Dimitri Verhulst.

Interview Dimitri Verhulst

Dimitri Verhulst: ‘Ik loop rond als een spons. Die wring ik uit aan de schrijftafel’

Dimitri Verhulst. Beeld Pauline Niks

Hoe schrijft de schrijver? Dimitri Verhulst hoeft zich er niet toe te zetten, hij belandt automatisch achter zijn schrijftafel. Zijn ‘schrijversoog’ schakelt hij nooit uit.

Als Dimitri Verhulst lacht, en dat doet hij vaak, heeft hij iets van een stripheld die de voor hem uitgerukte politie de verkeerde afslag ziet nemen. Zijn hoofd een beetje schuin, zijn fonkelende bruine ogen toegeknepen, zijn mond een meanderende grijns. Hem pak je niet.

Kom ook niet aan met ‘de werkelijkheid’. Wat die behelst, maakt hij zelf wel uit. En alles kan altijd veranderen.

Niet dat zijn boeken niet realistisch zijn. Juist wel. In De helaasheid der dingen beschreef hij zijn jeugd als zoon van een vrouw die haar jonge gezin verlaat en een man die altijd in de kroeg zit. In Kaddisj voor een kut beschreef hij het leven in een jeugdinstelling, waar hij als kind ook in verbleef.

Sinds zijn debuut in 1999 publiceerde hij 21 boeken. Zijn nieuwe roman, De pruimenpluk, gaat over een man die worstelt met overgave in de liefde. Maar hoe vaak moet Verhulst het nog zeggen: de werkelijkheid in zijn kunst is niet die van zijn eigen leven.

Waarom besloot u om voor De helaasheid der dingen te putten uit uw jeugd?

‘Niet omdat ik erop uit was om die gebeurtenissen met anderen te delen. Wel omdat ik vond dat ik op het terrein van kinderen uit problematische gezinnen deskundig was. Ik kwam op een nacht langs een treurige kroeg in een treurige wijk van Gent en zag op een biljarttafel een kind liggen. Dat was confronterend. Omdat ik zelf zo’n kind geweest was, besefte ik dat ik spreekrecht had over dat onderwerp.’

Heeft een verhaal de werkelijkheid nodig?

‘Als lezer reflecteer ik via een verhaal graag op mijn eigen leven. Wat en waarom in een verhaal gebeurt, moet voor mij begrijpelijk zijn. Er moet een opbouw aan ten grondslag liggen, die menselijk voorstelbaar is. Daarom heb ik een aversie tegen fantasy en verveel ik me te pletter bij Game of Thrones. Als de halve wereldbevolking sterft omdat iemand een zwaard trekt, vind ik dat narratief een slechte truc. Zelf heb ik de optie om zo’n zwaard te trekken namelijk ook niet.’

Een verhaal moet de werkelijkheid weerspiegelen?

‘Niet per se. Maar de mogelijkheid dat ik als mens een dergelijk levenspad zou kúnnen kiezen, vind ik wel een leuke denkpiste.’

In uw proza verstopt u de keiharde werkelijkheid soms in een bijzin. Hoofdpersoon Mattis zegt in De pruimenpluk: ‘Voor ik me mijn moeder kon herinneren als iemand die opkwam voor haar eigen geluk, hetgeen in haar geval betekende dat ze haar echtgenoot en haar kind de rug had toe te keren, vond ik haar de koningin van de confituur.’

‘De werkelijkheid van een moeder die haar kind verlaat om haar eigen geluk te zoeken, is zo hard, dat toen Ibsen dit beschreef in Het poppenhuis, het in de Duitse vertaling verwijderd werd. Maar omdat ik het zelf meemaakte, weet ik dat het zo kan gaan. Sommige moeders denken alleen gelukkig te kunnen worden zónder hun kinderen. Ik houd ervan om dat soort harde dingen tussen neus en lippen in een verhaal te gooien. Dat is boeiender dan met tromgeroffel aan te kondigen dat het eraan komt. Een boek is als een boksring. Je gaat niet tegen je tegenstander zeggen: pas op, je krijgt een uppercut. Nee, je deelt uit als het niet wordt verwacht. De woorden moeten de lezer in het gezicht vliegen.’

Wanneer begon bij u de liefde voor het schrijven?

‘Op mijn zesde, zodra ik het leerde. Ik keek ernaar uit om het te kunnen, en toen ik het kon, wilde ik niets anders meer.’

Hoe leerde u schrijven?

‘Door te lezen. De kinderliteratuur heb ik overgeslagen. Rond mijn veertiende begon ik meteen met de grote jongens, Vlaamse klassiekers als Ward Ruyslinck, Felix Timmermans en Ernest Claes. Maar de grote bom ontplofte toen ik Jeroen Brouwers en Louis Paul Boon las. Zij staan nog altijd overeind in mijn leven.’

Was schrijven voor u ook een manier om de werkelijkheid te lijf te gaan?

‘Als suppositoir (zetpil, red.) doen wij de kunst tekort. Schrijven is toch echt meer dan een medicijn. Het is het mooiste dat mij ooit is aangeleerd.’

Bij Dimitri Verhulst thuis. Beeld Pauline Niks

Schreef u als kind over het vertrek van uw moeder?

‘Dat was voor mij geen onderwerp. De verhalen die ik schreef, waren meer Jules Verne-achtig. Bij Brouwers en Boon zag ik dat literatuur verdomd wel over de werkelijkheid gaat. Maar ook dat het een andere werkelijkheid is. Eentje die bezonken is, waarover is nagedacht. Over mijn moeder had ik niet nagedacht. Mijn survivaltechniek was juist om níét bezig te zijn met mijn leven. Met zelfbeklag kun je jezelf niet redden.’

Bij Dimitri Verhulst thuis. Beeld Pauline Niks

Waarom lukte het twintig jaar later wel?

‘Omdat ik toen de vorm gevonden had. Die rijpheid moet je opzoeken. Een boek begint met een vorm, daarna komt het onderwerp. De vorm was destijds een bepaald soort humor. Nu zou ik dat weer anders doen.’

Kleeft aan het putten uit het echte leven niet het risico dat u erdoor overmand raakt?

‘Ik gebruik de literatuur niet voor zelfonderzoek. Daarvoor ben ik te spaarzaam op mezelf. Ik ga mezelf niet kapot schrijven. Tegen de tijd dat ik iets beschrijf, bemeester ik het.

‘Het vervelende is alleen dat als je tegenwoordig een boek schrijft, je daarna alsnog bij de psychiater belandt. Interviewers vinden je leven interessanter dan je werk. Ik kon wel genieten van Hugo Claus, die gewoon zat te liegen over zijn leven. Omdat ik dat niet kan opbrengen, zit ik als brave sul al snel te vertellen over mijn jeugd. Maar ik kan het wel, trouw aan mezelf blijven en mensen tegelijkertijd mee een drempel over nemen, zeggen: kijk, dit is kunst! De waarheid dáárvan is mijn leven.’

Wanneer zag u uw moeder voor het laatst?

‘De laatste keer dat ik die vrouw gezien heb, was twintig jaar geleden in de rechtszaal. (Ze spande een kort geding aan tegen de verschijning van Verhulsts debuut, De kamer hiernaast, waarin een moederfiguur figureert met haar voornaam, red.) Ik had haar toen al vijftien jaar niet meer gezien.’

Leeft ze nog?

‘Ik vermoed van wel. Familieleden zullen toch wel bericht krijgen als ze overlijdt.’

Wordt de betekenis van moederliefde volgens u overdreven?

‘Om mij heen zie ik sukkelaars die een liefhebbende moeder hadden en toch een knoeiboel van hun leven maken. Aan opvoeding hecht ik weinig waarde. Het is mogelijk om een streep te trekken. Omdraaien en weglopen. Ik ben daar goed in. In dat opzicht ben ik het eens met de communisten, die van mening waren dat kinderen opgevoed worden door de gemeenschap. Ik ben vooral wie ik ben door mijn leraren op school. Dat is het geluk van Europa. Je kunt arm zijn en toch leren lezen en schrijven. Jezelf vooruit helpen.’

Kan een kind dat door zijn moeder verlaten is, zich nog aan iemand hechten?

‘Poeh, dat zou een probleem kunnen zijn. Maar bindingsangst is niet het alleenrecht van de verlatene. Ik zie dat ook bij mensen die wel een aanwezige moeder hadden. Freud zal wel niet helemaal ongelijk gehad hebben, hier en daar zal er wel iets van die man zijn theorie kloppen. Maar grosso modo vind ik dat hij toch wel het beste moppenboek van de 20ste eeuw geschreven heeft.’

Waarom besluit hoofdpersoon Mattis na de ontmoeting met Elma ineens om zijn huis niet te verkopen? Hoopt hij toch op een blijvende liefde met haar?

‘Hij drukt op de pauzeknop, omdat hij beseft dat zijn misantrope leven hem misschien toch minder past dan hij dacht. Hij wil nieuwe krachten aanboren.’

Elma is weduwe. Waarom is dat een probleem?

‘Met een ex kan worden afgerekend, met een dode niet. Er is altijd nóg iemand. Zij neemt dan wel het initiatief, legt de eerste steen, maar ze hoopt dat Mattis de rest bouwt.’

En doet hij dat?

‘Hij doet een poging om haar probleem op te lossen, haar leven verder te zetten. Maar of hij dat voor haar doet, of voor zichzelf, weet ik niet. Je kunt in hem een filantroop zien, maar ook een jaloerse klootzak.’

Bij Dimitri Verhulst thuis. Beeld Pauline Niks

Waarom weigert Mattis in Venetië met Elma in een gondel te varen?

‘Omdat hij dat kitscherige celebreren van de liefde het toppunt van stompzinnigheid vindt.’

Maar als zíj dat nou leuk vindt?

‘Ja, die gedachte heeft hij ook. Maar hij kan het niet. Hij is vergroeid geraakt met zijn solipsisme, zoals zij vergroeid geraakt is met haar dode man. Zij hebben allebei nog een boel werk te doen.’

Mattis zegt: de liefde moet in één keer goed zijn. Als er laswerk nodig is, hoeft het niet. Denkt u daar zelf ook zo over?

‘U moet niet denken dat ik Mattis ben. Dat is niet zo. Ik weet geen hol van de liefde. Wie mij op dat terrein als goeroe neemt, gaat dolen over de zeeën. Ik heb daarover echt geen waarheid in pacht en indien wel, dan zou men zich af moeten vragen waarom ik zelf dan toch meer dan één relatie gehad heb in mijn leven. Over schrijven kan ik wel iets vertellen, maar over de liefde echt geen kloten.’

Het verhaal eindigt ermee dat Elma haar favoriete kaartspelletje, het ‘paardjesspel’, wil spelen. Mattis laat zich overhalen. Is dat een oplossing?

‘Ik vrees van niet. Het spelen van dat spelletje is een verloochening van zijn karakter. Daar kun je nooit een relatie op bouwen.’

Dimitri Verhulst Beeld Pauline Niks

In uw boek klinkt het besef van een laatste kans door. Kent u dat gevoel?

‘Met laatste-kansdenkers in de liefde heb ik medelijden. Waarom zou je jezelf mogelijkheden ontzeggen? Ook in het bejaardenhuis kun je nog verliefd worden. Maar als schrijver ken ik het gevoel wel. De meeste grote werken zijn geschreven tussen het 50ste en het 56ste levensjaar. Dus ik vind dat het nu zo langzamerhand mag gaan gebeuren. Ik mag mij onderhand warm gaan lopen om in topvorm te geraken. Het grote werk mag gaan komen.’

Wat is het probleem van de liefde?

‘Dat, terwijl vrienden elkaar leuk vinden om hoe ze zijn, geliefden elkaar willen veranderen. Daarom overleeft vriendschap vaak wel, maar liefde niet. Ik ben in de liefde standvastiger dan wel wordt aangenomen. Ik ben geen veelwijver, zoals Picasso of Simenon. Maar je weet natuurlijk nooit of iets voor altijd is. Niets is verworven.’

Beschouwt u exclusiviteit in de liefde als ideaal?

‘Ik vind het wel een leuke spelregel.’

Dat klinkt niet zo serieus.

‘Laat het ons dan een insteek noemen. Jaaa, romantisch hè!’ (Lacht)

Aan uw uitgever bent u altijd trouw gebleven.

‘Sinds mijn eerste boek heb ik dezelfde. De letteren zijn een intieme branche. In mijn boeken gooi ik nogal wat op tafel. Dat kan ik niet zomaar bij iedereen. Ik hecht me aan mijn redacteur.’

Is schrijven voor u een manier om te leven?

‘Ik kan niet niet schrijven.’

Kunt u dan wel leven?

‘Wel, ik leef. (Lacht) Ik ben geen kluizenaar. Ik moet de wereld in, omdat ik iets moet hebben om over te schrijven. Ik loop rond als een spons. Die wring ik uit aan de schrijftafel. Als op straat iemand doodgeschoten wordt, is mijn eerste gedachte: hoe zou ik dit beschrijven? Die praktische waarneming is er altijd. Ik weet dat het onfatsoenlijk is, maar er zit nu eenmaal altijd één schrijversoog in mijn kop. Het zal ook wel vreemd zijn om met mij naar bed te gaan.’

Schakelt u uw schrijversoog dan nooit uit?

‘Met de privacy van geliefden ga ik niet aan de haal. Maar ik kan al heel lang niet meer geen schrijver zijn. Dimitri Verhulst is twee instanties tezelfdertijd. Als je de mens wilt, moet je de schrijver erbij nemen. Anders valt er met mij niets te beginnen. Schrijven is mijn levensvorm. De mens Dimitri heeft de schrijver nodig en de schrijver Dimitri de mens. Veertig jaar samenleven cijfer ik niet weg. Erger nog: ik wil dat niet. Als je de schrijver kapot wilt schieten, moet die kogel ook door mijn eigen kop.’

U offert zich voor de kunst?

‘Ik ervaar het niet als een last, maar schrijvers zijn wel een soort jezussen natuurlijk. Net als wielrenners.’

Hoe schrijft u?

‘Ik heb geen vaste discipline. Die heb ik niet nodig omdat ik altijd automatisch achter mijn schrijftafel beland. De prikklok is uitgevonden voor mensen die niet graag werken. Ik schrijf ook nog als ik geen pen vasthoudt.’

Is vorm of inhoud een dilemma voor u?

‘Mijn hoofd is een soort wijnkelder vol flessen met verhalen die ik nog wil vertellen. Zodra ik de vorm ervoor vind, zijn ze klaar om geschonken te worden. Bij De pruimenpluk besefte ik dat ik verhalen van een bescheiden aantal pagina’s goed bemeester, dat ik geschikter ben voor de 400 meter dan voor de marathon. Ik wilde de lezer meenemen naar een meer, hem daar 155 bladzijden lang neerzetten en ervoor zorgen dat hij zich daar thuis gaat voelen. Toen ik die vorm, de plaats en het gevoel gevonden had, ging ik graaien in mijn kelder.’

Sommige woorden in uw boek, zoals ‘immobilienboerin’ kende ik niet. Is schrijven voor u ook: taal creëren?

‘Van een goede schrijver herken je altijd meteen de stem. Het einddoel is schrijven in je eigen taal. Een goede Dimitri Verhulst schrijft in het Dimitri Verhulsts.’

Dimitri Verhulst: De pruimenpluk. 155 pagina’s; € 19,99.

Wie is Dimitri Verhulst

De Vlaamse schrijver en dichter Dimitri Verhulst (Aalst, 1972) debuteerde in 1999 met de verhalenbundel De kamer hiernaast. Zijn grote doorbraak kwam zeven jaar ­later met de auto­biografische roman De helaasheid der dingen, die verfilmd werd. Hij won de Gouden Uil (2007) en de Libris literatuurprijs (2009). De 21 werken die hij publiceerde, worden gekenmerkt door rauw realisme en een vindingrijke, poëtische stijl.

Vorige maand ­verscheen zijn nieuwste roman, De pruimenpluk, over een verdoemde liefde.

Op allerlei manieren over boeken schrijven, daar is de boekenredactie van de Volkskrant de hele dag mee bezig. Maar hoe kiezen zij welke boeken uit het enorme aanbod worden behandeld, en hoe bepaal je wat goed en slecht is? Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden