Duizend jaar kijken naar de Zwarte Zee

De schrijver Anton Tsjechov wandelde graag langs de Zwarte Zee aan de Krim. Er is zwaar gevochten aan de oevers, maar het is er nog altijd prachtig....

De Krim is schitterend, de Krim is zwaar bevochten. Ziehier de twee associaties die mensen wereldwijd kunnen hebben bij dit beroemde en beruchte schiereiland in de Zwarte Zee, tegenwoordig deel van Oekraïne.

Voor de reputatie van schoonheid is bovenal Anton Tsjechov verantwoordelijk. ‘Ik droomde ervan om hier op de Krim ten minste een toneelstuk te schrijven’, schreef hij in de zomer van 1889 naar het thuisfront in Moskou. ‘Maar het levend opstijgen naar de hemel bleek onder deze zuidelijke luchten makkelijker dan ook maar een regel te schrijven.’

Het is goed te weten dat de grote schrijver van treurige verhalen zich niet in Simferopol bevond toen hij deze regels neerpende. Dit is de stoffige hoofdstad van de Krim waar alle treinen en vliegtuigen aankomen. Tegenwoordig is die wel vijftig keer zo groot als in 1889 maar, vermoed ik, even weinig bezienswaardig – op het overdonderende marmeren treinstation uit de Stalin-tijd na misschien.

Tsjechov verloor zijn hart aan de Krim in Jalta aan de Zwarte Zee, achter een bergrug van 1500 meter hoog. Vanuit Simferopol kom je hier met de langste trolleybuslijn ter wereld, meer dan 90 kilometer. De afdaling is spectaculair. Als de trolleybus stopt worden de neusgaten beroerd door een krachtig mengsel van berg- en subtropische vegetatie. De weg naar de kust voert langs zwaar geurende cipressen, ceders, olijfbomen, lindes, palmen en vijgen met bladeren zo groot dat je begrijpt dat de keuze van Adam en Eva op hen viel toen de edele delen moesten worden bedekt.

En dan de zee.

Naar de zee kun je op de Krim duizend jaar kijken zonder verveeld te raken, schreef Tsjechov, die bij zijn eerste duik schijnt te zijn uitgebarsten in een vreugdegeschal. Ik tref in branding flink wat dode kwallen aan, zwem door en zie Jalta tegen de bergen van de Krim aanliggen. Donkergroene cipressen steken uit boven beige panden met gietijzeren balkons van rond de vorige eeuwwisseling. Zelfs ver in zee kan ik de cipressen nog ruiken.

Een tweede keer zwem ik langs de kust en vallen mij ineens al die Sovjet-flats op aan de stadsrand en, dichterbij, de in het historische Jalta neergekwakte nieuwe wolkenkrabbers ‘type Miami’. Ook om een grote bronzen Lenin die op de kade zelfvoldaan staart naar een al even ruim bemeten McDonald’s, was het lastig heen kijken.

Op ansichtkaarten uit Tsjechovs tijd zie je alleen maar pittoreske laagbouw. Maar klagen over lelijks is van alle tijden. Tsjechov ging zich eraan bezondigen toen de magie van het begin begon te verdampen. In een minder goede stemming verzuchtte hij: ‘De zee is mooi. De stoomboten ook. Maar het publiek is ongecultiveerd.’ Dat was in 1899. Jalta’s klassieke witte kade staat nog overeind. Wat als Tsjechov hier opnieuw zou wandelen? Hij zou in ieder geval flink wat ontblote lichaamsdelen zien van Russische en Oekraïense toeristen.

Populair aan de kade: verkleedpartijen met 18de eeuwse jurken, pruiken en hoeden met strikken. Mevrouw Natasja, 47, grijzend bruin haar, grote zonnebril, door haar man verlaten, uit de Oekraïense industriestad Mariupol, helpt hier de hele dag door toeristes in gedecolleteerde ‘Mozart-jurken’. We zien heel wat boezems die een beetje over de Zauberflöte-strakke randen heenbobbelen. ‘September en oktober zijn voor onze jurken de beste maanden’, vertelt mevrouw Natasja. ‘Dan komen de cruiseschepen uit West-Europa. Italiaanse dames komen altijd bij ons poseren. Weet je wie nooit komen? Duitse vrouwen!’ Eind november keert mevrouw Natasja terug naar Mariupol, waar zij twintig jaar geleden uit een fabriek werd ontslagen, en waar zij met het ‘Jalta-geld’ de winter doorkomt.

p3

De zee troost nog altijd
p1

Achter de toeristenkade in Jalta beginnen straatjes waar ceders, palmen, platanen en kastanjes oude witte zomervilla’s uit de zon houden. Soms is het verval licht, soms zwaar, soms zijn er alleen ruïnes vol onkruid over. De lucht van de cipressen mengt zich vaak met die van zweet. Maar Tsjechov zou het hier nog herkennen. Iedere iets oudere jonge vrouw die hier in lange rok rondloopt kan afkomstig zijn uit zijn beroemdste Krim-verhaal, De dame met het hondje.

Toen de schrijver zich in 1899 definitief in Jalta vestigde, was hij al flink door tbc verzwakt. Geen dokter had hem verteld dat hij nog maar vijf jaar had. In een door ceders overkoepelde witte villa van natuursteen hoopte hij nog een aardige tijd te schrijven. Al bijna een eeuw is dit huis een museum. Binnen ruikt het naar boenwas en naar de afwezigheid van bewoners. Aan een notenhouten bureau in een kamer waar een beetje zon naar binnenkomt door een half gebrandschilderd raam waarachter je de cedertakken ziet, is De dame met het hondje ontstaan. Er zijn foto’s van Tsjechov met Tolstoj, met Rachmaninov en met de beroemde dokters die hem behandelden. Zelfs de kleine kinderen op de foto’s zijn nu dood. De keurige dames die het museum runnen zijn de dame-met-hondje-leeftijd wel voorbij. Om kwart voor vier blijkt er een oude bus te gaan naar hun woonwijk en gooien ze het museum lekker vroeg dicht – en mij eruit.

Tijd om zelf met een oude bus Jalta te verlaten en langs de spectaculaire kustlijn op weg te gaan naar een plek die die andere kant van de Krim symboliseert, de grimmige en donkere: Sevastopol, thuishaven van de Russische vloot en een stad waar meer om gevochten is dan goed is voor een stad.

Een rookverbod bestaat niet in de hobbelbus. Een dronken kerel veroorzaakt het nodige lawaai. Links de diepblauwe Zwarte Zee, rechts wijngaarden en steil omhoog lopende donkergrijze rotswanden. De dronken kerel wordt halverwege de twee uur durende rit door de chauffeur de bus uit geflikkerd.

Dat Sevastopol geen gewoon verleden heeft, zie je aan al die standbeelden van soldaten met geweren, al die gedenktekens met namen van doden, al die grote monumenten. De zon doet omloog lopende boulevards baden in scherp licht. Nagenoeg al deze boulevards dragen namen van officieren die hier heldenrollen vervulden – of sneuvelden. Ze zeggen dat elke stad een zwarte doos heeft, een plek die ‘de essentie’ bevat. In het geval van Sevastopol moet dat het Panorama Museum zijn. Vele 50-plus dames met hoornen brillen hebben hier niet al te arbeidsintensief werk, met als gevolg dat er flink wordt gehaakt en gebreid.

Een van hen loopt mee naar een royaal bemeten rond schilderij à la Panorama Mesdag: de slag om Sevastopol van 1855 – in het heetst van de Krimoorlog. De groene Russische soldaten verdedigen de stad tegen de oprukkende rood-blauwe Fransen. Ze hebben hun doden voor iconen gesleept waarvoor kaarsen branden. Een bebaarde priester in zwart habijt rent over het slagveld om de stervenden nog te kunnen zegenen. In 1942 werden al die stervenden nog een keer geraakt toen de nazi’s Sevastopol innamen en het schilderij aan puin schoten.

Dat is iets typisch: schieten op een oorlog.

Om de tien minuten worden via de geluidsinstallatie van het museum kanonskogels afgevuurd. Het geknal mengt zich met de vrolijke tunes van mobiele telefoons van giechelende meisjes. Ook op de Krim is het de 21ste eeuw. Vitalina is een mollig meisje dat aan de kade ijsjes verkoopt voor een expositie van grote zwart-witfoto’s van soldaten van het Rode Leger. ‘Ik ben eraan gewend’, zegt zij. Ook in Sevastopol gaan mensen zwemmen en zonnebaden. In je zwembroek kun je afdalen in de baai van het centrum die de Artilleriebaai heet. Twintig meter in het water zie je aan je ene kant de monumentale panden op de kade, aan je andere kant een kolossale herdenkingszuil met een medaille.

Officieel ben je hier in Oekraïne. Maar wie je ook op straat aanspreekt, iedereen vertelt je dat je hier in Rusland bent. Hoogst interessant is het vlaggenpalet boven deze stad. Je ziet Oekraïens blauw-geel. Maar Russisch wit-blauw-rood is duidelijk in de meerderheid. Ook goed vertegenwoordigd in het straatbeeld: de oude Sovjet-vlag met de hamer en de sikkel. In eethuis Pobeda, vernoemd naar de allereerste ‘proletarische’ Sovjet-auto, dragen de serveersters zwarte gestippelde jurken als in die goeie ouwe Sovjet-films. Verderop is een markt waar Sovjet-vlaggen, Sovjet-shirts en Lenin-bekers worden verkocht.

De koopwaar van Michail – ‘zeg maar Mickey’ – bestaat uit 700 medailles: met Lenin, met Stalin, met hamer- en sikkel, met rode ster. Tot 1990 was Michail kapitein op een onderzeeboot. Maar er werd bezuinigd en op zijn 35ste ging hij met vervroegd pensioen. ‘Het lag voor de hand om iets met medailles te gaan doen: er is geen stad waar meer medailles in omloop zijn dan Sevastopol.’ Michail, filterloze sigaret in de mond, draagt een legerpet met speldjes van beertjes. Op zijn jas een Stalin-medaille. Moet je dat nou wel doen, vraag ik. ‘Stalin heeft toch de oorlog gewonnen, niet Hitler’, antwoordt hij. Maar Stalin heeft toch ook een miljoen Sovjet-burgers voor het vuurpeloton gezet en de voltallige oorspronkelijke bevolking gedeporteerd van de plek waar we nu ons bevinden, de Krim-Tartaren, zeg ik. So what?, vraagt Michail retorisch.

Tegenwoordig vormen de Krim-Tartaren 0,5 procent van de bevolking van Sevastopol. Een van de oude vrouwtjes die op straat staan met bosuien, dille en peterselie, blijkt een Krim-Tartaarse. Ze heet Ana. ‘Hebt u hier nog familie?’, vraag ik. ‘Geen familie, familie weg’, zegt ze.

In De dame met het hondje beveelt Tsjechov het luisteren naar de Zwarte Zee aan als troost voor de kleine rampen van het de leven, en voor de grote van de geschiedenis: ‘... de zee ruiste nu, en hij zou doorgaan met ruisen.’

Olaf Tempelman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden