Donald Keus gaat in ontwikkelingshulp

Wat doet een gepensioneerde marinier – vanaf zijn 16de in het leger – in de softe wereld van de ontwikkelingssamenwerking?...

Achter de douane op het sjofele vliegveld van Lungi wacht Donald Keus (59) zijn gasten op. Oranje polo, spijkerbroek, wandelschoenen, scherpe blauwe ogen. Hij zegt: ‘Welkom in Sierra Leone.’ Geroutineerd loodst hij ons langs een ambtenaar die de paspoorten wil zien en langs een andere die in de koffers wil kijken. Hij regelt een kruier en zegt: ‘Even niet praten. Ik moet mijn kop erbij houden, zodat er niet een vent met de bagage vandoor gaat.’

Tien minuten later zitten we in de auto. Keus kijkt op zijn horloge. ‘We rijden nu naar het hotel. Daar kunnen jullie je opfrissen. Om zeven uur verwacht ik jullie in de lobby voor een drankje. Tijdens het eten worden jullie gebrieft over het programma van de komende dagen.’

We eten in het restaurant van het naar schimmel ruikende Airport Hotel. De generator ronkt. Keus bestelt eten – soep, rijst en groente – ruikt aan de halfvolle fles wijn die op tafel wordt gezet en stuurt hem terug. ‘Die staat al minstens een maand open.’ Wanneer de garnalensoep is geserveerd, steekt hij van wal. Hij praat twee uur onafgebroken, in korte, afgemeten zinnen, alsof hij zijn manschappen toespreekt. Hij vertelt over wie hij is, wat hij in zijn vorige leven was (marinier), hoe hij in Sierra Leone verzeild is geraakt en wat hij hier doet voor de hulporganisatie Lion Heart Foundation. Hij stelt geen vragen aan zijn gasten. Wij zijn hier niet voor de gezelligheid, we zijn hier op missie. En die missie luidt: het werk bekijken dat de Lion Heart Foundation in Sierra Leone doet, onder zijn leiding.

Donald Keus was 15 jaar en 11 maanden toen hij zich aanmeldde bij het leger. Een Haagse jongen met lange haren, zoals bijna alle jongens in de jaren zestig, die in de bontjas van zijn moeder ’s nachts het huis uitsloop om in Amsterdam uit te gaan. De mavo maakte hij niet af. Niks voor hem, een vast rooster en elk uur de schoolbel. Ook in het administratief onderwijs ging het mis. De hotelvakschool ging beter, hij werkte bij de hofleverancier op het Noordeinde, als hulpje van de banketbakker. ‘Maar op een gegeven moment brak die vastigheid, die herhaling, me weer op.’ En toen zag hij dus die wervingsadvertentie van het leger.

De keuring in Hilversum betekende een week lang lichamelijke testen, gesprekken met dokters, psychiaters, de hele rataplan. Elke dag vielen er jongens af. Van de 250 werden er 3 geschikt bevonden voor het Korps Mariniers. Keus was er een van. ‘Ik bleek over bijzondere kwaliteiten te beschikken. Ik heb meteen getekend. Tot verdriet van mijn ma, die vond het jammer dat ik weer iets niet afmaakte. Mijn pa vond het minder erg, die had zelf bij de marine gezeten. Dat was ook een stoere vent. Dat wil zeggen: tot ik een jaar of 8, 9 was. Toen viel hij opeens om. En nog een keer, en nog eens. Niemand wist waarom hij omviel. Het bleek MS te zijn, maar dat ontdekten ze pas later.’

Zijn lange haren gingen eraf, Keus ging het leger in. Voor de uitdaging, zegt hij. ‘Voor de sport, het fysieke, het avontuur.’ Hij begon in de laagste rang bij het korps, als marinier 3e klas. Veertig jaar later zou hij afzwaaien als luitenant-kolonel.

Keus zit in de auto en wacht op de boot die hem naar Freetown, aan de andere kant van de baai, zal brengen. Op het dak van de Land Rover roffelt een tropische regenbui. Hij belt zijn assistent Edward, die hem zal opwachten: of hij voor paraplu’s kan zorgen.

De boot: dat is een aftandse, afgedankte Griekse ferry. De wagens die de pont op rijden: dat zijn gammele vrachtwagens en een oude gele streekbus uit Nederland. Daartussendoor de witte busjes en de terreinwagens van hulporganisaties Unicef, Warchild en Cordaid. De passagiers: vrouwen in smetteloze kleurige Afrikaanse jurken en mannen in vuile T-shirts en op slippers. Wie een paar leones extra betaalt, mag de vip-room in. Daar dansen op reggaemuziek twee jongens met polio, hun benen bungelen slap tussen hun stokken. Na afloop gaan ze met de pet rond. Keus koopt van een jongetje de dvd Graceland van Paul Simon.

In Freetown staat Edward klaar met vier paraplu’s, nog in het cellofaan. Hij draagt een gestreken overhemd en een Lee-spijkerbroek. Om zijn smalle schouders hangt een laptoptas. Edward is een van de uitverkorenen van Keus. Hij viel hem op door zijn ernstige gezicht en zijn schrandere ogen. Edward maakt zich klein en kruipt achter in de auto, tussen de bagage. Hij wijst: daar is de overdekte markt, dat zijn de regeringsgebouwen. Terwijl we in de file staan, maakt hij aantekeningen op zijn grote blocnote als Keus hem orders geeft. Er moet een receptie worden georganiseerd voor de ministers en andere hoge ambtenaren en Edward moet een gastenlijst opstellen, adressen verzamelen, uitnodigingen maken en die hoogst persoonlijk bezorgen.

Netwerken is belangrijk in een land als Sierra Leone.

Vier jaar geleden zou Keus, toen 55, met pensioen gaan. Twee weken voor hij zou afzwaaien vroegen zijn bazen of hij nog een half jaar op missie wilde naar Afghanistan. Hij belde zijn echtgenote – Donald Keus heeft het nooit over zijn vrouw maar over zijn echtgenote, zoals hij het niet over vrouwen heeft, maar over dames – en zei: ‘Ga even zitten.’

Keus: ‘Mijn echtgenote had het wel verwacht. Ze dacht al dat ik niet thuis op de bank zou gaan zitten. En veel mensen vertrokken toen naar Afghanistan.’ Dus hij ging, naar Kaboel. Daar monitorde hij als chef-staf alle bewegingen van de Nederlandse troepen: helikopters, F-16’s, grondtroepen, geheime operaties. Daarna mocht hij echt met pensioen. De mannen en vrouwen van zijn missie keerden terug naar de kazerne, hij ging naar huis.

Daar kon hij zijn draai niet vinden. Uit verveling sloeg hij aan het verven en behangen; de hele bovenverdieping kreeg een beurt. En toen kwam Keus Fred Nederlof tegen, bij een concert van de Marinierskapel. Nederlof was een kennis van vroeger, uit de tijd dat hij nog legerarts was. Dat was hij allang niet meer. Hij was nu ondernemer en de grondlegger van de Lion Heart Foundation, een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie in Sierra Leone, een van de armste landen ter wereld. Een land dat jarenlang geteisterd werd door rebellen die zich plunderend en verkrachtend een weg door het land baanden. In 2002 maakten de VN, samen met de Britten, de voormalige kolonisten, een einde aan de burgeroorlog. Van het land was niks meer over. Geen elektriciteit, wegen en gebouwen verwoest, geen werk voor de 6 miljoen inwoners die ternauwernood konden leven van wat ze op hun akkertjes verbouwden.

Nederlof was min of meer per ongeluk in Sierra Leone terechtgekomen en had plannen om een noodlijdend ziekenhuisje te steunen in het dorp Magbenteh, in het hart van het land. Dat wilde hij uitbreiden met een consultatiebureau en een kliniek voor ondervoede kinderen.

De ondernemer Nederlof is geen gewone ontwikkelingswerker. Hij vindt dat een land op eigen benen moet kunnen staan. Daarom wilde hij niet alleen ziekenhuizen ondersteunen, maar ook boeren helpen met microkredieten. En hij wilde een palmoliepersfabriekje bouwen. Met de winst daarvan zouden zorg en onderwijs betaald kunnen worden.

Keus: ‘Fred is een man van grote idealen en plannen. Een visionair, die vergezichten schildert. Hij is charmant, hij krijgt organisaties en rijke particulieren zover dat ze geld doneren. Ik ben een doener.’ Dus toen Nederlof vroeg of Keus zijn projectleider in Sierra Leone wilde worden, gingen diens handen jeuken. Keus kende Afrika, hij heeft als marinier in Angola gezeten. Daar was hij verliefd geworden op het continent. Thuis overlegde hij opnieuw met zijn echtgenote. Ze zei: ‘Ik had niet verwacht dat je thuis zou gaan zitten.’

Zo kwam het dat Donald Keus in ontwikkelingshulp ging.

Keus wandelt door Magbenteh, het dorpje waar het ziekenhuis zich bevindt. Mannen, vrouwen en kinderen hangen voor de hutten of lopen langs de modderige weg. Iedereen lijkt hem te kennen: ‘Mister Don, mister Don!’, roepen de kinderen en ze hollen een eindje mee. Keus zwaait als een koning: ‘Body fine?’, vraagt hij de mannen die hem een hand komen geven. ‘Body fine’, lachen ze. Alles goed.

Bij de paramount chief, de gouverneur van de regio, gaat hij op audiëntie, gewapend met een fles drank.

In het kamertje staat een indrukwekkend bankstel. Mannen verdringen zich tussen de tafels en de stoelen. Op de salontafel staat een spaarvarken, aan de muur hangen schilderijtjes van honden en paarden. Een klok slaat elk kwartier.

De gouverneur, een oudere man in een spierwitte nylon pyjama en met mollige handen, praat lang. De regio heeft meer geld nodig, zegt hij, voor een waterkrachtproject, zodat er eindelijk elektriciteit kan komen.

‘Your company brings hope’, zegt hij tegen Keus. Die kijkt zuinig; eerst kijken of de microkredieten die al zijn gegeven, goed werken, zegt hij. De chief houdt aan. Keus blijft beleefd maar belooft niks. Met veel plichtplegingen nemen ze afscheid.

Op de terugweg wijst hij naar een verlaten speeltuintje met een verroeste wip en een kapotte schommel. ‘Neergezet door Warchild’, zegt hij hoofdschuddend. ‘Maar vervolgens wordt er geen onderhoudsplan opgesteld.’

In de jaren zeventig werd Keus geselecteerd voor de eerste Nederlandse antiterreureenheid. Hij was erbij toen bij Wijster en De Punt treinen waren gekaapt, en in de Franse ambassade en de school in Bovensmilde gijzelingen begonnen. Die antiterreureenheid deed hij naast zijn gewone werk. ‘Het toetje’ werd dat genoemd in defensiekringen.

‘Ik was een snotjongen’, zegt Keus. ‘Hooguit 25 jaar. Ik werd gevraagd omdat ik een goeie schutter was, het was een hele eer. Het was een hartstikke spannende tijd. Nooit mocht je verslappen. Dan kon je meteen naar huis. Het gaf een enorme druk.’ Spijt heeft hij nooit gehad. ‘Begrijp me goed: ik ben tegen geweld, ik ben niet wapengeil. Maar als gijzelaars mensen afschieten die uit ramen springen, dan heb ik geen enkele moeite om zo’n vent af te schieten.’

Hij is ambitieus, zegt Keus. ‘Ik wil altijd honderd procent scoren. Of ik nu als marinier in de bush van Angola zit, een sportgala in Ahoy organiseer, een ziekenhuis opknap of een fabriek uit de grond stamp.’

Samson, de bedrijfsleider van de palmoliepersfabriek in Yele, twee uur rijden van Magbenteh, is nerveus. Op zijn slangenleren schoenen loopt hij onrustig heen en weer. Als mister Don op bezoek komt, moet de boel aan kant zijn. En al lijkt alles nog zo onder controle, mister Don ziet altijd wel íéts dat hem niet bevalt. Een generator die stuk is. Een lekkage. Vuile machines. Een accu die niet op zijn plaats ligt. Een werknemer die niet op rubberlaarzen loopt, of die de overall niet draagt die Keus bij de KLM heeft geritseld.

Yele is het troetelkind van Keus. Het opknappen en uitbreiden van het ziekenhuisje was een mooi project. Maar in Yele heeft hij álles van de grond af opgebouwd. Keus: ‘Ik zie me nog komen aanrijden in Yele. Er was helemaal niks, alleen een verwaarloosde plantage.’

En moet je nu zien, twee jaar later. Nu hebben 1.500 boeren een microkrediet in de vorm van palmbomen en mest, nu is er een fabriek waar 100 ton palmfruit per maand tot olie wordt geperst en waar zestig mensen werken. Er is internet, een compound voor de staf en het personeel, een school, het Donald House voor gasten, een klein internaat voor kinderen die te ver van school wonen, en een kliniek in aanbouw.

Keus heeft het allemaal opgebouwd met de mensen die hij om zich heen heeft verzameld. ‘Ik ben altijd aan het observeren’, zegt hij. ‘Waar ik ook ben: op een boot, in een hotel, in een werkplaats van een timmerman. Als iemand me opvalt, maak ik een praatje. De volgende keer weer. Op een dag heb ik hem misschien nodig. Zo heb ik Edward eruit gepikt, en Samson. Bobby, de tweede man in Yele, een geweldige technicus, zag ik een generator repareren in het Airport Hotel. Ik leid ze op, ik daag ze uit, ik beloon ze als ze dat verdienen. Maar ik word ook boos als ze hun werk niet doen, of als me belazeren. Ik aai ze en ik sla ze. Er is geen tussenweg bij mij.’

Over Samson is hij nog niet helemaal tevreden. ‘Samson denkt: je bent een manager als je achter een laptop zit, als je een telefoon hebt, liefst twee. Het liefst had hij een auto en liep hij de hele dag op zijn slangenleren schoentjes rond. Dat geeft status.’

Maar Keus heeft ook vertrouwen in Samson. Hij is slim, hij heeft analytisch vermogen, hij heeft charisma. ‘Ik ben voor 80 procent tevreden over hem. Wat hij nog moet leren is discipline. En hij moet nog meer in de praktijk afdalen, zoals ik soms met mijn poten in de olie sta in mijn ouwe short en met vlekken op mijn polo. Hij moet leren dat je desondanks aanzien kunt hebben. Of juist daardoor.’

Naast goede mensen verzamelen, is tijd een factor, weet Keus. Je moet de tijd nemen om op een boomstronk te zitten en te praten met een buurman, een landeigenaar. Je gaat naar de gouverneur om hem uit te horen. Je verzamelt informatie. En je denkt na. Wat gaat het kosten, hoeveel mensen, welke spullen, hoeveel tijd heb je nodig?

En als Fred belt en vraagt of hij al weet hoe hij de tachtigduizend palmboomstekken die hij in Ghana heeft besteld, in Yele krijgt, zeg Keus rustig: ‘Ik ben er nog niet uit.’

‘Uiteindelijk krijg ik het allemaal georganiseerd. Maar ik doe het op míjn manier, in míjn tempo.’

De volgende stap: dat alles blijft draaien, ook als Keus er niet is. Op een dag moet je jezelf misbaar maken, zegt hij. Dat kost tijd, daarover maakt hij zich geen illusies, maar je moet het vertrouwen hebben dat de mensen het op een dag ook zonder jou kunnen.

Hotsend over de onverharde weg vol gaten en plassen rijdt de jeep naar het vliegveld. Keus leest zijn aantekeningen door, krabbelt er cijfers bij. Hij wijst rechts van de weg: daar ligt Lokomosama, het volgende project van zijn baas Nederlof. Dat moet een plantage worden, zo groot als de stad Rotterdam. Hij somt op wat er allemaal nog moet gebeuren voor het zover is. Binnenkort komt hij terug, om het haalbaarheidsonderzoek te begeleiden.

Pas in het vliegtuig ontspant Keus. Deze missie zit erop. Hij strekt zijn benen en maakt grapjes: wil je dat er niemand naast je komt zitten dan moet je je schoenen uittrekken.

Hij voegt de daad bij het woord en bestelt voldaan een borrel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden