien staan tijdens een politieke demonstratie in Berlijn. Een spandoek in haar handen, met daarop een nogal uitgesproken mening over het Duitse economische beleid. 'Hoe kom ik eigenlijk aan die mening?' vroeg ze zich voor het eerst in haar leven verwonderd af. En ze besefte dat ze die mening had opgeduikeld uit boeken, krantenartikelen en pamfletten waarvan ze de waarde onmogelijk kon bepalen. Ze gooide al haar boeken in de kachel en vertrok naar een commune om zelf geiten te gaan hoeden en zelf kleren te gaan weven. Een commune in Zuid-Amerika, waar ze nog ruimte hebben voor geiten en voor autarkie.

De Duitse demonstrante had gelijk. Het kan in onze meningenmaatschappij bepaald geen kwaad je zo nu en dan af te vragen hoe je aan je mening komt. Plotseling zie je jezelf staan met een spandoek en een boodschap – maar waar haal je die boodschap in hemelsnaam vandaan? Kortom, ik was in algemeen kritische stemming over spandoeken en meningen toen ik een televiserecensie las van Paul Brill over satire. In de voorlaatste aflevering van zijn televisierubriek ging Brill op ongewoon strenge toon tekeer tegen 'de vrijheid om maar lukraak alles te zeggen'.

Aanleiding voor Brills kritiek was het besluit van een Amerikaanse omroep de omstreden serie The Reagans niet uit te zenden. In Nederland is zoiets ondenkbaar, schreef Brill: 'Bij ons in Holland gaan we heel wat ruiger om met onze gezagsdragers. Hier sleuren we onze ministerpresident onbekommerd door de drek. Vinden we het niks bijzonders dat hij in een sketch van Jiskefet fungeert als de natte droom van een paar overjarige militairen die zo graag hun ”plasser” tegen zijn bleke vlees zouden willen drukken. Kijken we er niet meer van op dat hij wordt afgeschilderd als een Zeeuwse boerenpummel die zich in het toilet staat te bevuilen en die zich op seksueel terrein geen raad weet. Grappen daarover behoren tot het standaardrepertoire van de Nederlandse tv-komiek.' Tot zover Brill.

De minister-president had het ook gelezen. Ongetwijfeld voelde hij zich gesteund, en de volgende dag herhaalde hij deze kritiek op de 'diarree van schimpscheuten' tijdens een persconferentie, in iets andere bewoordingen. Hij besloot de zaak niet al te persoonlijk te benaderen en dus nam hij niet zichzelf maar het staatshoofd in bescherming. Maar in zijn enthousiasme was de minister-president helemaal vergeten dat er een verschil bestaat tussen een minister-president en een televisie-recensent. Terecht werd hem verontwaardigd verweten dat hij zijn bevoegdheid verre te buiten was gegaan.

In deze rellerigheid rond de minister-president viel het niet iedereen op dat Brill intussen gemakkelijk gelijk kreeg. Als verdedigers van de satire traden mannen aan met namen als Timmer, Spijkerman en Beukenkamp. Ze maakten satire of zonden die uit. 'Het is maar satire', zeiden Timmer en Spijkerman. Een lapzwanzerige verdediging die aan Brills woorden deed denken: 'Waar iedereen de vrijheid neemt om maar lukraak alles te zeggen, verliezen de woorden hun kracht. Mateloosheid is het privilege van een onbelangrijk land, dat zichzelf niet erg serieus neemt.'

Beukenkamp deed gelukkig nog wel een poging de satire serieus te nemen: 'Als minister Donner zegt dat een overdaad aan satire de werkelijkheid kan verdringen, dan heeft hij daar gelijk in. Goede satire is gevaarlijk. Dat is ook de functie van kunst: onrust zaaien.' Maar dit deed automatisch de vraag rijzen waarom een levensgevaarlijke onrustzaaier zich zou willen beperken tot onnozele plaagstootjes in de richting van een koningin.

Nederland bestaat, denk ik, uit meningen. Als onze woorden aan kracht willen winnen, kan het geen kwaad af en toe serieus na te gaan waar we ze vandaan halen, wat we ermee beogen, hoe we ze gebruiken, in welke hoedanigheid we ze uitspreken of ze eigenlijk nog wel ergens over gaan. Dat had de minister-president allemaal heel goed gezien. En precies daarom had hij ook nooit de vrijheid mogen nemen om dat maar lukraak te zeggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden