Een heel, heel vreemd land

Al snel na zijn verhuizing naar Groot-Brittannië kreeg correspondent Bert Wagendorp het gevoel dat hij in een absurde theaterproductie verzeild was geraakt....

PIERRE-MARIO, de Italiaanse bakker in ons dorp, buigt zich over de toonbank en kijkt alsof hij een groot en gevaarlijk geheim gaat onthullen. Zijn stemgeluid daalt naar fluisterniveau. Pierre-Mario kijkt mij doordringend aan.

Hij zegt: 'Hoe, in Godsnaam, zijn ze er óóit in geslaagd een wereldrijk te besturen? Snap jij dat? Ik woon hier nu 45 jaar en ik snap er nog steeds niets van. Níets kunnen ze. Absoluut níets. Een puinhoop is het. Ze kunnen nog niet eens mijn koffiezetapparaat maken. En ondertussen maar afgeven op Italia. Berti, ik zeg je, dit is een vreemd land. Een heel, heel vreemd land.'

Pierre-Mario is geen anglofiel.

'Anglofiel, m. (-en), persoon die zeer ingenomen is met de Engelsen en al wat Engels is.'

Natuurlijk is Pierre-Mario geen anglofiel. Anglofielen wonen niet in Engeland, maar op het Continent of in Amerika. En ze bakken geen brood maar lucht.

In zijn boek Voltaire's Coconuts beschrijft Ian Buruma de anglofiel en zijn Engeland en de Engelsen nog ziekelijker toegewijde broer, de anglomaan. 'Voltaire was een snob, zoals de meeste anglofielen', schrijft hij. Dat is alvast een belangrijk kenmerk. Verder noemt Buruma 'bewondering, doortrokken van ontgoocheling' een van de karaktertrekken van de ziekelijke liefde voor Engeland. En dan is er zijn misschien wel belangrijkste constatering: het feit dat de anglofiel vaak meer houdt 'van het idee van Engeland dan van the real thing'.

In het voorjaar van 1994 ging ik naar Engeland en bezocht ik Cambridge. Het was prachtig zacht voorjaarsweer, en op een late namiddag zat ik op Queen's Green aan de oever van de Cam, te lezen in de dagboeken van C. Buddingh', die juist zat uit te wijden over zijn liefde voor Engeland en de Engelsen. Op de green speelden mensen cricket, op de rivier gleden punters voorbij en uit de kapel van King's College, even verderop, klonk een jongenskoor.

Kon het Engelser? Ik wist nog niet zoveel van Engeland, maar ik had toch het sterke vermoeden van niet. Een diep gevoel van geluk vulde mijn onderbuik, en ik dacht even dat ik last begon te krijgen van anglofiele neigingen.

Dat viel mee. En zo er ooit een spoortje van die ernstige afwijking aanwezig was, dan genas ik daarvan heel snel, nadat ik begin 1996 naar Engeland was verhuisd - nog altijd, 270 jaar nadat Voltaire het land gedesillusioneerd ontvluchtte, het beste recept.

Ik kwam terecht in het enige Europese land waar anglofilie een onbekend verschijnsel is, althans onder de autochtonen. De meeste Engelsen bleken geneigd in te stemmen met de Wet van Bryson ('Engeland is het enige land in Europa dat geen communisten nodig heeft gehad om het hele zaakje naar de ratsmodee te helpen') en ze konden zich meestal ook goed vinden in wat hun landgenote, de schrijfster Margaret Drabble, opmerkte: 'Engeland is geen slecht land. . . Het is alleen maar een armzalige, koude, vieze, verdeelde, vermoeide, uitgetelde, post-imperiale, post-industriële afvalberg, bedekt met hamburgerdozen van polystyreen.'

Deze frisse kijk op de eigen identiteit vond ik aardig. Vanaf het vasteland bereikten mij regelmatig opmerkingen over 'die nationalistische Engelsen', 'dat xenofobe, racistische zooitje' en 'dat arrogante little-Englander-tuig'. Keer op keer moest ik uitleggen dat er maar weinig nationalistische Engelsen bestonden en dat Engelsen niet arrogant waren - niet arroganter dan Nederlanders in elk geval -, en dat ze misschien wel minder xenofoob en racistisch waren dan wij.

Ten bewijze daarvan las ik de achternamen voor uit de klas van mijn dochter: Osler, Jahn, Wang, Kisilevsky, Forino, McNamara, Menari, Kiely, Blanchard, Patel, Tregellis, Maynard, Geraghty, Hannam. Allemaal puur Engelse kinderen, met voorvaders van over de hele wereld, die ooit binnen de kortste keren waren geïntegreerd in de Engelse samenleving.

En als Tony Blair nog eens wordt verslagen, voegde ik daaraan toe, zal dat gebeuren door een Spanjaard die Portillo heet en die alleen maar speelt dat hij Engelsman is. Ook waagde ik de voorspelling dat het liberale Groot-Brittannië nog in de eerste helft van de 21ste eeuw een premier van Aziatische komaf zou produceren.

Hoe kwam het toch, dat ze in Europa vaak zo negatief over Engeland en de Engelsen dachten? Het antwoord op die vraag had natuurlijk met beeldvorming te maken. En wie bepaalden die beeldvorming? Journalisten en politici, vooral. Engelse journalisten! Engelse politici! Een paar maanden in Engeland volstaan om zeker te weten dat die twee beroepsgroepen een buitenproportioneel hoog percentage nationalistische, xenofobe, arrogante little-Englanders tellen.

De gewone, beschaafde Engelsen verontschuldigden zich vaak voor hun landgenoten in de media en de politiek. Er bestond, zo bleek, een grote kloof tussen het Engeland van krant en politiek en het ware Engeland. En daarmee tussen beeld en werkelijkheid. 'Maar ze lezen wel allemaal die tabloids, die zogenaamde aardige, beschaafde Engelsen van jou', zei een anglofobe vriend, 'viezige blaadjes zoals de Sun en op zondag News of the World. Hoe zit dat dan, hè, mooie correspondent? Jij begint zo'n anglofiel te worden.'

'Ze lezen het wel, maar ze geloven er geen bal van', zei ik. 'Ze lezen die vodjes om even lekker te kunnen lachen. Om te worden bevestigd in hun heilige overtuiging dat het leven een toneelstukje is. Engelsen nemen niets serieus. Kroonprins Charles vinden ze de grootste droogkomiek van het land. Ze nemen niet eens de moeite om kwaad te worden op hun politici. Ze maken een spitting image van de premier en lachen zich slap. En ik word géén anglofiel!'

HET GEVOEL dat ik in een absurde theaterproductie verzeild was geraakt, drong zich enige weken na aankomst al op. Een paar ontmoetingen met vogels van diverse pluimage (een loodgieter, de plaatselijke vicar, een hotelier, wat winkelpersoneel, een parlementslid) volstonden.

De vicar, die tegenover ons woonde, was het uitermate sympathieke type van de kettingrokende, drankzuchtige geestelijk leidsman, zoals die in elke Engelse streekroman optreedt. Meestal zat hij licht aangeschoten op zijn bankje in de tuin, 'te kijken naar het groeien van het gras'. Winkelpersoneel bleek een onderlinge wedstrijd te houden in het zo onbeschoft mogelijk behandelen van de klandizie, en leek daaraan buitengewoon veel plezier te beleven.

Een hotelier (met gezinskamers) kon ons helaas niet toelaten, 'omdat u een kind onder de 10 heeft'. De loodgieter liet bij wijze van zieke grap de overloop van het bad uitkomen in de kamerlamp en het parlementslid verklaarde te hopen op herverkiezing, 'omdat je kunt nergens anders zo goedkoop kunt zuipen als in Westminster.' Allemaal speelden ze hun rol met verve en plezier. Het is geen wonder dat het Engelse toneel het beste ter wereld is; alle Engelsen oefenen vanaf hun geboorte, dag in dag uit. En het zijn de meest extreme van de theaterstukken, die door de anglofiel worden gezien als typisch Engels, waarmee ook hij (de anglofiel is meestal een man) beeld en werkelijkheid volkomen verwart.

Het publiek bij Royal Ascot en Henley, het How's that!-geschreeuw bij cricket, de Changing of the Guards, Opening of Parliament en Question Time in het Lagerhuis, scholen als Eton en Harrow, het klaroengeschal van de foxhunt, het Hogerhuis en de Engelse excentriekeling: het is superieur theater, waaraan alle acteurs zich met hart en ziel overgeven.

Elke dag dat het Lagerhuis zit, schrijdt kamervoorzitter Betty Boothroyd in een volkomen belachelijke processie van mannen in middeleeuwse kledij en pruiken naar haar zetel. Je ziet in haar ogen dat ze het een kostelijke grap vindt, elke dag weer. Ze is niet voor niets begonnen in het variété.

Er zijn weinig Engelsen die de voorstellingen serieus nemen, ook al doen ze vrolijk mee. Op Royal Ascot zijn de absurde hoeden op Ladies Day één groot ironisch commentaar op het gedrag van de upper-classes in de Royal Enclosure, waar overigens tegelijkertijd ook weer aan toptoneel wordt gedaan. De koningin, die elke dag braaf in haar koetsje komt aangereden over de paardenbaan, toegejuicht door alle gokkers: het is pure slapstick.

Er is maar één mens die in pure bewondering opkijkt naar al dat theatraal vertoon, die het verheerlijkt als het in stand houden van 'eeuwenoude tradities' (wat het meestal niet zijn): de ouderwetse anglofiel. De bijna altijd aanwezige ironie is aan de ouderwetse anglofiel (OA) meestal niet besteed.

Je hebt ook de moderne anglofiel (MA). De MA vindt Engelse kranten de beste kranten ter wereld, met de beste journalisten ter wereld. Hij vindt de BBC de beste tv-zender ter wereld en Jeremy Paxman de allerbeste interviewer. De MA vindt elk nieuw groepje uit Manchester dat langskomt in Amsterdam muzikaal ontzettend interessant en al gauw een van de talentvolste bandjes ter wereld. Britse mode-ontwerpers vindt hij cool en Engels voetbal vindt de MA het enige voetbal dat op de wereld nog de moeite waard is. De MA vindt Sheffield een schitterende stad, fish 'n chips heel smakelijk en hij is mateloos geïnteresseerd in wie de nieuwe burgemeester wordt van Londen.

De MA is een rare snijboon en een irritant fenomeen met een door onduidelijke oorzaken verknipt beoordelingsvermogen, veel meer valt er niet over te zeggen. Gedwongen opname van de MA in Engeland moet in het ziekenfonds.

Ik ben geen OA en ook geen MA. Ik houd meer van the real thing dan van het romantische idee. Ik ben het met mijn vriend Pierre-Mario eens, dat het hier een puinhoop is. Waarom is in Engelse huizen de verwarming altijd kapot? Waarom valt hier steeds de elektriciteit uit? Waarom zit er een keiharde zoemtoon in mijn telefoon? Waarom staat mijn auto drie weken bij de garage voor de verwijdering van een amper zichtbaar deukje? Waarom hebben ze hier geen giro? Waarom is Alan Shearer de spits van het nationaal elftal?

Ik begrijp er ook niets van, hoe ze dat wereldrijk hebben veroverd en het nog tamelijk succesvol hebben bestuurd ook.

Engeland is inderdaad een vreemd, een heel vreemd land. Een volkomen absurd land, soms. Een land dat je kunt vervloeken en haten, om zijn onbegrijpelijke codes, de hypocrisie, zijn koude omgangsvormen, ridicule zelfvergroting en slappe bier.

Maar het is ook een land dat in je botten kruipt, of je wilt of niet. Een land dat je kan laten lachen, dat je kunt bewonderen om de genadeloze wijze waarop het zichzelf ironiseert en om de speelsheid van zijn geest. Een land dat aandoenlijk is in zijn weemoed en nostalgie, en dat je diep kan ontroeren.

Een vreemd, eigenzinnig eiland, for better and for worse.

Ik zal blij zijn als ik binnenkort voor de laatste keer naar de overkant vaar; blij, maar ook bedroefd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden