Een mentor moet je niet krijgen maar zélf zoeken

Voor iedere kansarme een mentor was de uitkomst van de Sociale Agenda, die nu als boek verschijnt. Paul Schnabel las het en waarschuwt dat zulke ongevraagde geschenken snel als belediging kunnen worden opgevat....

Kijk, dat is nou eens een leuk idee. Iedereen een mentor, in ieder geval de half miljoen kansarmste inwoners van dit land. Daar heb je wel minstens een half miljoen en misschien zelfs wel een miljoen mentoren voor nodig. Dat hoeven dan niet meteen ook de meest kansrijke inwoners te zijn, maar zelfs zonder dat zou het betekenen dat ongeveer een op de zeven huishoudens een mentor zou tellen en een op de dertig huishoudens een mentor zou krijgen. Dat is erg veel en dat roept meteen de vraag op wie dat aan beide zijden gaat organiseren en hoe je ook een beetje in de gaten houdt of het allemaal goed loopt. Bovendien, wat moet zo’n mentor eigenlijk doen en kan hij of zij dat ook doen? Wat te doen als het niet klikt tussen mentor en pupil of als de pupil helemaal geen mentor wil?

Het lijkt een beetje flauw om een goed idee met dit soort vervelende vragen meteen de grond in te boren. Cynisme is ook een manier om de handen niet uit de mouwen te hoeven steken. Als iedereen meteen ‘ja, maar...’ gaat roepen, komen we nooit verder. ‘Starke Männer braucht das Land’, geen beterwetende stuurlui aan wal. Dat is ook weer waar en daarom is het goed om eens te kijken of de nummer één van de top zeven van de Sociale Agenda – ‘een mentor voor iedereen aan de onderkant’ – meer is dan een sympathieke gedachte van Volkskrant-lezers die niemand tot iets willen dwingen. Want dat geldt voor alle voorstellen uit de top zeven: de toon is positief, de inzet is opbouwend en de onuitgesproken verwachting is dat iedereen, aan de bovenkant en aan de onderkant, mee wil doen en uiteindelijk ook hetzelfde wil. Het is zeer de vraag of dat waar is. Misschien is het echte probleem wel dat de eendracht van het land niet langer bestaat en dat de Sociale Agenda dus ook niet als oplossing moet presenteren wat een nieuwe Sociale Agenda juist zo nodig maakt.

Telemachus

Mentor stond als oudere vriend Telemachus, de zoon van Odysseus, met raad en daad bij. Een mentoraat is duidelijk nog altijd een een-op-eensituatie, waarin de oudere, wijzere, meer ervaren partner bereid is zijn inzicht en kennis belangeloos ter beschikking te stellen van iemand die nog jong en onervaren is. De relatie heeft een vriendschappelijk karakter, de sociale afstand tussen Mentor en Telemachus is dus gering, en het advies dat gegeven wordt, is direct van nut voor de ontvangende partij. Anders gezegd, Mentor kent de wereld van Telemachus uit eigen ervaring goed of helpt Telemachus de weg vinden in een voor hem nog nieuwe wereld. Dat was drieduizend jaar geleden zo in de tijd van Homerus en het is nu nog steeds zo.

Telemachus en Mentor lopen in duizendvoud rond in Nederland. De Algemene Bestuursdienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken laat high potentials begeleiden door ervaren ambtenaren op hoge posten, Marokkaanse en Turkse studenten helpen middelbare scholieren van Marokkaanse en Turkse komaf bij hun huiswerk, de Stichting Vluchtelingenwerk heeft vrijwilligers klaar staan om nieuwe immigranten te helpen hun weg te vinden in de Nederlandse samenleving. Het zijn een paar voorbeelden, maar als bestuurslid van het Oranje Fonds zie ik per jaar letterlijk honderden mentoraatsprojecten langskomen. Bijna altijd zijn het kleinschalige, lokale initiatieven met weinig structuur en veel persoonlijke inzet. De individuele benadering en de kleine groep zijn essentieel voor de kans op succes. In de meeste gevallen gaat het om gevestigden die buitenstaanders helpen ook gevestigde te worden. Niet in het algemeen, maar op een specifiek gebied en uiteraard op basis van wederzijdse vrijwilligheid. De gevestigden willen graag helpen, de buitenstaanders willen graag geholpen worden.

De mooiste en maatschappelijk belangrijkste vorm van mentoraat is in Nederland nooit goed tot ontwikkeling gekomen. In Duitsland kent men van oudsher in en ten dele ook in plaats van het beroepsonderwijs het meester-gezel-systeem. In veel beroepen met een ambachtelijk karakter ga je in de leer bij een schilder, loodgieter of bakker met veel praktische ervaring en bij voorkeur ook een eigen bedrijf. Het systeem staat in Duitsland onder druk en wordt in Nederland zeer gemist. Het bij ons steeds populairder wordende duale stelsel, leren en werken, heeft een veel minder persoonlijk karakter en kan dus niet als een vorm van mentoraat worden beschouwd.

Echt een vak leren van een echte vakman zou vooral voor veel jongens, die kansarm zijn geworden door een vertrek zonder diploma uit het vmbo en mbo, een heel aantrekkelijke optie kunnen zijn. Werken met en onder iemand die de baas en vaak ook eigen baas is, vraagt echter veel motivatie en een bereidheid tot inschikkelijkheid en dienstbaarheid. Als die er niet zijn, zal ook de mentor snel zijn motivatie verliezen. In Duitsland is dat in toenemende mate het geval.

Zeker bij de meest kansarmen – ervan uitgaande dat we goed kunnen bepalen wie dat zijn – is het de vraag in hoeverre zij (nog) gemotiveerd zijn om de aansluiting bij de hoofdstroom van de samenleving te vinden. Omgekeerd is het de vraag in hoeverre de potentiële mentoren ook iets te bieden hebben dat aansluit op de leefwereld en de werkelijkheid van wat in alle opzichten als echte buitenstaanders beschouwd kunnen worden. Zo is al gebleken dat gevestigde en succesvolle ondernemers wel inspirerende voorbeelden voor starters kunnen zijn, maar zelden nuttig blijken als begeleiders van de start. Ze hebben zelfs niet de contacten die een starter goed kan gebruiken. Daarvoor zitten ze al te hoog in de markt. Lang geleden werd mijn vader gevraagd mentor te zijn van een jongen uit wat toen een asociaal gezin heette en het nu nog steeds is. Hij is er snel mee gestopt, omdat hij absoluut niet het gevoel had als leek in dat gezin iets zinnigs te kunnen doen. De Tokkie-programma’s hebben hem postuum gelijk gegeven. Om Hallo medemens van het Werktheater kon je dertig jaar geleden nog lachen, nu is het onvermogen tot wederzijds begrip en contact een probleem geworden dat alleen maar scherper gevoeld zal worden wanneer de ene kant vooral betutteling en paternalisme beleeft en de andere kant wantrouwen en hoon ontmoet. ‘Mentor’ is teleurgesteld en bang, ‘Telemachus’ beledigd en vijandig.

Is daar niets aan te doen? Ja, maar dat gebeurt dus al. Het zijn de duizenden initiatieven overal in het land waar mensen er wel in slagen op basis van een gemeenschappelijk belang of een gedeelde belangstelling elkaar te vinden. Dat zou verder gestimuleerd kunnen worden via scholen, moskeeën, sportverenigingen en buurthuizen, maar ook dat gebeurt al. Het is zeker niet raadzaam om deze initiatieven al te veel te formaliseren en te subsidiëren. Het spontane gaat er dan af en daarmee verliest het ook zijn aantrekkelijkheid. Je kunt misschien wel zeggen dat juist de organisatorische lichtheid er helaas ook voor zorgt dat de zichtbaarheid van deze initiatieven beperkt blijft.

Leerplicht

In de top zeven van de Sociale Agenda komen Glen Mills-scholen of boot camps niet voor, maar ook meer structurele maatregelen als onderdeel van een nieuwe sociale agenda ontbreken. Een verlenging van de leerplicht tot 18 jaar – inmiddels door het kabinet aan de Kamer voorgesteld – is een uitstekende manier om de kans op vroegtijdige uitval uit het onderwijs tegen te helpen gaan. Zeker nu jongeren ook niet meer hoeven te rekenen op een uitkering als ze vroegtijdig de schoolbanken verlaten.

De top zeven heeft vooral betrekking op de jeugd. Misschien dat het daarom ook allemaal zo paternalistisch klinkt. Hen wordt goed gedaan, ze krijgen kansen en stages, ze moeten de muziekles en de sportclub gesubsidieerd krijgen, ze krijgen op de lagere school al een echte academicus te zien, ze worden naast middenklasse-kinderen in de schoolbanken gezet zodat ze zullen worden als zij. Voor dat laatste is geen enkel bewijs en de kans dat het omgekeerde gebeurt is zelfs aanzienlijk groter. Simpelweg omdat de wetten van de jungle en de apenrots dan ook voor middenklasse-kinderen zullen gaan gelden. Hoeveel middenklasse-ouders zijn werkelijk bereid hun kinderen aan een dergelijk experiment bloot te stellen? Niet veel denk ik toch en ik kan ze geen ongelijk geven.

Wie het hele lijstje bekijkt, valt vooral op dat op geen enkel moment ook iets gevraagd of verwacht wordt van de mensen voor wie de Sociale Agenda is opgesteld. Zelf hoeven zij niets te doen en vreemd genoeg wordt ook degenen die wel iets willen doen, maar daar de middelen, de kennis of de kennissen niet voor hebben, nauwelijks steun geboden. Ze krijgen iets cadeau, voetbalschoenen of een viool, of er wordt wat voor ze geregeld door een mentor, maar weinig leidt tot zoveel haat en tegelijkertijd steeds hogere eisen als juist het krijgen van wat in de normale wereld gekocht moet worden met zelf verdiend geld.

Goed onderwijs en echt werk moeten op iedere sociale agenda de belangrijkste instrumenten blijven. Het mag niet te gemakkelijk zijn om jezelf verstoken te houden van goed onderwijs en het mag zeker niet verleidelijk zijn om werk te mijden. Motivatie om aan de slag te gaan en te blijven wordt daar zeker door bevorderd, zeker als je weet dat je jezelf beloont door je eigen inzet. Als een mentor daar bij kan helpen, is dat prima, maar wel zelf zoeken naar zo iemand. Daar mag dan zelfs wel een handje bij worden geholpen. Op verzoek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden