InterviewDunja van der Heijden

Dunja (27) zat in quarantaine met haar opa Fred (94) tot hij stierf

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren. Deze week: Dunja van der Heijden over haar opa Fred Andriesse.

Fred Andriesse overleed 30 maart op 94-jarige leeftijd aan de gevolgen van corona. Zijn kleindochter Dunja van der Heijden (27, verloskundige in opleiding) zat de laatste twee weken met hem in quarantaine. 

Dunja:

‘Op zondag 15 maart ging ik even naar mijn opa toe en trof hem moe en rillerig aan. We dronken eerst koffie. Toen ik mijn hand op zijn hoofd legde, voelde ik dat hij koorts had. Ik nam zijn temperatuur op en hij bleek 39,7 graden koorts te hebben. ’s Avonds kwam de huisartsenpost en omdat de coronaregels net waren aangescherpt waren ze gehuld in blauwe maanpakken; mondkapje, schort, muts, een beschermende bril en handschoenen. Omdat mijn opa geen pijn of klachten aan zijn luchtwegen had, dachten ze aan blaasontsteking. Ze hadden wel een coronatest bij zich die ze maar voor de zekerheid gebruikten. Ik bleef bij hem, want hij voelde zich helemaal niet lekker. Na anderhalve dag belde, toen opa even lag te slapen, de assistent van zijn huisarts: ‘Omdat je opa positief is getest op corona willen we de directie van zijn ouderencomplex inlichten, vind je dat goed?’ Ik liet hem even slapen en heb eerst mijn familie gebeld.

Nadat mijn oma tien jaar geleden overleden was, besloot ik om iedere week een middag na school naar opa Fred toe te gaan. Hij was een heel beheerste, lieve, georganiseerde, eerlijke man. Opa was erg geïnteresseerd in moderniteit en innovaties en ik heb altijd een hang naar geschiedenis gehad. Voor mijn gevoel kwamen we elkaar in het midden tegen. We vonden het leuk om foto’s te bekijken, uren te praten, samen te klussen. We wandelden ook vaak, gingen lunchen of bezochten een museum. Het was een gelijkwaardige, hechte vriendschap. Het was mijn grootste angst om mijn opa te verliezen, ik was banger om hem kwijt te raken dan mijn ouders. Hij was degene met wie ik de meeste raakvlakken had. Onze band was symbiotisch.

Toen ik mijn opa wakker maakte, heb ik hem meteen verteld dat hij corona had. Hij schrok heel erg en zei: ‘Dan zal ik wel de pijp uitgaan.’ Hij had meteen door dat hij dit niet zou overleven. Ook omdat we de hele tijd het nieuws aan hadden. Het ging continu over Italië en over al die ouderen die daar overleden. Vervolgens belde hij mijn moeder, de enige van zijn drie dochters die nog leeft, om te zeggen dat hij beslist geen joodse begrafenis wilde. Hij heeft in de oorlog ondergedoken gezeten omdat hij joods was. Hij zei altijd: ‘Zodra ik zelfstandig kon nadenken, werd ik atheïst.’ Ik vond het opeens ontzettend tragisch dat hij de oorlog zo bewust had meegemaakt en dat hij nu door deze andere grote crisis zou overlijden.

In overleg met de huisarts werd besloten dat hij sowieso niet opgenomen zou worden. Omdat hij zo oud was zouden zijn overlevingskansen op de intensive care nihil zijn. De huisarts had gezegd dat ze alleen zouden komen als hij achteruit zou gaan. Maar de eerste week had hij gewoon koorts dus ik zat daar in mijn eentje. Zijn vriendin met wie hij een latrelatie onderhield kon niet komen omdat ze 95 is, en mijn moeder ook niet omdat zij longklachten heeft. Mijn opa was snel ziek geworden nadat de maatregelen waren ingegaan en ik merkte dat de eerstelijns coronazorg nog erg aan het opstarten was. Hetzelfde gold voor de thuiszorg. Zij hadden geen materialen om zichzelf te beschermen om binnen te komen. Ik moest het dus wel alleen doen, want het kon niet op een andere manier.

Dunja van der Heijden en haar grootvader Fred Andriesse.Beeld Sophie van der Perre

De eerste paar dagen voerden we nog gesprekken, maar na een paar dagen ging dat niet meer. Hij was zo moe. Hij kon wel aangeven of hij wilde drinken of naar de wc moest, maar verder ging de communicatie niet. Dat was niet erg, we hadden alles al honderd keer besproken. Soms hoorde hij me huilen en dan richtte hij zich op om me te troosten: ‘Ach meisje, het is heel vervelend, maar je moet sterk zijn, het is niet anders. Er komt toch een einde aan.’

De eerste week stond in het teken van de koorts, slapen en proberen wat te eten. Mijn tweelingbroer en mijn vader kwamen steeds boodschappen brengen die ze voor de deur zetten. Na tien dagen merkte ik dat opa steeds wilde opstaan om te gaan plassen, echt ieder uur, dag en nacht. Toen heb ik de huisartsenpost gebeld en is er een katheter geplaatst. Dat is het enige moment dat hij echt veel pijn heeft gehad. Dat vond ik heel naar om te zien.

Nadat hij de katheter had gekregen kwam hij helemaal niet meer uit bed. Toen heb ik een matras naast zijn bed gelegd om ’s nachts naast hem te slapen. Ik was bang dat hij kortademig of benauwd zou worden en dat wilde ik kunnen horen. Ik had een soort hyperfocus ontwikkeld op zijn ademhaling, waardoor ik zelf bijna niet meer sliep.

Op een avond begon hij opeens te jammeren over pijn in zijn onderrug. De huisarts kwam om een naaldje boven zijn borst te plaatsen waardoor hij morfine kreeg. Mij werd gevraagd of ik me bekwaam voelde om hem de komende dagen morfine toe te dienen met een injectiespuit door dat naaldje. Ik zei dat ik het vast wel kon omdat ik de zorg niet meer uit handen wilde geven. De huisarts zei bij het weggaan tegen mijn opa: ‘Ik kan wel merken dat jij en je kleindochter een heel bijzondere band hebben.’ Waarop mijn opa zei: ‘Mijn kleindochter en ik houden heel veel van elkaar en dat steken we niet onder stoelen of banken.’ Dat is het laatste wat hij heeft gezegd. Mijn moeder hoorde het via de telefoon. 

Toen hij eenmaal morfine kreeg, had hij geen pijn meer en werd zijn ademhaling rustiger. Hij kwam niet meer bij, zijn ogen bleven dicht. Ik kreeg toen zelf ook klachten van de corona dus de rust was fijn. Ik was me er heel bewust van dat hij aan het sterven was. De laatste drie dagen heb ik niet meer gehuild, het was bijna meditatief zoals ik naast zijn bed zat. Ik nam niet alleen afscheid van hem, maar ook van de plek en de spullen. Ik was er volledig voor hem, hoefde hem geen seconde alleen te laten. Dat gaf me een heel krachtig gevoel.

Nadat ik hem om 4 uur ’s nachts morfine had gegeven, gaf ik hem nog een kus op zijn voorhoofd. Hoewel ik oordopjes in had gedaan, lukte het me niet om in slaap te komen. Na een uur deed ik de oordopjes weer uit en was het opeens doodstil. Eerder was ik bang of ik het wel zou signaleren als hij dood was, maar ik zag het meteen. Zijn gezicht en huidskleur waren opeens heel anders. Toevallig kwam dezelfde arts die de katheter had geplaatst om te schouwen en vol verbazing zei hij: ‘Jeetje, zit jij hier nog steeds?’ Terwijl de begrafenisondernemer kwam, ruimde ik heel snel het appartement op. Ik wilde zo snel mogelijk naar mijn eigen huis. Eenmaal thuis moest ik zelf in quarantaine omdat ik corona had. Niemand kon mij komen troosten. Pas na een week waren mijn klachten weg en kon mijn vriend me eindelijk omhelzen. Het was al met al supereenzaam, maar het voelt als een levenswerk dat ik dit heb kunnen doen voor mijn opa. Het was een symbiotische afsluiting van onze band.’

Van Barbara van Beukering verscheen onlangs het boek ‘Je kunt het maar één keer doen’. Voor de reeks in dit magazine wil ze graag met nabestaanden spreken over afscheid ­nemen.

Acteur Hein van der Heijden, de vader van Dunja, deed eerder zijn verhaal in Volkskrant Magazine. Hij verloor in korte tijd drie naasten aan de gevolgen van corona, onder wie dus zijn schoonvader Fred.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden