Interview Jos Hartman

‘Dit is geen heldenverhaal. Dit is het verhaal van een nederlaag’

Jos Hartman zat als 17-jarige acht weken gevangen in het Oranjehotel in Scheveningen. Bijna zijn hele leven zweeg hij over deze traumatische ervaring. ‘Ik heb daar als een hond gevegeteerd. Daar praat je niet over.’

Jos Hartman: ‘We wonen in een onberekenbare ­wereld, we weten niet waar het naartoe gaat.’ Beeld Jiri Büller

‘U moet niet denken dat ik dit gesprek leuk vind. Dit is geen heldenverhaal. Aan mijn vrouw en dochters heb ik nooit iets verteld over mijn tijd in het Oranje­hotel. Na de oorlog vroeg ik een collega die in Dachau had gezeten of hij nog weleens contact had met lotgenoten. Hij zei: waarom zou ik in godsnaam? Om te praten over de good old days? Zoiets laat je achter je.

Wilt u dit verhaal liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie:

‘Maar ik ben nu 94 jaar, het eind van de rit is zo stilletjes aan in zicht. Het is een raar verhaal waarom ik met mijn ouders in het Oranjehotel belandde, zoals de gevangenis van Scheveningen toen al in de volksmond heette. Het was op 9 februari 1943. De Nederlandse SS’er Ter Haar kwam ­eigenlijk voor mijn vier jaar oudere broer, die in Rotterdam studeerde. Op die dag zijn veel meer studenten opgepakt, waarschijnlijk om ze onder druk te zetten een loyaliteisverklaring te tekenen.

‘Mijn broer was niet thuis, ik wel. Daarop besloot Ter Haar mij te arresteren. Het ongelukkige was dat ik een griepje had en nog op bed lag. We ­waren nog niet zolang daarvoor ­geëvacueerd uit de omgeving van Scheveningen naar de Schenkkade in Den Haag. Aan de kust moesten duizenden mensen vertrekken voor de aanleg van de Atlantikwall, waarmee de Duitsers een geallieerde invasie wilden tegenhouden. Ons huis was nog een rommeltje door de verhuizing. Terwijl ik me aankleedde, begon Ter Haar allerlei lades open te trekken en dozen te inspecteren. Hij vond op mijn kamer munitie voor een geweer en een revolver. Stom natuurlijk dat ik die spullen niet beter had verstopt, maar goed.

‘Het maakte mijn ouders ineens ook verdacht. Ook al omdat mijn ­vader een grote hoeveelheid contanten in huis had. Hij was voor de oorlog de accountant van de Nederlandse Christen-Vrouwenbond. Freule Wttewaall van Stoetwegen had hem het kasgeld toevertrouwd, maar die SS’er dacht waarschijnlijk dat hij een zwarthandelaar was. Wij werden weggevoerd, een vriend van mijn ­vader zag het gebeuren en heeft later die dag mijn broer gewaarschuwd en in huis genomen. Eerst werden we naar het kantoor van de Sicherheitsdienst op het Binnenhof gebracht, vervolgens naar het Oranjehotel.

‘Neus tegen de muur’

‘Ik was natuurlijk in shock, gedepersonaliseerd: het ene moment zit je rustig thuis, even later zit je in de gevangenis. Je maakt het maar half mee, alsof je er niet bij bent. Ik moest mijn horloge afgeven, maar ook mijn bretels, broekriem en veters, zodat je jezelf niet kon verhangen. Ik heb na dat moment mijn ouders een hele tijd niet meer gezien.

‘Ik moest lang wachten. ‘Nase an die Wand!’, riepen ze. Dan moest je eindeloos met je neus en schoenpunten tegen de muur gaan staan. Daarna ben ik meegenomen over een lange gang. Ik probeerde netjes midden over een loper van kokosmatten te lopen, maar werd afgesnauwd: die was alleen voor de bewakers. In mijn cel, cel 487, zat al een doodsbange jongen, Teunis Vink uit Middelie, Noord-Holland. Die had illegaal een varken geslacht. Ze scholden hem uit, maar hij verstond geen woord Duits. Toen voelde ik wel dat ik er met die revolver op mijn kamer slecht voor stond. Op wapenbezit stond de doodstraf.

‘In een hoek stond een Kübel, zo’n emmertje om onze behoefte in te doen. Eén keer per dag kwam ik een paar minuten buiten om die ton te ­legen. Er was een kruikje met water om te drinken en te wassen, een houten vorkje, mesje en lepeltje. Overdag was het streng verboden om te gaan liggen. We mochten alleen zitten, staan en ijsberen. En dat in een cel van amper twee bij drie meter. Dat beperkt je blikveld tot diezelfde afmetingen.

’s Morgens kregen we alleen een kop cichorei, om 12 uur een potje warm eten, gegeven door het luikje in de deur. ’s Avonds vier sneetjes brood, waarvan ik er een bewaarde voor de volgende ochtend. Je had de hele dag honger. De ergste straf was Kalte Kost, dan kreeg je geen warm eten.

‘Na een aantal dagen werd ik weer naar het Binnenhof gebracht. Talloze keren ben ik daar verhoord door SS-Hauptscharführer Schmidt, een hoge Duitse onderofficier. Hij was altijd in burger. Hij vroeg veel, noteerde alles, maar gedroeg zich niet onbeleefd. Ik vertelde hem dat ik de revolver in de duinen gevonden had, dat ik het interessant vond. Dat verhaal had kunnen kloppen, want tijdens de capitulatie hadden veel Nederlandse militairen hun wapens daar weggegooid. Schmidt verweet me dat ik mijn ­fatsoenlijke ouders in gevaar had gebracht.

Doodencel 601 in oorlogsmonument Oranjehotel, de cellenbarakken in de Scheveningse gevangenis tijdens de Tweede Wereldoorlog. Beeld Foto ANP

Oranjehotel 1940-1945

Tussen 1940 en 1945 hielden de Duitsers in het Oranjehotel in Scheveningen ruim 25 duizend mensen gevangen voor verhoor en berechting. Veelal verzetsstrijders, maar ook Joden en Jehova’s Getuigen, en zwarthandelaren. Onder de gevangenen in het Oranjehotel zaten bekende personen, zoals de ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema en George Maduro. Op 7 september gaat het Nationaal Monument Oranjehotel open als herinneringscentrum.

‘Hij ondervroeg ook mijn ouders. Zij hebben die man helemaal ingepalmd, begreep ik later van ze. Mijn vader vroeg bijvoorbeeld zeer belangstellend hoe bepaalde dingen in Duitsland waren geregeld. Mijn moeder kreeg de vraag of we naar de Engelse radio luisterden. Nee, zei ze, ik lees toch twee kranten. Daar staat alles in. De kunst was om zo veel mogelijk te praten en zo weinig mogelijk te zeggen. Schmidt maakte via ons drieën kennis met een wereld die ­totaal nieuw voor hem was. Das Leben der Anderen.

Een SS’er in de cel

‘Het Oranjehotel was een huis van bewaring, je zat er in voorarrest. Mijn celgenoot Teunis Vink was na een aantal dagen weg. Toen kwam Wiebe Wiersma, die had zich niet aangemeld voor de Arbeitseinsatz . Daarna Toon van Hamme uit het Brabantse dorp Lepelstraat – een smokkelaar. Hij had de mooiste verhalen. En dan was er Karel Milten, een man uit San Domingo. In Amsterdam, waar hij woonde, was hij een soort van beroemdheid, maar voor de bezetter was hij een onderdaan van een vijandig land. Om je het niveau van de bewakers voor te stellen: die kwamen in de cel naar ‘de neger’ kijken. Met een nat vingertje voelden ze of hij afgaf. Wat een bizarre, absurde situatie. Maar het merkwaardigste voorval uit mijn hele leven, is wel dat op een dag Ter Haar in mijn cel werd geplaatst. De SS’er die ons had gearresteerd! Wat hij had misdaan, heb ik niet kunnen achterhalen.

‘Het was een nare, bedreigende tijd. Als je iets fout deed, werd er naar je geschreeuwd en kreeg je straf. We moesten allemaal onze strozak inleveren vanwege een futiliteit. Ik heb weleens een klap gehad, maar ben niet gemarteld. De Joodse gevangenen werden altijd heel slecht behandeld. Ze werden altijd toegeschreeuwd met ‘Jude, Jude!’ en ze kregen alle rotkarweitjes. Heel sinister.

‘Op een zondag zat ik alleen in mijn cel en zong ik een liedje. Mijn vader hoorde mijn stem, en toen hebben we even contact gehad. Ondertussen moest Schmidt een rechtszaak ­tegen mij voorbereiden. Uiteindelijk zijn mijn ouders en ik nooit aangeklaagd. Mijn ouders kwamen na twee weken vrij, ik na twee maanden, op vrijdag 5 april 1943. Schmidt vroeg ons telefoonnummer en belde mijn ouders op om te zeggen dat ik eraan kwam.’

Na de oorlog: Nooit verteld aan vrouw of dochters

‘Na de oorlog heb ik het nooit meer over het Oranjehotel gehad.’ In zijn woonkamer in Wassenaar laat Jos Hartman, gepensioneerd zenuwarts en – als medicus – voormalig generaal-majoor bij de landmacht, een lange stilte vallen.

‘Ik zwijg een beetje… laat ik het zo zeggen: als je op de lagere school elke dag door de sterkste jongen op de grond wordt gelegd, dan heb je geen plezierige tijd. Daar praat je niet meer over. Ik heb daar als een hond gevegeteerd. Er was niks over van mijn zelfbewustzijn. Ik stond stram in de houding, moest mijn mond houden. Je werd aan één stuk door vernederd. Niet iets om trots op te zijn. Het enige wat ik er mijn hele leven aan heb overgehouden, is dat ik nooit eten weggooi.

Jos Hartman. Beeld Jiri Büller

‘Ik zei het al: dit is geen heldenverhaal. Dit is het verhaal van een nederlaag. Daarom heb ik het mijn vrouw en dochters nooit verteld. Ik vond het niet nodig. Maar mijn oudste dochter zei: je moet er misschien toch iets over vertellen. Wat de boodschap van mijn verhaal moet zijn? Eigenlijk niks. Ik ben misschien een oude zeur geworden. Dit najaar wordt het Oranjehotel een herinneringscentrum. Voor mij hoeft het niet zo nodig. Het wordt een uitje: laten we eerst naar Madurodam gaan en dan naar het Oranjehotel, hebben we dat ook eens gezien.

‘Laten we blij zijn dat die oorlog voorbij is en dat we hier in Europa geen oorlog meer hebben gehad. Maar dan denk ik aan die arme mensen in Syrië. Aan die verdwaasde types van IS – zo verblind door hun eigen gelijk dat ze zichzelf en anderen opblazen. Maar ik schrik ook van het gemak waarmee de Europese samenwerking wordt weggewuifd. En ik schrik van de regeringen in Hongarije en Polen. We wonen in een onberekenbare ­wereld, we weten niet waar het naartoe gaat. We willen allemaal een gelukkiger en veiliger wereld, maar zijn ook egocentrisch.

‘En het verzet in de oorlog… dat wordt in boeken en films altijd zo geromantiseerd. Maar de mensen in het verzet waren echt niet de godganse dag in kelders overvallen aan het beramen. Ze deden gewoon hun werk, en deden soms voor Duitsers onwelgevallige daden.

‘Toen de Duitsers in Nederland kwamen, woonden we aan de rand van Den Haag. Ik kende de weg in de duinen. Meteen in 1940 ben ik met mijn jeugdvriend Wim Van Riet Paap kaartjes gaan maken van locaties waar ze bunkers bouwden en waar ze voorraden met munitie aanlegden. We hoopten dat we later de bevrijders zouden kunnen helpen als er een invasie kwam. Die revolver waar Schmidt me zo eindeloos over heeft ondervraagd, had ik niet toevallig gevonden, die had ik om schietoefeningen te doen.

Gekrast in de muur van Doodencel 601. Beeld Foto Hollandse Hoogte / Rob Huibers

‘Terwijl we vastzaten, wisten mijn ouders niets van mijn activiteiten in het verzet. In de loop van 1942 zijn we milities gaan vormen. We hadden het idee dat we een soort guerrilla-achtige linies moesten opzetten voor als er een invasie kwam. Daarom moesten we mensen opleiden in het gebruik van wapens, daarom had ik die revolver. We verspreidden krantjes als Trouw, Vrij Nederland en Ons Volk. Haalden landmijnen weg die de Duitsers in de duinen hadden geplaatst.

‘Je kende alleen je contacten en dan alleen nog de schuilnaam. Ik heette Jos van Lexmond. We waren nog maar schooljongens, we hadden geen contact met het studentenverzet. We hielpen mensen waar het kon. Na verloop van tijd werd dat netwerk groter. ­Tegen het eind van de oorlog hebben we auto’s gestolen van de Duitsers. Die werden ’s nachts overgeverfd en kregen andere chassisnummers. Dat kon Wim Scheffer, die kort voor de bevrijding werd doodgeschoten.

‘Toen er dekens werden gevorderd, hebben we formulieren en stempels vervalst, zodat je kon aantonen dat je zogenaamd al een deken had ingeleverd. Maar ja, de medemens is dom. Er wordt veel gepraat in een land dat door een zwijger is gesticht. En dus werden mensen verraden – niet alleen door NSB’ers, maar ook uit nervositeit of opschepperij.

‘Toen ik in het Oranjehotel opgesloten zat, vlogen er op een nacht Engelse bommenwerpers over. Voor mijn gevoel waren het er wel honderden. Ik lag te juichen op mijn brits. Daar moest ik aan denken toen mijn dochter 3 was. We waren in de tuin, er vloog een vliegtuigje laag over, ze was bang. Ik troostte haar en dacht: hoeveel Duitse kindjes van haar leeftijd moeten in de oorlog ook doodsbang zijn geweest voor die bommenwerpers? Maar ja, genuanceerd zijn over de oorlog, dat kan eigenlijk niet.’

Acteurs van Het Nationale Theater vertellen op 4 mei in de Haagse ­Koninklijke Schouwburg het relaas van Jos Hartman en nog vijf persoonlijke verhalen op basis van herinneringen, brieven en dagboekfragmenten. Zie hnt.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden