Zinvol levenArita Baaijens

‘Een klein deel van de mensheid is anders dan de rest’

Ontdekkingsreiziger en bioloog Arita Baaijens.Beeld Jitske Schols

In haar antwoord op wat een zinvol leven is, ontbreekt de ander, de geliefde. Voor Arita Baaijens draait het leven om het ontwikkelen van eigen talenten. Daarvoor liet ze alles achter en trok de woestijn in.   

‘Toen ik mijn baan opzei, kregen collega’s een twinkeling in hun ogen: dat zouden zij ook wel willen, de woestijn in, maar ja, relatie, hypotheek… Zelf had ik een enorme drive het te doen: wat stel ik dan nog voor, wie ben ik dan, wat kan ik, wat is de zin van dit alles? Op dat alles heeft de woestijn me antwoorden gegeven – die heeft me alles geleerd wat ik in het leven nodig heb.’

Als dertiger en veertiger trekt Arita Baaijens vrijwel iedere winter met haar kleine karavaan kamelen door de woestijn – met nomaden, soms met een reisgenoot, maar vooral alleen: ‘Als ik daaraan terugdenk – met kamelen in een enorme leegte, ­honderden kilometers om je heen, wat een genot. Geen enkele andere sterveling en het besef: één foutje te veel en het is klaar.’

De kiem wordt in haar jeugd gelegd, vermoedt de 63-jarige bioloog en schrijver, die haar leven in Nederland afwisselt met reizen: ‘Als meisje hoorde ik de bijbelverhalen over de woestijn.’ Dat was in het christelijke Ede, waar ze met haar oudere broer opgroeit in een gereformeerd gezin. Een gelukkige jeugd tot haar tiende, wanneer haar vader zijn gezin naar Tsjechoslowakije op vakantie neemt waar hij op dat moment werkt. ‘Daar vertelde hij mijn moeder dat hij een nieuwe liefde had. Hij nam ons zelfs mee naar het huis van die mevrouw. Totale chaos, mijn hele wereld stond op zijn kop.’ Door de scheiding wordt haar moeder depressief: ‘Mijn conclusie was: geen man gaat mij dit ooit aandoen. Als er een slachtoffer valt: die ander, niet ik.’

In haar tienerjaren verdwijnt God uit haar bestaan: ‘Ik besefte opeens: het is gewoon een verhaal. Dat voelde alsof er een vloerkleed onder me werd weggetrokken, het geloof had me tot dan toe houvast gegeven.’ Na een studie biologie in Amsterdam komt ze bij de gemeente IJmuiden in dienst, waar ze in de jaren tachtig ziet hoe economische belangen het winnen van de natuur: ‘Ik voorzag dat dat in mijn leven altijd zo zou blijven.’ Dankzij ‘het geschenk’ van een passie voor de woestijn kan ze voor een ‘niet uitgestippeld leven’ kiezen. Maar als ze eind veertig is, dooft haar passie voor de woestijn en krijgt ze een depressie. Drie jaar later klautert ze eruit door zichzelf tot een reisdoel te dwingen – het wordt Siberië, ‘de enige plek die zich in hardheid en eindeloosheid met de woestijn kon meten’. In Zoektocht naar een paradijs beschrijft ze openhartig haar ontreddering, maar ook haar terugkerende plezier in het bestaan. Tegenwoordig doet ze in Papoea-Nieuw Guinea onderzoek naar ‘ecologische intelligentie’, waarvoor belangstelling bestaat, ‘nu we door de klimaatcrisis met onze rug tegen de muur staan. In een crisis zijn mensen nodig die met ongewone ideeën durven te experimenteren.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Dat omschrijf ik als: het leven van je potentie. Dus het ontvouwen van wat er in je zit aan mogelijkheden en ­talenten. Die willen worden geleefd. Angst en voorzichtigheid horen niet je raadgevers zijn. Je moet het leven niet vanuit angst leven, dat kan de zin ervan niet zijn.’

In uw antwoord ontbreekt de ander.

‘Inderdaad, de medemens is voor mij heel lang geen issue geweest (schaterlacht). In de woestijn wilde ik alleen zijn. De ander is altijd belangrijk geweest in de zin van vrienden, maar niet in de zin van een partner waar iedereen altijd zo naar zoekt.’

Leestip: Tamara A., Awater en andere verhalen over subjectiviteit, Theo de Boer.

‘In de woestijn beklijven alleen gedichten en filosofische teksten. Dit boek vergezelde me vanwege het essay over The Dry Salvages van dichter T.S. Eliot. Daardoor begreep ik niet alleen de transcendentale dimensie van het gedicht, maar ook die van de woestijn. Zelden gaf iets meer troost dan deze verhandeling te lezen over dreigende natuurkrachten, tijd en de schijnbare zinloosheid van het bestaan.’

Kun je je talenten in de woestijn wel ontwikkelen?

‘De woestijn heeft me geleerd wat ik wel en niet ben, wat van waarde is, wat het bestaansmysterie inhoudt. Daar kom je in de woestijn dichtbij, al krijg je er nooit een definitief antwoord op. Het is niet voor niets dat profeten en mensen die naar waarheid zoeken er zo vaak heen zijn gegaan. Ik heb er geleerd dat ik heel klein ben in vergelijking met de ­natuurkrachten, maar ook dat ik ongelooflijk sterk ben als het nodig is. Ik heb er geleerd over de nare kanten van mezelf: dat ik een opgeblazen ego kan hebben, mensen kan haten en zelfs zou kunnen vermoorden. In Soedan leerde ik met nomaden optrekken – de waarde van er voor elkaar zijn, de bereidheid je leven voor de ander op te offeren.’

Maar hoe zit het met talenten ontwikkelen?

‘Zeker: schrijven, waarnemen, de liefde. Ik heb een talent voor liefhebben ontwikkeld, voor overgave die ik lang niet heb kunnen opbrengen – ik trok altijd meteen de stekker eruit als een relatie even niet lekker liep. Ik ontwikkelde er een talent voor leven zoals het geleefd wil worden. Daarmee bedoel ik: je verlangens serieus nemen en je niets aantrekken van verwachtingen van anderen.’

Dat deed u toch al niet?

‘Nou, totdat ik ontslag nam, heb ik me altijd aangepast. Vanaf het moment dat ik als peuter mijn bordje leeg at via mijn huiswerk maken en studeren tot een baan zoeken; al die dingen zie ik als me aanpassen om maatschappelijk te functioneren. Dat hield op met die krankzinnige sprong in het diepe van de woestijn: zonder geldbuffer gaf ik alles op, in het besef dat ik nooit meer in de maatschappij zou passen. Toch deed ik het, omdat ik super gedreven was.’

Wat was dat?

‘Ik kan het je niet zeggen, ik weet alleen dat ik ervoor door een muur zou zijn gelopen. Op reis door de Sinaï had ik vanuit een bus gezien hoe ­bedoeïenen de bergen introkken. Ik zat als een kind tegen de ruit geplakt, het enige wat ik dacht was: dat wil ik ook. Ik wilde verdwijnen in die woestijn.’

Dat klinkt ook als: willen sterven.

‘Nee, ik wilde verdwijnen uit de ­wereld die ik kende. Ik wilde ergens zijn waar niemand mij zou kunnen vinden en me dan verstaan met die plek. Dat is gelukt. Achteraf kun je zeggen dat het me erom ging achter een bepaalde waarheid te komen, maar dat kon ik toen nog niet benoemen.’

Was het een zoektocht naar uzelf?

‘Het antwoord daarop is achteraf ‘ja’, maar zo voelde het toen niet. Het was de verwondering: alsof je iets herkent, waar je bij hoort. Ik krijg daar nu weer tranen van in mijn ogen… ik vermoed dat de bijbelverhalen in mijn jeugd over de woestijn een bodem hebben gelegd. Dat werd getriggerd op het moment dat ik de woestijn zag. Maar je kunt het niet rationeel verklaren. Wij zijn geen rationele ­wezens. Er zijn voortdurend allerlei processen aan de gang die je niet goed kunt duiden. Dan kun je met Freud of Jung aankomen, maar ten diepste resoneert het met iets van je mens-zijn: wij zijn geen afgesloten ­entiteiten. We worden gedefinieerd door de relaties die we hebben: met de geschiedenis, met de toekomst, met plekken, met mensen, met dingen – daar vindt meer plaats dan je kan verklaren.’

Met de woestijn zocht u wel het gevaar op.

‘Toen ik voor het eerst met kamelen door de woestijn trok, dacht ik: Jezus, waarom doe ik dit? Ik kan doodgaan hier! Maar juist door dat gevaar is het een plek waar je ten volle leeft, dat kan niet anders. Je kunt er niet een beetje leven, dan ga je dood, je leeft er voor tweehonderd procent.’

Dus dat was het doel?

‘Jij wilt steeds een verklaring, maar de grap is: die is er niet. Als je het verlangen kunt verklaren, kun je wel ophouden. Het gaat erom er gevolg aan te geven. Maar goed, als je per se een verklaring wilt: een klein percentage van de mensheid is anders dan de rest, evolutionair gezien is dat nodig. Mensen die lastig zijn, recalcitrant, voor de duvel niet bang en nieuwsgierig – die komen met ongebruikelijke perspectieven. Je kunt ze negeren, maar als er een crisis is zoals nu met het klimaat, kun je inspiratie aan ze ont­lenen. Ik heb niet al die eigenschappen, maar zit wel in die hoek. Daarmee zou je kunnen verklaren dat ik die enorme drive bezat en anderen niet. Maar de wereld zou onleefbaar zijn als iedereen het zo aanpakt als ik, haha. Ik ben bij terugkeer in Nederland altijd blij dat de boel nog lijkt op hoe ik die had achtergelaten.’

Onze identiteit stelt niets voor, leerde u in de woestijn.

‘Je identiteit is een optelsom van hoe anderen over je denken en op je reageren. Als je ouders je kleineren, denk je: ik stel niks voor. Vinden ze alles interessant, dan denk je: ik stel heel wat voor. Zo wordt onze identiteit gevormd. In een woestijn valt dat weg, er is niemand om te bevestigen wie je bent. Ik lag daar met mijn hoofd onder een struik en opeens had ik die gedachte: mijn god, wie ben ik? Met meteen als antwoord: niets. Dat was niet fijn, ik heb er tien jaar over gedaan om daarvan te bekomen. Je identiteit kwijtraken, betekent dat je Niemand bent, met een hoofdletter – je bent dus niet een begrensde entiteit die volkomen op zichzelf staat, maar ook al die andere zielen met wie je de planeet deelt.

‘Er is geen afgeronde frase voor in de plaats gekomen, ik ben geen goeroe. Misschien is het vooral dat ik het leven niet meer zo serieus hoef te ­nemen. Soms wel, wanneer ik bijvoorbeeld een expeditie wil organiseren, maar dat zie ik ook als spel. Ten diepste heb ik het besef dat dit leven niet is wat het lijkt. We doen van alles, maar zijn niets.’

Hoe kijkt u naar uw sterfelijkheid?

‘Oh man, ik vind het zo fijn dat ik op een gegeven moment doodga. Ik vind het leven pittig – ik moet iedere keer bedenken hoe ik expedities financier én de huur betaal. Als dat een keer ophoudt, heerlijk! Leuk aan ouder worden vind ik om de jeugd een kontje te geven – dit is hun wereld, ga maar. Je wordt onzichtbaarder. Ik zie mezelf terug in jongeren, maar ook in mijn net overleden oude buurman. Ik ben onderdeel van de grote kosmos, ik lig op een rad, op een gegeven moment val ik eraf en dan komen anderen ­bovenaan.’

Meer zinvol leven

De menselijke ellende die hij als psychiater tegenkwam, ging zijn fantasie te boven. Toch is het juist de mooie kant van de beschaving die Theodore Dalrymple anderen wil laten zien.

Hoe komen we in een maatschappij die zo uitnodigt de ander te negeren of uit te sluiten met elkaar in gesprek over goed samenleven? Hans Alma, gasthoogleraar humanistiek en coach, ziet daarin de grootste uitdaging van deze tijd.

Hij is strijder voor een betere jeugdzorg, dat doet hij vanuit zijn eigen (traumatische) ervaring. Dankbaar voor het leven is hij niet, zegt Jason Bhugwandass. En dat kleurt zijn dag, elke dag opnieuw.

Zie hier het overzicht van alle tot nu toe verschenen afleveringen van deze interviewserie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden