Dikke en dunne instituten

Ook in deze postmoderne tijd behouden oude instituties hun waarde, meent socioloog Anton Zijderveld: 'Niet alles moet altijd ter discussie staan.' Het gezin, religie, de universiteit, de media, de staat, ze veranderen wel, maar in de 'fatsoenlijke samenleving' blijven ze bestaan..

EENS bestond de maatschappij uit solide bolwerken; de kerk, het gezin, de staat; trotse instituten die wisten wat goed en waar was. Maar de kerken lopen leeg, het traditionele gezin van vader, moeder en de kinderen verdwijnt; en de staat verliest met de dag meer macht en gezag. Politieke partijen hebben geen leden meer en de krant, de radio- en televisieomroep zijn ook niet meer de huisvrienden die je altijd trouw zult blijven. Het einde van al die veilige burchten met hun eigen kleur en hun eigen karakter lijkt nabij. De muren worden geslecht en de wereld verandert in één groot web van netwerken. Zelfs je partner pluk je van internet.

Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, columnist van Buitenhof en Het Financieele Dagblad, is gefascineerd door instituties. 'Het is een oude droom om er van af te raken. En het is vaak geprobeerd. Men zei: ''Het gezin, de staat, de kerk belemmeren ons in onze vrijheid, creativiteit en individualiteit. Wij moeten in totale vrijheid met elkaar omgaan.'' Maar ogenblikkelijk ontstonden nieuwe gedragspatronen, die verdacht veel leken op de instituten van vroeger. Het is een antropologisch, biologisch feit dat de mens niet zonder instituten kan leven.'

In zijn zojuist verschenen The Institutional Imperative (uitg. Amsterdam University Press) wil Zijderveld bewijzen dat ook in het postmoderne tijdperk met zijn heilige geloof in het flexibele netwerk de aloude instituties hun waarden hebben behouden en niet zijn uit te roeien. 'Als men mij dan verwijt dat ik een conservatief pleidooi houd voor restauratie, dan is dat wel erg kort door de bocht. Ik zoek naar een middenweg, omdat ik denk dat we zo de snelle veranderingen van deze tijd beter kunnen doorgronden.'

Als voorbeeld noemt Zijderveld het gezin. 'Het zal altijd blijven bestaan, maar het is geen natuurwet dat het bestaat uit vader, moeder en kinderen. Het patriarchale, monogame gezin dateert uit de achttiende eeuw. Er zijn talloze vormen van een gezin mogelijk, zoals het homoseksuele gezin. Er zijn volkeren met een hechte gezinsvorm waar de broer van de moeder optreedt als vader. De biologische vader telt er niet mee. Die kan hoogstens de opvoeder worden van de kinderen van zijn zus.'

Zijderveld gelooft dat de postmodernisten vorm en inhoud nogal eens door elkaar halen. Hij illustreert zijn stelling met een ander voorbeeld, de kerk. 'Overal om ons heen zie je ontkerkelijking, de kerk verdwijnt uit het centrum van de samenleving, maar dat betekent beslist niet het einde van de religie, het geloof van mensen in een hogere macht. Dat geloof is universeel.'

- Om te overleven moet zo'n instituut als de kerk zich wel bijzonder klantvriendelijk opstellen.

'Je ziet dat instituten flexibeler, transparanter en legitiemer worden. Het worden dunne instituten. De tradities van het oude, dikke instituut zijn niet heilig meer. De magische meerwaarde is verdwenen. Alles staat ter discussie. En als reactie krijg je de fundamentalisten die iedere discussie als ondermijnend en heiligschennis verwerpen.'

- Een paar jaar geleden was u van mening dat een instituut als de kerk van Rome, die vasthield aan strenge regels, traditie en rituelen, betere overlevingskansen had dan kerken die zich wel aanpasten aan de moderne tijd. De roomse kerk bood meer zekerheid en geborgenheid.

'Ik ben er nu van overtuigd geraakt dat dat niet waar is. Je worstelt met het probleem en daarom wilde ik dit boek schrijven, om helderheid te krijgen.'

- Toch gelooft u niet dat alles altijd ter discussie moet staan.

'Nee, ik geloof dat er een paar basiskenmerken moeten zijn die niet ter discussie mogen staan. Anders krijg je dat oeverloze gezwets dat alles doodt. Neem zo'n instituut als de universiteit. Als ik college geef, weten de studenten wat dat betekent. Ik hoef niet te onderhandelen over de vraag of ik een dansje moet maken of een gedicht voordragen. In de jaren zeventig was dat wel het geval. Nachtenlang vergaderen. Totale verlamming. Als terugslag kreeg je dodelijke bureaucratisering, eindeloze regels en uiteindelijk vertrouwde niemand elkaar nog.'

- U legt grote nadruk op vertrouwen.

'Ja, vertrouwen is de smeerolie van de hedendaagse organisatie. Vroeger werd gedecreteerd en had je te gehoorzamen. Vertrouwen was niet nodig. Het instituut gaf zekerheid. Aan de waarheid viel niet te tornen. Je ontleende het gezag aan je titel, aan je functie. Die tijd is voorbij. Studenten liggen niet wakker van een titel. Gezag is nu, gelukkig, gebaseerd op vertrouwen en dat vertrouwen moet je verdienen. Als je het hebt, kun je snel en efficiënt zakendoen. Maar de verhoudingen, gebaseerd op vertrouwen, zijn heel broos. Zodra je je bedrogen voelt, de ander zijn belang boven dat van jou stelt, gaat het fout. Dan is het vertrouwen beschaamd.'

- Dus veranderen ook de gezagsverhoudingen?

'Ja, er is meer gelijkwaardigheid. Delegeren wordt belangrijker, maar wel op basis van vertrouwen. Het past in de gereformeerde traditie van soevereiniteit in eigen kring. Hier tegenover staat het ouderwetse, katholieke subsidiariteitsbeginsel dat in de Europese Unie wordt gehanteerd. Van bovenaf wordt, als door de kerk van Rome, hiërarchisch bepaald wat ieder land, ieder bisdom zelf mag regelen. De paus kan die bevoegdheid ook zonder meer terugdraaien. Het protestantse beginsel wint snel terrein. En daarmee de nadruk op eigen verantwoordelijkheid.'

Hij geeft het voorbeeld van het studiehuis, waar de leerling met grote eigen verantwoordelijkheid via zelfstudie en internet de opdracht moet uitvoeren. De school als instituut blijft bestaan, maar krijgt trekjes van het flexibele netwerk. Eigen initiatief en vindingrijkheid worden geactiveerd.

Zijderveld vertelt hoe hij als student in Amerika verbaasd constateerde dat zijn medestudenten iedere week een nieuwe stapel boeken uit de bibliotheek haalden. Het was onmogelijk die boeken in een week te lezen. De legendarische oppervlakkigheid van de Amerikaan leek bevestigd. Ook hij kreeg de opdracht iedere week een stapel boeken te lezen, en er een paper over te schrijven. Op de derde of vierde keer dat hij zijn werkstuk overhandigde, schoof de docent het verslag terzijde en zei: 'Had u deze week nog een goed idee?'

'Die opmerking is me altijd bijgebleven. Het was zo on-Nederlands. Om een goed idee te krijgen, hoef je een boek niet helemaal te lezen. Dat deden die Amerikanen ook niet. Althans in eerste instantie niet. Pas als ze het idee gingen uitwerken, bestudeerden ze het boek grondig. In Nederland werd je getraind om in de traditie van bijbelexegese analyses en commentaren te schrijven. Niet om met nieuwe ideeën te komen. Gelukkig zie je verandering komen. Er verschijnen originele, baanbrekende studies. Ook dat vereist training, een andere benadering. Zo'n studiehuis is daartoe een goede aanzet. Het creatief omgaan met de kennis wordt in het ICT-tijdperk haast even belangrijk als de kennis zelf.'

- Het ICT-tijdperk biedt ongekende kansen, maar mag je verwachten dat iedereen in staat is die kansen te grijpen?

'Ik zie het gevaar van een nieuwe tweedeling. Als je alles overlaat aan eigen verantwoordelijkheid, alles flexibel en onderhandelbaar maakt, krijg je een onderhandelingssamenleving. Dan moet ieder zijn positie bevechten. Dat kunnen de zwakken niet. Tot het absurde is dat beginsel doorgevoerd in Rusland, waar niet één instituut meer werkt. Daar heb je chaos. Er is geen rechtstaat. Er bestaat geen civil society. Alles wordt bevochten. Het is een paradijs voor de misdaad.'

- Moet de staat dan niet steeds verder worden teruggedrongen?

'Ik vind dat voor de staat een belangrijke taak behouden moet blijven. Ik was voorstander van privatisering, maar denk daar nu anders over. Kijk naar de nutsbedrijven. De staat moet de mensenrechten beschermen, mag de politie niet privatiseren en ervoor zorgen dat zwakken niet uit de boot vallen.

'Maar de nadruk zal meer op de civil society komen te liggen, de fatsoenlijke samenleving. Ik vertaal het met ''het maatschappelijk middenveld'': Het geheel van burgers die met elkaar, maar los van de staat, iets ondernemen in georganiseerd en geïnstitutionaliseerd verband. De verenigingen, de vakbonden, kerken, vrijwilligersorganisaties.'

- Dus wel terug naar de oude gloriedagen van de KVP?

'Nee, in het verzuilde Nederland van de jaren vijftig werd alles bedisseld door de machthebbers van die zuilen. Het was een zeer stoffige vorm van conservatisme. Parlementsleden hoefden alleen te bekrachtigen wat door de zuilen was overeengekomen. De overheid was niet groot. Drees kon tussen de middag thuis een boterhammetje eten.

'Bij het ontstaan van de verzorgingsstaat in de jaren zestig kwam het accent op de staat te liggen. De staat dijde steeds verder uit. De burger werd een horige van de staat, een slaaf van de bureaucratie. In de jaren tachtig kwam de reactie. Het accent kwam te liggen op de markt.'

- En van de markt gaan we naar de civil society?

'Ik spreek graag over de democratische driehoek. De markt, de staat, de maatschappij. Tegelijkertijd behelst die driehoek ook het motto van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Socialisten dachten vanuit de staat. Het uitgangspunt was de gelijkheid. De liberalen vanuit de markt, op basis van de vrijheid. De christen-democraten vanuit de broederschap, het maatschappelijk middenveld dat vroeger sterk corporatieve trekken had. Lubbers dacht vanuit de markt en ik zei hem dat hij eigenlijk geen christen-democraat was. Dat is hij nu wel. Tony Blair met zijn derde weg regeert vanuit de civil society, het maatschappelijk middenveld. Als CDA'er vind ik dat hoogst interessant. Hij denkt niet vanuit de staat met het gelijkheidsbeginsel, zoals een sociaal-democraat betaamt. Daarom wordt hij door echte socialisten verketterd. Blair is een overtuigd christen. Ja, er zijn gezaghebbende commentatoren die hem een Brits christen-democraat noemen.'

- Kun je in een maatschappij die steeds verder individualiseert een beroep op solidariteit blijven doen?

'Het solidariteitsbeginsel staat onder druk. Maar je kunt niet op je eentje een vrij individu zijn. Je hebt anderen nodig. Als jij niets voor een ander doet, houdt niemand rekening met jou. Dan word je een uitgestotene. Solidariteit groeit uit eigenbelang. In probleembuurten als de Amsterdamse Vrolikstraat en het Rotterdamse Spangen zie je hoe de bewoners solidair uit eigenbelang de buurt leefbaar willen maken. De oproep van de Rotterdamse wethouder tot een stadsetiquette spreekt veel mensen aan. Journalisten en intellectuelen doen er lacherig over, maar het is heel eigentijds. Voor een leefbare stad heb je elkaar nodig.'

- Ontwaart u bij de media, de pers vervlakking?

'Dat valt nogal mee. De normen en waarden van de oude instituten met hun rotsvaste geloof in wat goed en kwaad was, zijn vervaagd. Maar dat wil niet zeggen dat ze verdwenen zijn. Ik kijk 's avonds ook naar een soap. Je hoeft niet meer alleen naar diepgravende programma's van je eigen omroep te kijken. Je zapt, je pikt er wat uit, ja allemaal heel postmodern.

'De publieke omroepen zullen, onder druk van de commerciëlen, hun kerntaak scherp moeten definiëren en zich kwetsbaar moeten opstellen. De kranten hebben wel degelijk hun identiteit behouden. Ze zijn niet meer als vroeger fel onderscheidende instituten, maar dat zijn wij burgers ook niet meer. Wij zijn ook veel flexibeler geworden. Alle media zullen hard moeten concurreren, nevenactiviteiten ontwikkelen. Je ziet dat ook bij politieke partijen. Ik zie ze niet verdwijnen, maar ze veranderen en fungeren meer als een platform, waar men discussieert; vooral ook met buitenstaanders die andere opvattingen hebben. Zo gezien krijgen die instituten kenmerken van het netwerk.'

- U bent nogal optimistisch.

'Europa kan nog wat leren van Amerika, waar de civil society sterk is ontwikkeld en burgers de ruimte krijgen zonder door de staat voor de voeten te worden gelopen. De Amerikaan gaat niet gebukt onder de last van het verleden, van twee wereldoorlogen in een eeuw. Een civil society eist vertrouwen in de toekomst. De Amerikaanse media melden naast de schandalen ook vol trots succesverhalen. Soms lijkt het of Nederlanders uit een soort schuldgevoel verliefd zijn op ellende. Nu weer dat gezeur van die Indische Nederlanders. Ik heb in het Jappenkamp gezeten, mijn vader werkte aan de Birmese spoorweg en stierf uitgeput, kort na de oorlog.

'Ik wantrouw dat wroeten in het verleden. Het is zo Europees. De toekomst ligt voor je. Je mag er de volgende generaties niet mee belasten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden