Een fascinatie voor het verraad en het kwaad

Wie vormde in WO II voor Joodse Nederlanders de grootste bedreiging? Waarom verklikte een vrouw haar Joodse buren, en ontpopte een politieman zich als meedogenloze Jodenjager?...

Het begon met een telefoontje op donderdag 4 juli 2002. Een man die hakkelend vertelde dat zijn vader, Tonny Ahlers, Anne Frank en de andere onderduikers in het Achterhuis had verraden. Hij wilde me dringend spreken, zei hij, als schrijver van het boek over mijn jeugd, Potgieterlaan 7. Al een dag later zat ik tegenover hem en zijn vrouw in café De Smoeshaan, om de hoek van het Amsterdamse Leidseplein.

De ene sigaret na de andere rokend klaagde Ton Ahlers over de vloed van publiciteit die hij over zich heen had gekregen sinds de Engelse schrijfster Carol Ann Lee in een boek haar onthulling over zijn vader bracht en het NOS-Journaal en het NPS-programma Andere Tijden er op 12 maart ruimschoots aandacht aan hadden besteed. En dat terwijl hij die avond net naar een voetbalwedstrijd wilde kijken. Van mij hoopte hij te ervaren hoe ik hiermee zou omgaan. Als lotgenoot, in die zin dat mijn vader net als de zijne lid van de NSB was geweest, én als oud-hoofdredacteur van Het Parool die meer met dit bijltje moest hebben gehakt.

Hoewel ik met de ogenschijnlijk zwaar aangeslagen man had te doen, mocht ik deze kans niet laten glippen. Ik stelde voor dat ik samen met mijn zoon Olivier een documentaire over hem zou maken. Hij kon dan zijn levensverhaal vertellen, zijn jeugd als NSB-kind, en waarom hij haast onvoorwaardelijk geloofde dat zijn – in 2000 overleden – vader de onderduikers in het Achterhuis bij de Gestapo had aangebracht. Want ook al had de schrijfster vóór de publicatie van haar boek Het verborgen leven van Otto Frank met niemand van de familie Ahlers gesproken, volgens Ton Ahlers was haar onthulling een schot in de roos. Ze bevestigde alleen maar wat hij had vermoed.

Ondanks de twijfel die recensenten en journalisten, onder wie Jan Blokker, over de verraadtheorie van Lee bleken te hebben, begonnen we met onze documentaire. Maar in ons voornemen een empathische film te draaien kwam algauw de klad. Behalve dat Ton Ahlers ons eindeloos aan het lijntje hield, groeide de twijfel toen ik in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam en het Nationaal Archief in Den Haag steeds meer dossiers door had gepluisd. Na een half jaar besloten we het project te staken en borg ik tamelijk gefrustreerd mijn aantekeningen en de fotokopieën van knipsels en dossierstukken op.

Er verstreken drie jaar voor ik besloot me weer in het verraad te verdiepen. Na Potgieterlaan 7 had ik me voorgenomen niet meer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Dat hoofdstuk had ik afgesloten, dacht ik, maar zo werkt het nu eenmaal niet. Wat meespeelde, was mijn levenslange fascinatie voor het verraad en het kwaad. .

Voor het verdere onderzoek besloot ik me niet zozeer op het verraad van het Achterhuis te concentreren, als wel op de vraag wie voor Joodse Nederlanders en Joodse onderduikers in het bijzonder de grootste bedreiging vormden.

Waarom verklikte een vrouw haar Joodse buren, bracht een man op grote schaal Joodse onderduikers aan en ontpopte een politieman zich als meedogenloze Jodenjager? Het gevaar loerde overal, in de persoon van verklikkers, NSB’ers, Jodenjagers, collaborateurs, ook van op het oog gerespecteerde burgers.

Wat bracht iemand ertoe zich voor dergelijke praktijken te lenen? En hoe kon het dat hier meer dan 70 procent van de Joden werd vermoord (102 duizend van de 140 duizend), terwijl dit aantal voor België 42 procent bedroeg (24 duizend van de 60 duizend), voor Frankrijk 36 procent (90 duizend van de 250 duizend) en het Italië van Mussolini 17 procent (7.500 van de 45 duizend)? Nederland slaat hiermee in West-Europa verreweg het bedroevendste figuur en schaart zich in het rijtje van traditioneel antisemitische landen als Polen, Hongarije en Slowakije.

Jodenjagers
Ik begon met het lezen van lokale en regionale studies en kronieken over de oorlog. Ook zat ik maandenlang in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, op zoek naar informatie over de Joodse gemeenschap, de deportaties, de rol van de politie en de speciale politiediensten. En ik hoopte namen te vinden, van slachtoffers, verraders, Jodenjagers. Na vervolgens in het NIOD de knipselmappen en een reeks van dossiers te hebben doorgenomen, wilde ik weten wie de mensen achter die namen waren.

Hiervoor moest ik in het Nationaal Archief zijn, waar zo’n kleine half miljoen dossiers zijn opgeslagen van mensen die na de oorlog op de een of andere manier met de toenmalige bijzondere rechtspleging in aanraking zijn gekomen. Van hen hebben de bijzondere gerechtshoven en de tribunalen 2.500 – zo’n 1.500 mannen en rond de duizend vrouwen – veroordeeld wegens het verklikken en het aangeven van Joden, verzetsmensen en onderduikers die zich aan de zogeheten Arbeitseinsatz in Duitsland onttrokken.

Waar ik mij met name op richtte, was de klopjacht op de Joodse onderduiker. Nadat het overgrote deel van de Joodse bevolking was gedeporteerd, leidde de in Den Haag gestationeerde Duitse commissaris-generaal voor het veiligheidswezen, Hanns Albin Rauter, die klopjacht in met de eis dat elk politiekorps in een grote of middelgrote stad de beschikking diende te krijgen over een speciale recherche. Als verlengstuk van de Gestapo (de Duitse Geheime Politie) en de SD (de Duitse Inlichtingendienst) moesten deze diensten – zoals in Amsterdam Joodsche Zaken, in Rotterdam Groep X, in Den Haag de Documentatiedienst, in Eindhoven de Preventieve Politie, in Utrecht de Centrale Controle – een fijnmazig net vormen dat vrijwel het hele land omspande.

De Duitsers lieten het opsporen van onderduikers over aan de Nederlandse politie, zodat zij zich met hun toch al onderbemande bezettingsapparaat op andere zaken konden concentreren, de bestrijding van het verzet bijvoorbeeld. Toch glipten er naar hun zin nog te veel Joden door de mazen van het net, waarop de Befehlshaber van de Sipo (de Duitse Veiligheidspolitie) en de SD, dr. Wilhelm Harster, in april 1943 een premiestelsel lanceerde dat alleen voor Nederlandse politiemannen gold. De premie bedroeg eerst 2,50 gulden per opgepakte onderduiker, maar de SD verdubbelde het bedrag als bleek dat de arrestant zich ook nog aan een andere overtreding had schuldig gemaakt.

Hoewel de Befehlshaber tevreden constateerde dat het stelsel effect had, verhoogde hij de premie algauw tot 5 gulden, vervolgens tot 7,50 gulden, daarna tot 25 gulden en ten slotte in juli 1944 tot 40 gulden. ‘Bloedgeld’, zoals de Amsterdamse SD-rechercheur Gerrit Reinier Mozer het noemde. Ook gewone burgers hadden er recht op, mits zij een zaak onder eigen naam aanbrachten.

Toch hadden de Jodenjagers van de politie en ook die van de voormalige Amsterdamse snorder en stofzuigerverkoper Willem Henneicke, de notoire Colonne Henneicke, nooit hun werk kunnen doen zonder een uitgebreid netwerk van informanten. In het toenmalige jargon V-mannen en -vrouwen, waarbij de V voor Vertrauen stond. Het ging veelal om geregistreerde en betaalde beroepsverraders, die behalve dat ze voortaan een vast inkomen hadden of anders meedeelden in de premies, een percentage – eerst 5, later 10 procent – van de in beslag genomen goederen ontvingen.

‘Dat waren in de regel de onguurste elementen, zowel christenen als Joden’, merkte de voormalige Amsterdamse SD-rechercheur Hendrik Blonk na de oorlog op. Tijdens het proces tegen de Joodse V-vrouw Ans van Dijk verklaarde zijn oud-collega Pieter Schaap dat ze bij de Sipo en de SD net zoveel informanten konden krijgen als ze wilden, ook Joodse. En dat dit geen grootspraak was, bleek toen ik in het NIOD op het Signalementenblad stuitte.

In dit door het verzet uitgegeven bulletin staan in alfabetische volgorde verraders, Nederlandse SD- en Gestapo-agenten en verklikkers, met signalement en vaak met leeftijd, adres, taakomschrijving, pseudoniemen en beschuldigingen. Er verschenen vijf nummers van in een oplage variërend van 100 tot 500 exemplaren.

Toen ik het blad van augustus 1944 doornam, viel me op dat er relatief veel Joodse mannen en vrouwen als verrader in stonden. Ik begon ze te tellen en kwam op 25 namen, iets wat me toch wel verraste. Mijn kennis beperkte zich tot een paar namen, onder wie Friedrich Weinreb en Ans van Dijk, de enige vrouw die na de oorlog werd geëxecuteerd. Maar van lieverlede ontdekte ik dat die 25 nog maar het topje van de ijsberg waren.

In dossiers en naslagwerken vond ik steeds meer namen en lijsten met namen van Joodse verraders, in totaal meer dan 120. Enkelen hadden tientallen, soms meer dan honderd onderduikers verraden. Tot de beruchtste behoorden naast Ans van Dijk Bernhard Joseph, Betje Wery, Mozes Brandon Bravo, Irma Seelig en Max Ekstein. Over Bernhard Joseph vertelde de Amsterdamse SD-rechercheur Schaap dat zijn Duitse chef Otto Kempin eens tegen hem had gezegd dat als Duitsland de oorlog zou winnen, deze V-man de enige Jood zou zijn die ze ‘ongemoeid’ zouden laten.’ Uit waardering voor zijn grote verdiensten hoefde Bubi, zoals de codenaam van Joseph luidde dan ook geen Jodenster te dragen en hielp Kempin hem aan een vals persoonsbewijs.

De destijds in Amsterdam wonende Bernhard Joseph – op 25 januari 1923 in het toenmalige Breslau geboren – leefde van het verraad om na verloop van tijd ook zijn vader Berthold en zijn drie jaar jongere zuster Resi mee te sleuren. Ook moeder Lina Joseph-Bloch zou in het complot hebben gezeten, maar justitie liet haar na de oorlog met rust. Toen Bernhard Joseph in 1948 moest terechtstaan, had de Politieke Recherche-Afdeling een lijst met de namen van 57 slachtoffers opgesteld die hij aan de Gestapo zou hebben verraden en die waren omgekomen of vergast. De recherche wees er echter op dat het werkelijke aantal vermoedelijk ‘aanmerkelijk hoger’ lag, alleen had zij over de anderen geen verdere gegevens kunnen vinden. Schaap sprak zelfs over ‘honderden Joden’.

Nadat de procureur-fiscaal de doodstraf had geëist tegen Bernhard Joseph, veroordeelde het bijzonder gerechtshof in Amsterdam hem tot 20 jaar en zijn vader die met hem terechtstond, tot 18 jaar. In hoger beroep handhaafde de bijzondere raad van cassatie de straf van Bernhard, maar bracht die van zijn vader terug tot 15 jaar. Na tweederde van zijn straf te hebben uitgezeten kwam Berthold Joseph, zwaar hartpatiënt, in 1955 vrij om vervolgens naar Duitsland te verdwijnen. Over zoon Bernhard is nergens informatie vinden over waar hij na zijn vrijlating zou zijn gebleven.

Omdat ik niet uitsloot dat hij nog leefde, leek het me het meest logisch – als ik tenminste zijn verhaal wilde hebben – het spoor van zijn ouders te volgen. Van hen had ik in een dossier nog een naoorlogs adres in Berlijn-Dahlem gevonden. Mijn digitale zoektocht bracht me kriskras door Duitsland, maar steeds ving ik bot. Tot ik ontdekte dat hij in het Zuid-Duitse Kurort Bad Waldsee woonde.

Het verraad
Als ik in het voorjaar van 2009 samen met mijn zoon Olivier die opnames wil maken voor een documentaire, in Bad Waldsee arriveer, blijkt Bernhard Joseph bij zijn dochter te zijn ingetrokken. Zij woont in een gehucht in de buurt van Kaiserslautern, en nadat ik open kaart tegenover haar heb gespeeld, gelooft ze me meteen. Ontdaan zegt B. (ze wil anoniem blijven) dat ze helemaal van niets wist. Van zijn verblijf in Nederland, zijn werk voor de SD en de Gestapo, het verraad, de veroordeling, de gevangenschap. Sinds een paar dagen ligt hij na een – in haar woorden – ‘piepklein hartinfarct’ in het Sankt Johannis-Krankenhaus in Landstuhl. ‘Maar ik hoop dat hij gauw doodgaat’, verzucht ze. ‘Ik heb helemaal niets met die man.’

’s Avonds overleggen Olivier en ik wat ons nog te doen staat. Tegen half tien besluit ik zijn dochter te bellen of we misschien niet met haar meekunnen als ze hem bezoekt. Ze vindt het een goed idee: ik kan hem dan confronteren met zijn verleden. Ik weet immers zaken die zij niet weet en ze gelooft stellig dat hij anders alles zonder meer zal ontkennen.

Bernhard Joseph ligt in een driepersoonskamer in een bed aan het raam, een oude, zieke man, maar ook een van de grootste verraders in de Nederlandse geschiedenis. Als ik hem in het Nederlands groet en vervolgens vraag of hij deze taal nog spreekt, reageert hij met: ‘Bitte ... uh?’ Ik herhaal in het Duits mijn vraag, of hij, na per slot van rekening een verblijf van meer dan twintig jaar in Nederland, de taal nog machtig is. Hij schudt het hoofd: ‘Dat spreek ik niet.’ Dan verzoekt zijn dochter hem op afgemeten toon mee te komen, ze wil iets bespreken.

Onderweg naar het cafetaria van het ziekenhuis zegt Bernhard Joseph ineens dat hij naar de wc moet. Terwijl we staan te wachten, smaalt B.: ‘Het zou me niets verbazen als hij niet meer terugkomt. Dat hij simuleert een of andere aanval te hebben gekregen. Hij is een geboren acteur.’ Maar ik denk dat hij best wil weten wat er speelt. In de lift zag ik hem verschillende keren naar mij gluren.

In het cafetaria leg ik hem uit dat ik een boek schrijf over het verraad en dat ik me heb verdiept in zijn zaak. Hij luistert zonder dat hij iets van emotie toont. De dikke, wit-grijze haardos, het spitse gezicht, de donkerbruine ogen waakzaam.

Dan begin ik mijn vragen te stellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden