Een behendig diplomaat

Manuel II Palaeologus was keizer van Byzantium. Zijn kracht lag niet op het slagveld, maar in het bedrijven van politiek en het smeden van allianties....

Hij werd de ‘wijsgeer-keizer’ genoemd – en de verwijzing die daarin besloten ligt naar de goede, wijze keizers uit de glorieuze dagen van het Romeinse Rijk, was beslist opzettelijk. Toen hij stierf, stokoud voor zijn dagen, ‘rouwden’, schrijft de kroniekschrijver, ‘er meer mensen om hem en zij weenden bitterder dan voor wie ook van zijn voorgangers’.

Want Manuel II Palaeologus, de keizer van Byzantium wiens naam deze dagen als criticus van de islam ineens, bijna zes eeuwen na zijn dood, op aller lippen is, was een verstandige keizer, dat wil zeggen, een behendig diplomaat en een man die het zijn gehele bestaan betreurd heeft dat de felheid van het leven dat hij leven moest, hem weerhield van lezen en schrijven. Zijn kracht lag in de diplomatie, in het bedrijven van politiek en het smeden van allianties, niet op het slagveld.

Maar het waren barre tijden, de tijden van zijn leven, de tweede helft van de veertiende eeuw en het eerste kwart van de vijftiende. Toen keizer Manuel de observaties over de islam noteerde die, sedert paus Benedictus XVI ze verleden week in Regensburg aanhaalde, zo veel stof hebben doen opwaaien, had hij het volste recht van spreken.

‘Toon mij toch wat Mohammed voor nieuws heeft gebracht’, zei de keizer in een van de door hemzelf geboekstaafde Zesentwintig Dialogen met een Pers, ‘en dan zul je louter slechts en onmenselijks vinden, bijvoorbeeld dat hij bevolen heeft het geloof dat hij predikte door het zwaard te verbreiden.’ Manuel bevond zich in Anatolië, toen hij zijn Perzische theoloog ontmoette; hij vervulde er, 41 jaar oud, zijn militaire dienstplicht bij sultan Bajezid I, want het oude keizerrijk Byzantium was allang een vazalstaat van het nieuwe en allengs aan macht winnende Ottomaanse Rijk geworden.

Waar dat in moreel opzicht voor stond, wist hij maar al te goed. Zijn bevelhebber, Bajezid, had, zodra hij twee jaar daarvoor tot sultan werd uitgeroepen, om te beginnen zijn broer en mede-bevelhebber Yakub laten wurgen. Daarmee was, voor wie in het Ottomaanse Rijk de leiding op zich nam, een traditie ingezet van broedermoord. Die gruwelijke gewoonte zou in 1595 haar hoogtepunt bereiken: de pas benoemde sultan Mehmet III liet maar liefst negentien van zijn broers stante pede wurgen toen hij de heerschappij aanvaardde.

Onderweg in Anatolië schrijft Manuel aan een vriend thuis in Byzantium zijn verbijstering over de Ottomaanse wijze van oorlogvoeren van zich af. ‘De vlakte van ons kampement is verlaten’, meldt hij, ‘als gevolg van de vlucht van de bewoners, die zich verstopt hebben in de bossen en de spelonken. Maar zij zullen niet ontsnappen aan een slachtpartij die onmenselijk en wreed is en zonder enige juridische formaliteit wordt uitgevoerd, niemand wordt gespaard, vrouwen noch kinderen, zieken noch bejaarden... Wanneer ik vraag naar de namen van de vele steden is het antwoord steevast: we hebben deze plaatsen vernietigd, tot hun namen toe. Het is onverdragelijk dat ik zij aan zij met deze mensen vechten moet.’

Hij was er van kindsbeen af mee vertrouwd geraakt – en hij gruwde ervan. Als hij vijf jaar onderweg is in zijn keizerschap, in 1396, vindt de bizarre veldtocht plaats die de geschiedenis is ingegaan als de Kruistocht van Nicopolis, diep in de Balkan. Dat was het eerste grote treffen tussen de katholieke naties van Europa en de sultan van het Ottomaanse Rijk. Door een reeks stommiteiten liep het geallieerde leger – Hongaren, Fransen, Italanen, Spanjaarden, Britten, Polen en Bohemers – in een hinderlaag. Een kleine tienduizend van deze soldaten werden krijgsgevangen gemaakt en vervolgens een voor een ten overstaan van de sultan een kopje kleiner gemaakt, letterlijk.

Zijn vader, Johannes VII Palaeologus, was een warhoofd, zoniet een idioot. Tijdens diens regering was het Byzantijnse Rijk – dat sedert de hoogtijdagen van de dynastie van de familie Palaeologus, in het midden van de dertiende eeuw, alleen maar kleiner was geworden – teruggebracht tot de stad Byzantium, twee domeinen in wat nu Griekenland is en enkele eilanden. Byzantium was afhankelijk van de Ottomanen geworden en de sultans lieten geen gelegenheid passeren om de keizer, die zich erop liet voorstaan in de ongebroken traditie van het Romeinse Rijk te staan, te vernederen.

Op zijn beurt probeerde Johannes VII steun te vinden in Europa, steun tegen de Ottomanen en dus de heidenen, steun tot elke prijs. Hij spiegelde de machthebbers in het Westen onwaarschijnlijke toezeggingen voor en had het er zelfs voor over zijn oosterse orthodoxe gezindte op te geven en zich in Rome tot het westerse katholicisme te bekeren. In zijn eentje zou hij het schisma, dat de christelijke kerk in 1054 verscheurd had in het katholicisme en de orthodoxie, wel even ongedaan maken.

Daar trapte niemand in– thuis in Byzantium niet, en in West-Europa ook al niet. Manuel moest, als jeugdig regent over een van de Byzantijnse gebiedsdelen in Griekenland, zijn vader te hulp komen toen die in Venetië in gijzeling genomen werd omdat hij niet eens zijn rekeningen kon voldoen.

In die staatkundige, diplomatieke, militaire en kerkelijke ravage werd hij in 1391 met pracht en praal in de kerk van de Heilige Sofia in Byzantium tot keizer gekroond, nadat hij jaren daarvoor al door de Byzantijnse elite als adjunct-keizer naar voren was geschoven. Manuel moest op talrijke borden tegelijk spelen. De kerk van het Westen was op dat moment verscheurd, door de politiek-religieuze competentiestrijd tussen Frankrijk en Italië: hij moest niet alleen de paus in Rome voor zijn zaak interesseren, maar ook de tegenpaus in Avignon.

Aan het eind van zijn loopbaan was er zelfs een derde paus op het toneel verschenen, Johannes XXIII – ja, werkelijk, toen al. Ook geen kleine jongen, overigens. De grote 18de-eeuwse historicus Edward Gibbon schrijft over hem, dat tijdens diens berechting ‘de schandaligste beschuldigingen maar werden achtergehouden, zodat de Vertegenwoordiger van Christus op aarde slechs beschuldigd hoefde te worden van piraterij, moord, verkrachting, sodomie en incest’. Gedurende het eerste jaar van zijn pontificaat, in het tweede decennium van de 15de eeuw, had hij niet minder dan tweehonderd ‘vrouwen, weduwen en maagden’ tot zich genomen, ‘een aanzienlijk aantal nonnen niet meegerekend’.

En intussen zinderde het aan de oostflank van Byzantium, ja, had de Ottomaanse sultan in het laatste decennium van de veertiende eeuw ook al vaste voet aan wal gekregen op de Balkan. De Slag op het Lijsterveld van 1389, die tot in onze tijd de bevolking van Servië verdeeld houdt en waar wij de Kosovo-crisis van enkele jaren terug in laatste instantie aan danken, had laten zien dat de sultan zijn oog had laten vallen op het christelijke Europa – en dat het christelijke Europa daartegen geen vuist kon maken.

Maar Manuel was, anders dan zijn vader, een groot man; hij geloofde niet in diens politiek van ‘appeasement’, maar in weerstand. Zijn grootheid moest zelfs zijn aartsvijand, sultan Bajezid, erkennen. ‘Zelfs wie hem voor het eerst ziet, herkent in zijn houding het keizerlijk bloed.’ Als Manuel in de jaren 1400-03 een lange diplomatieke reis maakt door Italië, Frankrijk, ja, tot in Engeland toe, om steun te verwerven voor zijn strijd tegen de Ottomanen, is iedereen onder de indruk van zijn verschijnen en optreden.

Lyrisch zijn de beschrijvingen van zijn intocht in Parijs, waar hij bij de Franse koning om geld en steun kwam bedelen. In een witzijden gewaad, gezeten op een spierwitte schimmel, reed hij de stad binnen – en wie het zag, meende het oude Rome in levenden lijve te zien. Zijn royale ontvangst in Italië had bovendien veel te maken met zijn oosterse achtergrond: de renaissance was onderweg, ineens was er een tomeloze belangstelling uitgebroken voor het Grieks, een taal die Manuel niet alleen moeiteloos kon lezen, maar die hij ook schreef. In Parijs verdrongen de grootste geleerden van de Sorbonne zich om een onderhoud met hem.

Zijn redding zou, curieus genoeg, niet uit het Westen komen, maar uit een nog veel verder Oosten. Terwijl Manuel door Europa reisde, rukten de legers van de legendarische Mongoolse leider Timoerlenk op van Samarkand tot in de Anatolische vlakte – en zij versloegen het leger van sultan Bajezid vernietigend. Hilarisch zijn de verhalen over Timoerlenk die, nog een slagje wreder dan de sultan, op het beslissende moment tijdens de veldslag in zijn legertent een partijtje schaak zat te spelen met zijn zoon, en de sultan vervolgens bij zichzelf inkwartierde. Daar gebruikte hij hem als voetenbank en als keukenkrukje, tot de sultan, kapot vernederd, de geest gaf.

Keizer Manuel II Palaeologus reisde terug naar Byzantium en slaagde erin met een van Bayezids zoons, Suleyman, een gunstig verdrag te sluiten; met een van zijn andere zoons, Mehmed I, kon hij zelfs zo goed opschieten dat Byzantium in de laatste twee decennia van Manuels regeerperiode een relatief rustige tijd kende. Manuels bewind zou daarom de geschiedenis ingaan als de laatste periode waarin Byzantium nog kon bloeien, voordat de val van Constantinopel, in 1453, een definitief eind zou maken aan wat ooit het Oost-Romeinse Rijk was geweest.

Manuel heeft zijn laatste levensjaren besteed aan de instructie van zijn zoon en opvolger, Johannes VIII. Hij schreef, in middeleeuwse stijl, maar al vooruitlopend op een genre dat gedurende de renaissance tot bloei zou komen, een Prinsenspiegel voor hem, een handboek voor de wijze vorst dat een ethische politiek bepleit.

Manuel kreeg aan het eind van zijn leven een hersenbloeding en werd, in de traditie van de christelijke keizers van Byzantium, ten slotte monnik. Op 22 augustus 1425 stierf hij, 75 jaar oud, als broeder Mattheus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden