Reportage Moederboeken

Drie boeken over drie gekke, maar vooral lieve moeders

Columnist Roos Schlikker, presentator Cornald Maas en schrijver Marcel Vaarmeijer schreven alle drie een boek over hun moeder. Een rondetafelgesprek.

Roos Slikker schreef onlangs ‘Moeder van glas’ onder meer over haar bipolaire moeder Beeld Malou van Breevoort

Stellen jullie je moeder eens aan elkaar voor. 

Roos Schlikker (43): ‘Mijn moeder had een bipolaire stoornis, die diagnose kwam overigens pas op latere leeftijd. Mijn ouders wilden nooit psychische hulp. Naar de psychiater gaan deden de filmsterren in Amerika. Haar hele leven heeft mijn moeder geprobeerd zo normaal mogelijk te functioneren, maar dat lukte vaak helemaal niet. Na haar 60ste is ze zo doorgedraaid dat ze in de crisisopvang belandde, waar uiteindelijk de diagnose is gesteld. Daarna heeft ze nog acht jaar geleefd. Ze is vorig jaar overleden na een val van de trap in huis. Mijn vader heeft haar gevonden in een plas bloed, en diezelfde dag is hij opgepakt door de politie op verdenking van poging tot doodslag. Terwijl mijn moeders schedel werd gelicht om de druk van haar hoofd te halen waarop ze was gevallen, bivakkeerde ik in een kamertje in het ziekenhuis met vier agenten voor mijn deur en zat mijn vader brullend in een politiecel. Aan het eind van de dag is hij vrijgelaten, er bleken allerlei fouten te zijn gemaakt. Mijn moeder heeft nog tweeëneenhalve week in coma gelegen, daarna is ze gestorven.’

Cornald Maas (56): ‘Anders dan de moeder van Roos en die van Marcel, leeft mijn moeder nog. Sterker, ze woont nu een week tegenover mij omdat ze op het huis van mijn overbuurvrouw past. Vorige week, toen bij mij de pleuris uitbrak omdat er ineens allemaal water mijn souterrain in stroomde, kwam ze van de overkant van de straat aanlopen met een bordje met een boterham met kaas. Die had ze gesmeerd omdat ze vond dat ik niet genoeg voor mezelf zorgde. ‘Je moet eten!’ Het oude moederstramien.’

Marcel Vaarmeijer (55): ‘Mijn ouders waren al oud toen ik werd geboren, mijn moeder was 45 en mijn vader 55. Mijn vader stierf toen ik bijna 3 was. Ik was niet gewenst. Ze zagen me ook niet aankomen; mijn moeder dacht dat haar zwangerschapsklachten overgangsklachten waren. Na het overlijden van mijn vader was ik mijn hele jeugd lang alleen met mijn moeder – ik ben enig kind. Ik ben opgegroeid in een donker huis waar stilte heerste. Het beetje lawaai dat er was, maakte ik zelf om maar wat aandacht te krijgen. Ik ben de eerste tien jaar van mijn leven genegeerd. Ik ben vier keer naar een kindertehuis gebracht en een keer naar een pleeggezin omdat mijn moeder het niet aankon. Ze had te veel meegemaakt. De dood van mijn vader, maar ook de oorlog. Daar is ze totaal beschadigd uit gekomen. In 1992 is ze overleden.’

Je moeder kreeg kanker. Was dat de reden dat jij in een tehuis werd geplaatst?

Marcel Vaarmeijer: ‘De eerste keer kwam het doordat ik paratyfus had.’

Cornald Maas: ‘Dat heb ik ook gehad, op mijn 4de.’

Marcel Vaarmeijer: ‘Ik was ook 4. Dan lig je zes weken alleen in een kamertje, want het is besmettelijk. Er bleef een schriel jongetje over, waarna ze zeiden: ‘Die jongen moet naar zee, aansterken.’ Dus toen ging ik naar zee, naar een kleuterhuis in Petten. De andere keren dat mijn moeder me uit huis deed, was omdat ze de verantwoordelijkheid niet aankon. En die met iemand delen kon niet, want ik stond het niet toe dat ze een nieuwe man kreeg. Van heel jongs af aan wilde ik dat niet.’

Cornald Maas: ‘Wat gebeurde er dan?’

Marcel Vaarmeijer: ‘Toen ik op mijn 6de in het kindertehuis zat, vermoedde ik dat er een andere man was. En ja hoor, toen ik weer thuis was, stond hij op de stoep. Hoe jong ik ook was, ik heb daar op hem staan schelden! Het was een overlevingsinstinct, er mocht niemand aan mijn moeder zitten, mijn moeder was voor mij. Daarna heeft mijn moeder lang nagedacht en voor mij gekozen. Dat vind ik wel heel nobel en lief. Tegelijkertijd heeft ze ook haar best gedaan mij uit huis te krijgen. Ze heeft me nota bene een keer in een kindertehuis gedaan in de stad waar we woonden. Negen maanden heb ik er gezeten. Ze kwam niet op bezoek.’

Waarom niet?

‘Weet ik niet. Misschien had ze in die tijd een relatie. Daar lijkt het erg op.’

Waren jullie daardoor altijd vrij afstandelijk? Jullie gaven elkaar eerder een hand dan een kus, toch?

‘Wij gaven elkaar een hand en drie zoenen, alsof er een tante binnenkomt. Verder ging het niet. Je hebt een documentaire met twee aapjes, waarvan de ene op een zacht ding zit en de andere op een koude, harde plek. Ik ben dat andere aapje, ik heb die fysieke koestering nooit gehad. Dus ik ben afstandelijk. Intimiteit kan ik inmiddels wel aan, ik heb een vrouw, maar dat heeft lang geduurd. En er is altijd een soort kilte in mij gebleven.’

Cornald Maas: ‘De geschiedenissen van jullie moeders zijn veel bewogener dan die van mij. Mijn moeder is meer een vrouw zoals er volgens mij heel veel zijn in Nederland, namelijk van een generatie vrouwen tussen de 70 en de 80 jaar die niet de kansen hebben gekregen die ze in een andere tijd wel zouden hebben gehad. Mijn moeder is een daadkrachtige, vrijzinnige en autonome vrouw, die lange tijd geen kans zag haar leven in avontuurlijke zin op de rails te krijgen. Dat heeft ze pas gedaan toen haar twee oudste kinderen uit huis waren. Ze scheidde van mijn vader, ging in zee met een man die ze avontuurlijker vond – met hem is ze zestien jaar getrouwd geweest tot hij overleed. En al die jaren heeft ze me daarover geschreven. Op mijn zolder stonden dozen vol brieven en kattebelletjes van haar. Vanaf het moment dat ik op mijn 17de uit huis ging, heeft ze mij in een eindeloze reeks brieven een soort verantwoording afgelegd over haar leven, me om raad gevraagd, dingen verteld die ze niet eens aan mijn vader vertelde met wie ze toen nog was. Ze stuurt me nog altijd veel mails en voor mijn gevoel zo’n twintig appjes per dag. Ze deelt veel, ook toen ze nog bij mijn vader was, vroeg ze me om raad hoe te ontsnappen uit dat leven. Nu denk ik soms: ze heeft me wel érg veel verteld.’

Wat me opviel aan jullie verhalen, is dat bij alledrie de moeder-kindrelatie omgekeerd lijkt.

Cornald Maas: ‘Dat je ook een beetje zorgt voor je moeder?’

Roos Schlikker: ‘Dat was in mijn geval zeker zo. Nadat mijn moeder was overleden, zeiden veel mensen: ‘Nu mis je een moederfiguur in je leven.’ Maar een traditionele moeder-figuur die klaarzat met kopjes thee kende ik niet. Mijn moeder kon enorm uitbundig zijn, grappig ook en non-conformistisch, wat heel leuk aan haar was, maar tegelijkertijd was ze anders dan anderen, ook in de omgang met haar kind. Ik heb veel van mijn moeder gehouden, maar zeker de laatste tien jaar leunde mijn moeder in geestelijke zin volledig op mij en mijn vader. Als ik een probleem had, vroeg ik nooit om hulp. Ik heb ergens heel jong het besluit genomen: met mij is nooit iets aan de hand.’

Je schrijft dat je vaak tegen jezelf zegt: ‘Ik lijk niet op mijn moeder. Mijn moeder die niet werkte, maar eindeloos tobde over kleine zaken. Mijn moeder die, als mijn vriendinnen kwamen eten, een prak zompige aardappelen uit de magnetron serveerde. Mijn moeder die zich opsloot in haar slaapkamer en weigerde eruit te komen.’

Roos Schlikker: ‘Ja, en die mij als kind een pak margarine gaf en zei: ga maar kleien. De ironie is, of eigenlijk het pijnlijke, dat ook mijn moeder haar hele leven tegen zichzelf heeft gezegd: ik lijk niet op mijn moeder. Want mijn oma was ook manisch-depressief. Ik ben er altijd alert op dat ik de ouder blijf in de relatie met mijn kinderen. Zeker in mijn puberteit gebruikte mijn moeder mij als praatpaal en was ik degene die haar opving, want mijn vader werkte veel. Als ik nu moeders die in een scheiding liggen, hoor zeggen: ‘Ik heb zo veel steun en troost aan mijn kinderen’, dan denk ik: nee, nee, nee niet doen! Kinderen zijn er niet om jou troosten.’

Dan denk ik aan jouw moeder, Cornald. Zij gebruikte jou veel als praatpaal.

‘En nog steeds hoor. In de periode voor de scheiding had ik daardoor soms een loyaliteitsconflict. Ik wist bijvoorbeeld eerder dan mijn vader dat mijn moeder, hoewel zij nog getrouwd waren, een nieuwe liefde had, Hans. Sterker, ze had hem al aan mijn voorgesteld. Toch heb ik het gek genoeg niet als belastend ervaren dat ze zo veel met me deelde. Dat komt misschien doordat mijn moeder en ik van kinds af aan al zo intensief met elkaar optrokken. Ik ging op zaterdagmiddagen altijd mee naar haar vriendinnen, zij bracht mij tijdens mijn studietijd elke zondagavond terug naar Leiden.’

Zij belt je vriend als jullie ruzie hebben...

‘Ja, dat doet ze goed, vind ik. Ze grijpt kordaat in, dat getuigt wel van vrijzinnigheid.’

Ook Cornald Maas schreef een monument voor zijn moeder: ‘Ach kind toch’ Beeld Malou van Breevoort

Je haren zouden er ook van overeind kunnen gaan staan.

‘O ja? Ik vind het juist heel sterk. Ze heeft ook een keer een ruzie van twee andere vrienden van mij opgelost.’

Je moeder stuurde je ook gedichten die ze zelf had gemaakt. In een P.S. onder een ervan schrijft ze: ‘Kussen kussen kussen...’

Cornald Maas: ‘‘Mijn kinderen en ik, daar komt niemand tussen.’ Ja, dat schreef ze eens. Mijn vader heeft tegen de nieuwe man van mijn moeder gezegd: ‘Ik wens je veel succes, je zult merken: de kinderen staan op de eerste plaats, niet jij.’ En dat is ook zo. Als ik destijds had gezegd: ik zie die Hans niet zitten, ik wil het niet, dan zou ze er denk ik subiet mee opgehouden zijn. Maar ik vind dat ze haar eigen keuzes moet maken.’

Herken jij de omgekeerde ouder-kindrollen, Marcel?

Marcel Vaarmeijer: ‘Absoluut, ik moest alles doen. Boodschappen, naar de apotheek. Je staat terwijl je nog heel klein bent op zaterdag in een bakkerij, waar iedereen wordt geholpen behalve jij. De eerste vijf jaar na de dood van mijn vader heeft mijn moeder mij vrijwel genegeerd. Toen ik een jaar of 10 was en we in Enschede gingen wonen, ontstond er langzaam een beetje een band. Op mijn 16de ben ik naar de marine gegaan om weg te zijn, thuis was het verstikkend. Dat was voor haar een opluchting. Als ik tijdens mijn verlof thuiskwam, hadden we het goed samen, omdat zij de verantwoordelijkheid niet meer had voor mij. Ik weet nog dat ik in uniform bij haar in het ziekenhuis langskwam nadat ze was geopereerd. Ze moest huilen, ze was zo blij dat ik niet in de goot was beland. Vanaf dat moment hebben we toch nog lang een goede relatie gehad. In die tijd dat het gestaag beter ging, kon ze ineens heel zorgzaam zijn. Als ik thuiskwam, stond ze voor het raam naar me uit te kijken. Binnen stond een kopje thee en een pennywafel en hoe laat ik ’s nachts ook thuiskwam, in de koelkast stond altijd een Johma-slaatje voor me met daarop een briefje. Dus ze heeft me ook verwend. Maar ja, door haar kanker, die ze zeventien jaar hebben behandeld, moest ik wel altijd voor haar zorgen. Daardoor mis je natuurlijk een deel van je jeugd.’

Roos Schlikker: ‘Ja, het laat wel sporen na. Als kind had ik al een sterk ontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel. En ik heb de neiging bij mensen af te tasten of de sfeer goed is. Dat deed ik bij mijn moeder in extreme mate. Het gekke is dat nu ze er niet meer is en ik die zorg niet meer heb, ik die ineens heel erg mis. Mijn moeder heeft de afgelopen jaren tijden gehad dat ze dood wilde, en dan zat ik in haar huisje en het enige wat ik dan kon, was troosten. Dus dan aaide en wiegde ik haar net als mijn kinderen. En als ik zo vier, vijf uur met haar had gezeten tot het donker was en ik eindelijk thuiskwam, zei ik tegen mijn man: ‘Dit was echt de ergste middag van mijn leven.’ Nu denk ik: ik zou er wat voor geven om haar nog een middag zo te kunnen aaien.’

Marcel Vaarmeijer: ‘Dat heb ik ook. Er valt iets vertrouwds weg wat niemand kan opvullen.’

Roos Schlikker: ‘Terwijl, als ik haar zou kunnen bellen, wat zou ik dan eigenlijk zeggen? Heb ik dan zoiets wezenlijks te vertellen? Behalve hoeveel ik van haar hou?’

Cornald Maas: ‘Het gaat juist om alle niet-wezenlijke dingen die je uitwisselt met degene die je het allerlangst kent.’

Je schrijft, Roos, dat je nu hele gesprekken in je hoofd voert met je moeder, waarin je voor het eerst van je leven ook boos op haar durft te zijn.

Roos Schlikker: ‘Ja, ik durfde dat nooit, want als ik kwaad op haar werd, belandde ik meteen in een opera in zeven bedrijven. Voor ik het wist zat ik met haar bij de crisisdienst. Dus ik heb mijn moeder erg gespaard. Maar boosheid hoort natuurlijk ook bij een moeder-kindrelatie.’

Ook jij durft niet goed boos te zijn op je moeder, Cornald.

Cornald Maas: ‘Nee, dan gaat ze huilend naar huis. Maar wat Roos en Marcel net zeiden over het missen van futiele dingen, spreekt me erg aan. Mijn moeder stuurt me elke avond appjes over programma’s die ze ziet, over of ik wel een jas aantrek als ik naar buiten ga. Dat vind ik fijn. Ik moet er niet aan denken dat ze er niet meer is. Die diepe band van ons is er van jongs af aan altijd geweest. Toen ik net als Marcel als kind in quarantaine lag, moest ik kiezen wie ik tijdens het bezoekuur achter het raampje van mijn kamer wilde zien, mijn vader of mijn moeder? Ik koos elke dag mijn moeder. Misschien komt het ook doordat ik als kind veel ziek was. Ik zat het liefst binnen, bij haar.’

Roos, speelde bij jouw moeder mee dat haar broertje, met wie ze twee handen op een buik was, is verdronken?

Roos Schlikker: ‘Ik vermoed van wel. Mijn moeder was 5 toen haar broertje Harry van 4 verdronk. Mijn moeder heeft daarna een jaar lang niet gepraat. Je kunt nooit precies zeggen waardoor zo’n ziekte als zij had wordt getriggerd, maar dat broertje is haar hele leven steeds weer doodgegaan. Toen mijn oudste zoon werd geboren, zag zij steeds Harry liggen. Steeds zag ze dat dooie, klamme kind met kroos in zijn haar liggen, toen raakte ze ook psychotisch. Ik was net de dolgelukkige moeder van een baby en mijn moeder zag de hele tijd muizen lopen die er niet waren.’

Cornald Maas: ‘Heeft ze hem dood gezien toen hij verdronken was?’

Roos Schlikker: ‘Ja. Mijn opa bracht zijn verdronken kind zelf naar binnen, dat hebben alle kinderen gezien. Mijn oma is volledig doorgedraaid en mijn moeder is in zichzelf gekeerd geraakt. Ze heeft eigenlijk maar twee mensen toegelaten in haar leven: mijn vader en mij. Als iemand aanbelde, moesten we ons achter de bank verstoppen, want er was een indringer.’

Marcel Vaarmeijer: ‘Ik lag ook geregeld met mijn moeder achter de bank. ‘Gewoon blijven liggen,’ fluisterde ze dan, ‘ze gaan vanzelf weg.’ Ik denk dat het misschien anders was afgelopen met je moeder als ze haar dode broertje niet had gezien. Ik heb mijn vader gezien. Dat is traumatisch geweest.’

Wat heb je gezien?

Marcel Vaarmeijer: ‘Mijn vader had kanker en op een gegeven moment kreeg hij uitzaaiingen in zijn hersenen. Soms stond hij middenin de nacht op het balkon te schreeuwen en te vloeken, ging overal het licht aan en kwam de politie. Ik heb dat allemaal gezien. Op een gegeven moment hebben ze besloten mij uit de buurt van mijn vader te houden omdat hij agressief werd. Maar zijn laatste wens was: nog één keer zijn jongen zien. Dus toen werd ik gehaald. Ik kan me er niks meer van herinneren, maar later is mij verteld dat dat heel pijnlijk voor me is geweest. Mijn vader herkende mij niet, gooide mij van zich af. Ik ben weggehouden van de begrafenis, want ik was volledig dichtgeklapt. Ik zat op slot, zoals jouw moeder op slot raakte na de dood van haar broertje. Ik kon niet meer naar de wc, ik praatte niet meer, ik zat alleen stil voor me uit te kijken. Uiteindelijk ben ik zes weken opgenomen geweest omdat ik een verwaarloosde verstopping had. Ik had zes weken niet gedrukt.’

Lijk je op je moeder?

Marcel Vaarmeijer: ‘Ja, heel erg. Dat is ook logisch, want er ontstaat een soort symbiose als je permanent alleen maar met z’n tweeën bent. Net als zij heb ik een ontzettende hekel aan visite. Soms doe ik open, maar ik wil ze niet binnen hebben. Ik weet niet hoe dat moet, mensen binnenhalen en het gezellig maken.’

Roos Schlikker: ‘Ik kende dat ook niet, maar ik ben het juist gaan compenseren. Het eerste wat ik aanschafte toen we ons huis kochten, was een grote tafel zodat iedereen altijd langs kon komen. Al moet ik eerlijk zeggen dat ik daar tegenwoordig niet altijd meer behoefte aan heb.’

Cornald Maas: ‘Mijn moeder riep juist altijd dat ik vooral vriendjes mee naar huis moest nemen. Al mijn vrienden kennen haar ook. Mijn moeder is graag in Amsterdam. ‘Cornald, je weet niet hoe stil het hier is’, zegt ze vaak als ze weer terug is in haar huis in Bergen op Zoom.’

Hebben jullie een hevige puberteit gehad waarin je je afzette tegen je moeder?

Cornald Maas: ‘Nul.’

Roos Schlikker: ‘Nul.’

Cornald Maas: ‘Niets.’

Roos Schlikker: ‘Goede vraag, haha.’

Hebben jullie er wel eens over nagedacht waarom niet?

Cornald Maas: ‘Nee. Kennelijk had ik die behoefte niet.’

De amateurpsycholoog in mij zegt dat je je alleen tegen je moeder durft af te zetten als je denkt dat ze het aankan.

Roos Schlikker: ‘Ja, dat heb ik nooit durven doen. Ik heb altijd meebewogen.’

Cornald Maas: ‘Ik ook. Van harte meebewogen, zelfs. Ik voel werkelijk geen enkele behoefte om tegen mijn moeder in opstand te komen. Ik ben haar juist dankbaar voor alle paden die ze geplaveid heeft, bijvoorbeeld als het gaat over mijn homoseksualiteit.’

Als mijn dochter van 9 ruzie heeft met een vriendinnetje probeer ik me daar niet mee te bemoeien. Dat lees je in opvoedboeken: ze moeten het zelf oplossen. Jouw moeder heeft dat opvoedboek duidelijk niet gelezen.

Cornald Maas: ‘Godzijdank, heerlijk dat ze dat niet heeft gedaan.’

Terwijl je ook kan denken: laat hem los, het is een volwassen man.

 Cornald Maas: ‘Ik wíl helemaal niet losgelaten worden door mijn moeder! Ik vind het fantastisch dat ze op haar 79ste met een boterham met kaas aan komt zeilen naar haar 56-jarige zoon. Ik raak er niet door gehavend, niet eens door geïrriteerd.’

Marcel Vaarmeijer: ‘Ik heb wel een puberteit gehad, ik ben op zeker moment in opstand gekomen toen mijn moeder weer eens dreigde met haar dood. Al sinds ik jong was, zei ze dat als ik niet deed wat zij wilde, ze dood zou gaan. Op een gegeven moment zei ik: nou, ga maar dood, ik wacht wel. ‘Nu doe je raar,’ zei mijn moeder dan. Maar de manipulatie nam wel af toen ze zag dat haar truc niet meer werkte.’

De moeder van Marcel Veltmeijer staat centraal in het boek ‘Wolkenjager’ Beeld Malou van Breevoort

Heeft je verleden ermee te maken dat je zelf geen kinderen hebt?

Marcel Vaarmeijer: ‘Ik denk dat het met die kindertehuizen te maken heeft. Kinderen waren altijd eng. Boosaardig.’

Hoe was het om over je moeder te schrijven?

Marcel Vaarmeijer: ‘Ik moest echt wachten tot ze dood was.’

Roos Schlikker: ‘Tijdens het schrijven zeiden veel mensen: ‘Dat zal wel zwaar zijn,’ maar het klinkt misschien banaal: op een gegeven moment wordt het ook gewoon materiaal.’

Cornald Maas: ‘Misschien kun je zo’n boek beter schrijven als je ouders er niet meer zijn, maar ik kon het niet meer tegenhouden. Het boek is bedoeld als eerbetoon aan haar.’

Roos Schlikker: ‘Mijn moeder heeft mij altijd carte blanche gegeven om over haar te schrijven. Ik vond het wel spannend om het te laten lezen aan mijn vader. Hij heeft het ’s nachts in een ruk uitgelezen en mailde daarna: ‘Schat, je moet er niets aan veranderen. Het is zo eerlijk en echt dat ik haar door jouw omschrijving nog veel meer mis.’ Dat deed me veel.’

Waarom moest jouw boek over je moeder er komen?

Roos Schlikker: ‘Ik wil laten zien dat gekte dichterbij is dan je denkt en hoe hard werken het voor sommige mensen is om, zoals mijn moeder zei, gewoon te leven. En ik wil ergens ook een monumentje voor haar oprichten. Ik heb het afgelopen jaar die gekte en kwetsbaarheid zelf ook ervaren. Het alsmaar proberen te doen of je je normaal voelt, terwijl je in wezen diep gewond bent. Ik merkte dat ik me in het jaar van rouw eigenlijk voor het eerst van mijn leven heel dicht bij mijn moeder voelde staan. Ik heb haar nog nooit zo goed begrepen als nu. En nu is ze dood.’

Marcel Vaarmeijer: ‘Ik mis het nog steeds dat ik mijn moeder niet kan bellen om te vertellen dat mijn boek uit is. Ze was zo trots geweest. Zelfs in de laatste momenten van haar leven liet ze in het ziekenhuis een artikel over mij aan de vrouw naast haar op het zaaltje zien: ‘Kijk, mijn zoon.’

Jouw moeder kent die trots ook, Cornald. Na de avond dat je het Televizierringgala presenteerde, schreef ze: ‘Voor mij was het een avond om nooit te vergeten. Zo maak jij mijn leven bijzonder en voel ik me gelukkig.’

Cornald Maas: ‘Ja. Dat begrijp ik wel als je in Brabant bent opgegroeid met een zwart-wittelevisie en je zit ineens in een zaal met Linda en John de Mol, André van Duin en al die andere types van de televisie, en jouw zoon is diegene die dat presenteert.’

Roos Schlikker: ‘Ja. Niemand is zo trots op je als je moeder.’

Marcel Vaarmeijer: ‘Het voelde alsof een slagader werd doorgesneden toen mijn moeder doodging. Ik viel in een diep gat. Ik wilde ook álles van haar meenemen. Haar hele inboedel heb ik meegenomen.’

Roos Schlikker: ‘Je moeder hoort gewoon te blijven.’

Cornald zit steeds meer op hete kolen. Hij heeft afgesproken met zijn moeder en is te laat. Zijn moeder heeft hem al drie keer geappt.

‘Zeg Cornald’, vraagt Marcel, ‘is er ruimte voor adoptie, trouwens? Ik wil jouw moeder ook.’

Roos Schlikker: ‘Ik ook!’

Cornald belooft het te vragen. Later appt hij: ‘Laat maar komen’, zegt mijn moeder.’

Moeder van glas, Roos Schlikker, uitgeverij Pluim, € 19
Ach kind toch, Cornald Maas, uitgeverij Prometheus, € 18,99
Wolkenjager, Marcel Vaarmeijer, uitgevrij Luitingh-Sijthoff, € 19

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden