ColumnPeter Buwalda

Een heldendaad ligt in het verschiet

null Beeld
Peter Buwalda

Ik was alleen thuis, de avond was gevallen, en ik had de Duke aan staan, hard. Mooi. Daarom bewoon ik een kasteel, niet om riddertje te spelen, maar om muziek te kunnen draaien zonder dat de bovenbuurvrouw er last van heeft.

(Het was een live-cd, de Togo Brava Suite heet-ie, een late Duke, prima plaat, maar geen hoogtepunt, steady-Ellington zou ik zeggen, tikje vermoeid wel, hij stond natuurlijk al met een been in het graf, het was ongeveer zijn laatste, wat mag je nog verwachten.)

Toen, boven de herrie uit: gerommel in huis. Het leek van boven te komen, gestommel. Inbrekers? Misschien moest ik het Japanse koksmes even afwassen. Daar was het geluid weer, er viel overduidelijk iets om.

Ik zette Ellington af. Even Schnauze met de trompetjes. Koen beluisterde ik de stilte. (Hoewel ik in doodsnood verkeerde, dacht ik aan oeuvres en hoogtepunten daarbinnen. Dat is de keerzijde van dapperheid, je dwaalt makkelijk af. Wie ik nooit snap, zijn liefhebbers die het allereerste boek of lied van iemand het beste vinden. Maarten ’t Hart bijvoorbeeld, die vindt van alle 52 Vestdijk-romans de allereerste, Kind tussen vier vrouwen, de beste. Eerlijk, maar meedogenloos. Ik was een keer in Vestdijks huis, het was nacht, er was verder niemand, ik sloop in mijn eentje door het huis, rara hoe kan dat, en boven, op Vestdijks slaapkamer, stond een kast met zijn hele oeuvre erin, alle drukken bij elkaar, ook de vertalingen, alles. Maar: zonder Kind tussen vier vrouwen, want dat verscheen postuum. Oké, dacht ik, dus Maarten vindt deze complete kast minder goed dan Kind tussen vier vrouwen. Niet per se iets om Vestdijk in z’n gezicht mede te delen. ‘Luister eens, Vestdijk’, stelde ik me ’t Hart voor, zittend aan Vestdijks bed, ‘mooi hoor, je complete oeuvre, maar weet je, eigenlijk vind ik je allereerste…’ etc. etc.

Schokkender voorbeeld vond ik de grootste Elviskenner ter wereld, over wie ik eerder bewonderende columns schreef, Ernst Jorgensen, de Deen met het lange gele haar. Hij is de baas over alle Elvisplaten, als Jorgensen een hoekje van bijvoorbeeld Jailhouse Rock wil oppoetsen, omdat er wat ruis zit, dan doet hij dat, kortom, een rolmodel, een leider – aan hem is een keer gevraagd wat hij het beste Elvis-lied vond, en antwoordde toen: That’s All Right.

‘Wat? Jorgensen!’, riep ik tegen mijn televisie. ‘Wat brom je me nou! Z’n allereerste plaatje? En al de hits erna dan, kerel? Tevergeefs? Dat kun je toch niet menen! Bijt voortaan je tong af, Jorgensen, als je ze bij je komen! Of draai ze nog eens alle 784, ja? Voor ons. Voor Elvis!’

Gewapend met het Japanse koksmes liep ik de koude, stille, donkere hal in. Onderaan de trap riep ik beleefd: ‘Hee!’ Harder: ‘Is er iemand?’

Het inbrekerscollectief zweeg.

Ach, wat deed je eraan, besloot ik. Als ze me nodig hadden, kwamen ze maar naar beneden. In de kamer zette ik de Duke weer aan, en verdomd, weer gerommel. Wat zeg ik, precies hetzelfde gerommel. Het stond verdorie op de plaat! De Duke had inbrekers in de zaal. Ik spoelde de cd een stukje terug, en ja hoor, daar had je het weer. Net echt.

Proostend op de goede afloop, noteerde ik het precieze nummer en de tijd. Zo. Hehe. Die gingen we morgen, als Jet er weer was, eens gezellig opzetten. Eerst even duchtig paniek zaaien, ‘godsamme… godsamme... GODSAMME!’ En dan: ‘Wacht hier.’ Vervolgens met opgestroopte mouwen, maar zonder Japans koksmes, edoch luid brullend naar boven stormen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden