DRONKENSCHAP VAN DE MACHT

In het hartje van Parijs, op een steenworp afstand van de Notre Dame, staat het monumentale Palais de Justice. Achter een metershoog, verguld hekwerk strekt zich de Cour de Mai uit....

Vlak bij het voorname Cour d’Appel bevindt zich in de kelders ‘het depot van de buitenlanders’, de opvangplek voor de economische vluchtelingen die het land uit moeten worden gezet. Zij worden onder middeleeuwse omstandigheden vastgehouden – geen buitenlucht, geen daglicht, nauwelijks sanitaire voorzieningen en volop ongedierte. ‘Zo slecht trof ik het alleen in Moldavië aan’, verzuchtte Gil-Robles geschokt. Op zijn netvlies stonden ‘beelden van een tijdperk waarvan ieder beschaafd mens zou denken dat die in Frankrijk tot het verleden zou behoren’, schreef hij in zijn rapport.

Wat hij precies zag, blijft voor een gewone sterveling aan het oog onttrokken. Ter plekke staat een jonge agent, die de doorgang verspert. Ja, hij weet wat zich daar beneden afspeelt, maar nee, hij wil er niets over zeggen. Wel verzucht hij ‘dat er almaar wordt gevraagd, hoe zwaar het voor die buitenlanders is, maar niet voor ons. Zij zitten er maar een maandje, wij moeten hier het hele jaar werken’.

Gesol met burgers

De twee gezichten van het Palais de Justice staan symbool voor de Franse justitie. Want hoewel de regering zich nog bijna dagelijks voorstaat op de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen uit 1789, blijkt die reputatie te botsen met het hedendaagse gesol met de grondrechten van de burgers. Iets anders konden de miljoenen kijkers naar de rechtstreeks op de televisie uitgezonden verhoren van de parlementaire enquêtecommissie-Outreau moeilijk concluderen.

In die beruchte pedofiliezaak, vernoemd naar het Noordfranse dorpje, zette een jonge onderzoeksrechter, Fabrice Burgaud, achttien gewone Fransen in voorlopige hechtenis. Veertien bleken volkomen onschuldig, maar zaten gezamenlijk wel 25 jaar vast. Een van hen pleegde in de gevangenis zelfmoord. ‘Een juridische ramp zonder weerga’, luidde het oordeel van president Jacques Chirac.

Daags na het verhoor van Burgaud kwam als klap op de vuurpijl de film l’Ivresse du pouvoir (de dronkenschap van de macht, red.) van regisseur Claude Chabrol in de bioscoop. Daarin verlustigt een vrouwelijke onderzoeksrechter (Isabelle Huppert) zich aan de macht van haar ambt. Met satanisch genoegen gooit zij een topman uit het bedrijfsleven in het gevang en snuffelt zij in zijn privé-leven. Uiteindelijk roept ze te veel weerstand op bij nog hogere machten. Ze gaat ten onder, net zoals dat Burgaud in werkelijkheid overkwam.

De Fransen zijn spijkerhard in hun oordeel over justitie. ‘De justitie in dit land is waardeloos’, zegt de 51-jarige Jamila, een Tunesisch-Franse eigenares van een winkel in trouwjurken. Nerveus staat zij in het Palais de Justice te wachten op haar 22-jarige zoon, die moet voorkomen. Hem werd op klaarlichte dag door de politie om zijn papieren gevraagd. Op zijn wedervraag waarom dat nou nodig was, want hij deed toch niets, werd hij prompt door agenten in elkaar geslagen. ‘Ze zullen zeggen dat mijn zoon met slaan is begonnen en de rechter zal hen geloven. Met zo’n affaire als Outreau is heus niets nieuws onder de zon. In het klein komt dat voortdurend voor’, meent Jamila.

Die sceptische kijk op justitie hoort Nadine Schlosser, een 38-jarige advocate in Parijs, haar cliënten regelmatig verwoorden. ‘Outreau heeft de mensen geschokt, zeker, ze beginnen er voortdurend over. Het is ook een bevestiging van hun wantrouwen jegens de rechter.’ Een recente opiniepeiling weerspiegelt die: slechts 42 procent van de Fransen gelooft in de onafhankelijkheid van de rechter, tweederde zegt bang te worden van de gedachte met justitie in aanraking te komen.

Bij al die scepsis en angst voegt zich nu alle negatieve aandacht in de media. Advocate Schlosser ziet niettemin een positieve kant: ‘Het grote publiek wist er nog niet van, maar voor mensen die dagelijks met het juridische systeem te maken hebben, is Outreau absoluut niet schokkend. Het is de logische consequentie van een systeem, waarin rechters met veel te weinig middelen hun werk moeten doen en omkomen in de dossiers.’ Ook is machtsmisbruik door onderzoeksrechters volgens haar een bekend probleem. ‘Sommigen gedragen zich als Lodewijk de Veertiende’.

In de zaak-Outreau speelde onderzoeksrechter Fabrice Burgaud die rol van Zonnekoning. Als 29-jarige beginneling was hij in zijn eentje voor het omvangrijke onderzoek verantwoordelijk. Hij raakte ervan overtuigd de Franse pendant van de Belgische affaire-Dutroux beet te hebben. Jarenlang hield hij ‘de kleine mensen’ van Outreau in voorlopige hechtenis, mede dankzij de instemming van een ervaren collega-rechter, Maurice Marlière, die als ‘rechter voor vrijheid en gevangenhouding’ over gevangenschap van burgers gaat. Op 159 verzoeken van Burgaud tot verlenging van de detentie stemde Marlière 156 keer toe. Hun foute beslissingen kwamen pas jaren later aan het licht, toen de kroongetuige tijdens de zitting bekende alles van A tot Z te hebben verzonnen.

Tijdens zijn zeven uur durende verhoor op televisie was Burgaud een schim van de oppermachtige onderzoeksrechter die hij ooit was geweest. Tegenover een dertigtal parlementariërs en miljoenen tv-kijkers zat hij er klein en bleekjes bij. Met moeite maakte hij zijn zinnen af. Maar wat hij wel zei, was dat hem niets te verwijten viel. Dat hij geen enkele procedurefout had gemaakt en dat hij dus ook geen excuses zou maken aan zijn slachtoffers, die op dat moment in de rechtszaal aanwezig waren. Voor de media en het grote publiek stond op dat moment helemaal vast wie er fout was.

‘Maar wij zijn allemaal Burgauds!’, roept de 45-jarige Caroline Vandier verontwaardigd uit. Veertien jaar lang heeft deze energieke vrouw als onderzoeksrechter regelmatig pedofiliezaken onder zich gehad. Nu volgt zij voor de rechtse rechtersvakbond Union Syndicale des Magistrats de parlementaire enquête. Dat Burgaud door de media en de politiek wordt weggezet als ‘een rigide, zelfverzekerde en onmenselijke rechter’ ergert haar mateloos. Als een van de weinige Fransen heeft zij het complete dossier gelezen. ‘Ik heb daarin geen enkele fout kunnen ontdekken. Voor onze vakbond zou het eenvoudig zijn geweest te doen alsof Burgaud een rotte appel is. Zijn hoofd zou rollen en we zouden tot de orde van de dag kunnen overgaan. Maar zo eenvoudig is het niet. Ieder van ons zou zijn beslissingen even goed genomen kunnen hebben. Er is niets uitzonderlijks aan deze zaak.’

Retorische vraag

Als grootste probleem duidt zij het gebruik van voorlopige hechtenis aan. ‘Denk dat instrument weg en niemand zou het ooit over de affaire-Outreau hebben gehad. Vier volwassenen bleken wel schuldig en ook zij hebben jarenlang in voorlopige hechtenis gezeten. Wat zou de publieke opinie ervan hebben gezegd als we die voor hun proces zouden hebben vrijgelaten?’, vraagt zij retorisch.

De politici en de media maken zich schuldig aan gemakkelijk oordelen achteraf, meent Vandier. Zij schetst nog eens de omstandigheden waaronder Burgaud werkte. De zaak-Dutroux had eerder België doen schudden, dus doken de Franse media massaal op het vermeende netwerk in Outreau. ‘De media spraken destijds schande van de mensen die nu als onschuldig te boek staan. Die veroordeelden zij even hard als Burgaud nu’.

Burgers van Outreau demonstreerden bij de rechtbank met leuzen als ‘hang de pedofielen op’. In dat klimaat paste het niet om aan de woorden van misbruikte kinderen te twijfelen – Burgaud deed dat dan ook niet. ‘In Frankrijk staat het verkrachten van een kind gelijk aan het plegen van een moord. Bovendien weet je dat het voor een kind psychologisch bijzonder zwaar wordt als je aan dit soort verklaringen gaat twijfelen.’

Wat iedereen bij zijn oordeel achteraf ook vergeet, betoogt Vandier, is dat het dossier-Outreau werd ‘vervuild’ door de bekentenis van een verdachte, Daniel Legrand. Hij zei een moord op een jong meisje te hebben gepleegd in de hoop een einde aan zijn voorlopige hechtenis te kunnen maken. Zijn verhaal bleek later in zijn geheel niet te kloppen. Ten slotte vraagt Vandier begrip voor Burgaud vanwege diens enorme werkdruk: ‘Naast dit dossier leidde hij het onderzoek in nog zo’n honderd andere zaken.’

Dat argument brengt ook Ollivier Joulin van de linkse vakbond Syndicat de la magistrature naar voren, maar de 48-jarige vice-president van de rechtbank in Bordeaux verdedigt zijn jonge collega niet zo geharnast. Hij vergelijkt hem met ‘een fietser die zijn neus op het stuur had en daardoor de weg niet meer zag’ – technisch een bekwaam jurist, maar met een zwak oog voor de maatschappelijke dimensie van zijn werk. De parlementaire enquête juicht hij toe: ‘Als het goed is, komen de politici er vanzelf achter hoe moeilijk het werk van een rechter is.’

Maar hij betwijfelt of de enquêtecommissie, die nog voor de zomervakantie met zijn eindrapport komt, de rechterlijke macht te hulp zal schieten door meer middelen ter beschikking te stellen. ‘Ik ben daar pessimistisch over. Politici haten rechters.’

Pardon? ‘Jazeker, en dat is ook wel wederzijds’, stelt hij zonder blikken of blozen.

Tot bijna veertig jaar geleden werden rechters in Frankrijk via coöptatie benoemd, vertelt Jouilin. Dat systeem werkte vriendjespolitiek in de hand en maakte dat politici niets van rechters hadden te vrezen. Met ‘de democratisering van het ambt’ in de jaren zestig, begon de rechter langzaam maar zeker een onafhankelijke tegenmacht te vormen. Dat culmineerde in de jaren negentig in onderzoeksrechters die politiek-financiële schandalen aan het licht brachten, met name over de financiering van politieke partijen. ‘Dat leidde tot veel onbegrip en irritatie bij politici. Zij vinden dat alleen de kiezer hen behoort te controleren. De rechters vinden dat zij dat ook mogen doen. Sindsdien is de kloof groot.’

‘Outreau’ biedt de politici een kans op revanche op de onderzoeksrechter. ‘In de jaren negentig trokken rechters en journalisten gezamenlijk op tegen misstanden in de politiek’, zegt Caroline Vandier. ‘Bij Outreau zie je een wisseling van coalitie; het is de politiek die revanche neemt, met steun van de media.’ Collega Ollivier Joulin ziet dat anders. Hij ziet politiek en journalistiek niet gezamenlijk optrekken, maar allebei lijden aan ‘een onvermogen tot analyse’. De media reflecteren niet op hun verhalen over het schandalige pedofilienetwerk van Outreau, ‘ook al hebben journalisten zich net zo vergist als Burgaud’; politici vergeten gemakshalve dat zij voortdurend op voorlopige hechtenis aandringen om hun kiezers een gevoel van veiligheid te geven.

Geen procedurefouten

Er is een enorme kloof in de beleving van ‘Outreau’ tussen de rechters en het grote publiek. Gelukkig is er in Frankrijk dan nog altijd de 77-jarige Robert Badinter, een alom gerespecteerd jurist, afschaffer van de doodstraf en oud-minister van Justitie voor de socialisten. Hij begrijpt de rechterlijke kreet ‘wij zijn allemaal rechter Burgaud’ wel, want inderdaad, er zijn geen procedurefouten gemaakt, zo constateerde hij in een opiniestuk in Le Monde. Hij houdt de rechters ook voor dat juist dat ontbreken van fouten het voor de gewone Fransen alleen maar erger maakt. Het vergroot ‘hun angst zelf slachtoffer te worden’ van een volgende misstand.

Ook neemt Badinter de politici van de enquêtecommissie in bescherming, na de woede van de rechterlijke macht over het harde verhoor van Burgaud. De politici proberen alleen maar lering te trekken uit een zaak, die de publieke opinie ten diepste heeft geschokt, aldus de oud-minister. Het is nu aan de rechters het vertrouwen terug te winnen. Dat betekent dat ze volledige openheid moeten betrachten: ze zullen aan het volk moeten uitleggen onder welke moeilijke omstandigheden zij werken. Alleen zo kan ‘Outreau’ een heilzaam effect hebben.

Dat rechters het zwaar hebben, lijdt voor Badinter geen twijfel. Hij hekelt de stroom gelegenheidswetgeving die politici de afgelopen jaren over de rechtspraktijk hebben uitgestort. Ook rapporteur Gil-Robles van de Raad van Europa stelt dat probleem voorop, na zijn wekenlange rondgang langs advocaten en rechters. ‘Niemand slaagt er meer in dat wetgevingsproces te volgen’, concludeert hij. Paradoxaal gevolg van al die veranderingsdrang is dat er in de praktijk niets verandert. Alom bekende problemen slepen zich voort. De wetten die de oplossingen aandragen, zetten Fransen niet om in daden met een beroep op hun tradities.

‘Hoe vaak heb ik niet gehoord: we doen het altijd al zo, stelt Gil-Robles. De misstanden op het vlak van de mensenrechten die hij heeft aangetroffen, blijven zo voortduren. Maar op een punt heeft Gil-Robles inmiddels wel genoegdoening gekregen. De minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy, heeft beloofd dat het middeleeuwse ‘depot van de buitenlanders’ in hartje Parijs nog voor de zomer dichtgaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden