Een onbaatzuchtige gouddelver

Johann Olav Koss won vier jaar geleden driemaal olympisch goud, schonk zijn premies aan Olympic Aid en sloot daarmee de weg terug naar de anonimiteit voorgoed af....

WYBREN DE BOER

JOHANN KOSS staat op het punt zich naar de ceremonie protocolaire te begeven om zijn tweede olympische titel in ontvangst te nemen, als het idee hem bekruipt dat dìt het moment is om zijn stem te laten klinken. De afgelopen zomer is hij in het kader van Olympic Aid in Eritrea geweest en nu, nu hij als gouddelver van de Olympische Spelen 1994 alle ogen van de wereld op zich gericht weet, is er ineens de kans om écht iets te betekenen.

'Plotseling had ik de kans om iets te doen voor mensen in de wereld die het veel slechter hebben dan jij of ik. Mensen voor wie een olympische medaille niks is, maar die zich elke dag zorgen moeten maken om een stuk brood of een beetje water.'

Na zijn tweede olympische triomf in het Vikingschip laat Johann Koss weten zijn premies in het Olympic Aid Fund te storten en hij vraagt het publiek eenzelfde gebaar te maken. Vier jaar later verbaast hij zich nog over het effect dat zijn woorden teweeg brachten. 'Er werd massaal gereageerd. Het klinkt misschien alsof het niet spontaan was, maar dat was het wel.

'Jarenlang was er niets belangrijker geweest in mijn leven dan olympisch goud. Mijn hele carrière had ik naar de Spelen van 1994 toegewerkt. Dan win je, and that's it. Aan één kant was ik tevreden, ik had goud, maar aan de andere kant wilde ik meer, nog een keer goud, liefst zelfs nog twee keer. En ondertussen spookten die beelden van Eritrea door mijn hoofd.

'Raar is dat. Als je jong bent droom je van een medaille of een titel. Als ik maar één keer de beste kan zijn, denk je dan. Maar zodra het zover is, wil je meer en meer. Topsporters zijn egoïstisch en ze leven in een heel klein wereldje. Die avond voor de 1500 meter ging dat door me heen: ik had er altijd van gedroomd een groot kampioen te zijn en tegelijk heb ik altijd tegen mezelf gezegd dat het maar sport is.

'Die avond nam ik me voor: als ik morgen win, moet ik iets met mijn succes doen. Er zijn genoeg mensen die in de positie zijn om arme landen te helpen, maar slechts weinigen handelen ernaar. Zomaar opeens was ik in die positie, alleen maar omdat ik toevallig goed kan schaatsen. Op weg naar het podium na de 1500 meter wist ik het: dit is het moment om meer te zijn dan alleen maar een olympisch kampioen.'

Een Olympiade na Hamar is zijn voornaamste streven nog altijd om een goede huisarts te worden, hetzelfde doel dat hij voor ogen had toen nog niemand de schaatser Koss kende. Maar wie viermaal olympisch goud heeft veroverd, leert dat succes voor eeuwig z'n tol blijft eisen. Johann Koss geeft lezingen, bezoekt als ambassadeur van Unicef ontwikkelingslanden en kan maar moeilijk 'nee' zeggen tegen charitatieve instellingen die zijn steun vragen. 'Het studeren gaat langzaam, maar toch zal ik eens dokter zijn.'

Soms probeert hij te analyseren wat hem is overkomen.

'My God, ik schrok van wat ik in gang had gezet met Olympic Aid. Ineens werd ik beschouwd als een frontrunner, dat maakte me bang. Ik had een oproep gedaan voor steun, maar het was zeker niet mijn bedoeling als een politiek of maatschappelijk leider op te treden. Maar het was niet meer te stoppen, ik kon niet meer terug. Nu ben ik daar ook blij om, ik ben trots op wat ik gedaan heb.'

De parallellen met zijn ontwikkeling als schaatser zijn frappant, erkent Koss. Ook als sporter was hij tot de wonderlijke ontdekking gekomen dat het doel dat hij zichzelf gesteld had bij het publiek nog hogere verwachtingen wekte, waardoor hij zich een gevangene ging voelen van zijn eigen ambities. Hij schreef er na zijn goldrush een boek over - Effect - samen met de psychologen, de gezusters Heidi en Bente-Marie Ihlen, die hem leerden met de stress om te gaan.

'Zonder hun hulp was ik net zo'n goede schaatser geworden, maar had ik misschien niet drie keer goud gewonnen in Hamar. Zij hebben me geleerd de spanning te controleren. Het idee dat vijftienduizend toeschouwers me zouden willen slachten als ik ze teleurstelde, maakte me soms gek. De zusjes Ihlen zeiden: die mensen zitten er juist omdat ze geloven dat jij de kracht hebt om te winnen.'

Het klinkt simpel, erkent Koss, en zo hebben ze het in hun boek ook willen verwoorden. 'Heavy psychology in the easy way.' Terwijl het in de praktijk natuurlijk niet zo eenvoudig is: twee jaar heeft het geduurd voordat hijzelf de theorie van de Ihlens in de praktijk wist te brengen, en met hem zijn teamgenoten van de Noorse schaatsploeg. 'Maar uiteindelijk zijn we dankzij die mental training zo sterk geworden dat we elke tegenslag konden overwinnen.'

Het voorbeeld dan maar: kort voor de Olympische Spelen van 1994 raakte Koss tijdens de wereldbekerwedstrijden in Innsbruck in een mentale crisis, in cijfermatig opzicht geïllustreerd met een achterstand van zeven seconden op winnaar Zandstra op de vijf kilometer. Opbeurende woorden van bondscoach Kristiansen hielden Koss op de been, maar zijn psyche werd pas werkelijk gerepareerd in de praktijk van de Ihlens. 'Ik was in paniek, maar Heidi en Bente-Marie bleven rustig.

'Ik kwam binnen, ging zitten en het eerste wat ze vroegen was: zou je niet met schaatsen stoppen? Ik was geschokt. Uitgerekend zij, de psychologen die me twee jaar begeleid hadden, vroegen of ik er niet beter mee op kon houden. Nooit, zei ik. Stoppen was het enige dat onbespreekbaar was. Waarom, vroegen zij. Omdat ik zes jaar alles opzij heb gezet voor deze Spelen, antwoordde ik. Waarop zij zeiden: als je zes jaar zo hard gewerkt hebt, waarom ben je dan bang dat al die arbeid nu ineens verdwenen is?

'Het klinkt kinderlijk eenvoudig, maar dat moest ik nou juist horen. Iedereen in mijn omgeving was rustig, omdat ze geloofden dat ik fysiek de kracht had. Na dat gesprek in Oslo was ik daar zelf ook weer van overtuigd. Ik had niks meer kunnen doen, niet harder kunnen trainen, dat gaf me rust. Denk niet dat deze lessen alleen voor mij hebben gewerkt. Ook Sndrål en Storelid zijn er sterker door geworden.

'De Noren vormen een hecht team, niet zomaar een stel schaatsers die toevallig samen zijn, maar een groep sporters die elkaar beter proberen te maken. Ik merk dat jullie Nederlanders daar soms een beetje lacherig over doen, maar het werkt echt. Natuurlijk zou ons systeem bij jullie kunnen werken, maar ik betwijfel of jullie schaatsers het ook willen.

'Bij de Nederlanders is een teamgenoot tegelijk een concurrent. Wie bij jullie uit vorm is, wordt meteen voorbij gestreefd. Sndrål en Storelid hebben de afgelopen drie jaar alle blessures gehad die je maar kunt bedenken. Als ze dat in Nederland was overkomen, hadden ze waarschijnlijk niet meer geschaatst. Maar in Noorwegen helpen we elkaar, en krijg je de tijd om terug te komen. Straks in Nagano zijn Sndrål en Storelid er weer bij. En ze kunnen winnen.'

Hoewel ze daarvoor in de eerste plaats moeten afrekenen met Ritsma, de Fries die na het afscheid van Koss de heerschappij over de schaatswereld overnam. Het respect van de oude koning voor zijn opvolger is 'bijzonder groot', niet in de laatste plaats omdat Ritsma in de ogen van Koss geen supertalent is. 'Technisch was hij nooit zo indrukwekkend als de andere Nederlanders, maar hij is wel de beste van allemaal geworden. Dat is bijzonder knap.

'Ritsma is boven zichzelf uitgestegen. Hoewel, nee, dat is bij nader inzien geen goede uitdrukking. Als je al vier jaar aan een stuk de beste bent, ben je niet boven jezelf uitgestegen. Dat is geen toeval meer. Hij heeft heel hard getraind, niemand is fysiek zo sterk als hij. De Koss van '94 tegen de Ritsma van nu, dat zou een geweldig gevecht zijn. Ritsma is in staat drie keer olympisch goud te winnen, al is de concurrentie per afstand wel erg groot.'

- Maar geen Zandstra meer.

'Nee, geen Falko meer, ongelooflijk.

'Zandstra is een fenomeen zoals ik nooit eerder heb meegemaakt. Zes jaar geleden waren de Nederlanders een beetje bang voor mij, ik kon het voelen. Toen kwam Zandstra en die trok zich nergens iets van aan. Soms deed hij niet eens een warming-up, en toch was hij gewoon de snelste. Ik was niet bang voor hem, maar ik beschouwde Zandstra wel altijd als de enige die voor mij de Spelen zou kunnen verstoren.'

Hij heeft Zandstra nadien nog een aantal keren zien schaatsen, maar het is niet meer de Zandstra waarmee hij ooit de strijd aanbond. 'De magie is weg.' En dat heeft niets te maken met de introductie van de klapschaats, maar veel meer met de vergeefse speurtocht naar het ondefinieerbare machtsgevoel dat alle supertalenten in hun hoogtijdagen ervoeren. Zoals Van Gennip in 1988 en zoals Koss in 1994. 'Het is niet te beschrijven, alsof alles vanzelf gaat.

'Het ritme, de balans, de techniek, alles klopte. Zo perfect had ik het zelfs in trainingen nooit meegemaakt. En dan is het er ineens, als een wonder, nog wel in de belangrijkste week van je carrière. Misschien is dat de voornaamste reden waarom ik gestopt ben. Ik wilde na Hamar nog wel twee of drie jaar schaatsen, maar tegelijk wist ik bijna zeker dat ik dat gevoel van Hamar nooit terug zou krijgen. Zo schaats je maar een week in je leven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden