Interview Marzouk Aulad Abdellah en Menno ten Brink

Deze imam en rabbijn doorbreken de beeldvorming die moslims en joden over elkaar hebben gecreëerd

Vooral op sociale media lijkt het soms wel of niemand meer met iemand overweg kan. De Volkskrant zet daar deze zomer vrienden tegenover die grote en kleine verschillen overbruggen. Deze week: imam Marzouk Aulad Abdellah en rabbijn Menno ten Brink.

Rabbijn Menno ten Brink en imam Marzouk Aulad Abdellah, in een park bij Amstelveen. Foto Ivo van der Bent

Als imam Marzouk Aulad Abdellah op bezoek is bij de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam voelt hij zich thuis. Hij kent de weg in het grote, grijze gebouw aan de Zuidelijke Wandelweg en de mensen die er werken, kennen hem. ‘Goedemiddag, Marzouk’, klinkt het een paar keer als hij wacht voor het kantoor van rabbijn Menno ten Brink. Als de deur opengaat en de rabbijn verschijnt, slaan de twee mannen de armen om elkaars schouders. ‘Hallo, mijn vriend’, zegt Ten Brink.

Op zijn beurt heeft Ten Brink datzelfde vertrouwde gevoel als hij langsgaat in moskee Al Kabir aan de Amsterdamse Weesperzijde, de thuisbasis van imam Aulad Abdellah. Ook hij weet waar alle gangen en zalen naartoe leiden en bij elke ontmoeting met een rondlopend bestuurslid volgt een omhelzing. ‘Het grappige is’, zegt Ten Brink, ‘als ik met de auto kom, kan ik hier bijna altijd voor de deur parkeren. Nu ook weer. Dat zegt toch wel iets.’

Hij en de imam barsten in lachen uit.

De imam: ‘Het is altijd druk voor de deur van de moskee, het is heel moeilijk om hier te parkeren. Dus dat zegt zeker iets.’

De rabbijn: ‘Het is de voorzienigheid.’

De rabbijn en de imam zijn vrienden. Ze zijn de geestelijk leiders van de grootste synagoge en de grootste moskee in Amsterdam, hun beider achterban bestaat uit zo’n tweeduizend zielen. Dat ze met elkaar optrekken dient een hoger doel, maar alles begint bij de combinatie van hun twee persoonlijkheden. ‘Ze vinden elkaar echt aardig’, zegt een lid van de Liberaal Joodse Gemeente dat ze allebei kent. ‘Anders hou je het niet vol. Hun samenwerking is meer dan een verplichting.’

Als ze deze typering horen, kijken Aulad Abdellah en Ten Brink elkaar wat onwennig aan. Dan begint de imam: ‘Ja, je moet elkaar eerst aardig vinden. We staan zeer open voor elkaar. We praten over alles. En we spannen ons allebei in om iets voor de ander te doen. Ja toch, Menno?’

De rabbijn: ‘We respecteren en vertrouwen elkaar, dat is ongelooflijk belangrijk. We komen niet bij elkaar thuis over de vloer, maar je kunt zeker zeggen dat we een vriendschapsband hebben.’

De imam, beslist: ‘Bij elkaar over de vloer, dat komt nog.’

De rabbijn kijkt een beetje verrast.

De imam: ‘Ja, waarom niet?’

Ze spreken elkaar bij twee gelegenheden: eerst in de synagoge en dan in de moskee. Bij beide ontmoetingen valt op dat de vriendschap óók is gebaseerd op hun gedrevenheid. Ze blijven herhalen waar het hun vooral om te doen is: de vooroordelen van moslims over Joden en Joden over moslims te laten verdwijnen. De remedie is simpel, zij laten het zelf zien: praat met elkaar.

Tegelijk zijn ze allebei zeer verbonden met hun eigen religie, waarvoor ze zich bijna een leven lang inspannen. Menno ten Brink (59) werd in de jaren zeventig actief bij de Liberaal Joodse Gemeente (LJG) in Amsterdam als leraar, jeugdleider en voorzanger, dat laatste net als zijn grootvader in Den Bosch, die in Auschwitz werd vermoord. Na zijn rechtenstudie werkte hij twee jaar als jurist bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten, toen hij besloot de rabbinale opleiding aan het Leo Baeck College in Londen te volgen. Hij wilde rabbijn worden om te helpen de joodse gemeenschap te versterken.

‘Er is zoveel kapotgemaakt’, zegt hij – de hele familie van zijn moeder en bijna de hele familie van zijn vader zijn uitgemoord. ‘Na de oorlog heerste bij veel Joden de angst: moet ik mij wel als Jood manifesteren, kan ik wel veilig zijn in de joodse gemeenschap? Ik wilde mensen hun cultuur teruggeven, kinderen opvoeden in een joodse omgeving, de joodse identiteit krachtiger maken.’ Van 1993 tot 2004 was hij rabbijn op drie plekken tegelijk: bij de LJG in Rotterdam en Amsterdam, en bij het ministerie van Defensie. Daarna werd hij fulltime rabbijn bij de LJG in Amsterdam.

Marzouk Aulad Abdellah (53) emigreerde in 1975 als 9-jarige vanuit het Marokkaanse Tanger naar Nederland, waar zijn vader al tien jaar werkte. Hij kwam terecht in de Amsterdamse Pijp, waar zijn vader contact had met Mohamed Echarrouti, die toen net de eerste moskee van Nederland had opgericht in de kelder van de Oranjekerk. De jonge Marzouk leerde van Echarrouti Arabisch en de beginselen van de islam, waarbij hij de Koran uit zijn hoofd leerde reciteren.

Zijn vader stimuleerde hem zich verder te verdiepen in het geloof, in Caïro aan het Al Azhar Instituut. Hij deed daar een deel van zijn middelbare school, studeerde er aan de universiteit sharia en recht, daarna promoveerde hij. Tussendoor kwam hij vaak terug in Amsterdam, om te helpen in de moskee, die sinds 1982 was gevestigd aan de Weesperzijde en Al Kabir Moskee was gedoopt. Rond 2000 werd Aulad Abdellah er imam. Aan de Vrije Universiteit is hij docent islamitisch recht en islamitische theologie.

Rabbijn Menno ten Brink en imam Marzouk Aulad Abdellah. Foto Ivo van der Bent

Intussen staan Ten Brink en Aulad Abdellah voor hetzelfde: de ‘dialoog’, zoals dat in hun kringen heet, met mensen van een andere levensovertuiging. Concreet komt het in hun geval neer op het organiseren van activiteiten: vrouwen van de LJG en de Al Kabir Moskee kookten samen, kinderen spraken tijdens Pesach met elkaar over Mozes, een van de figuren die in beide religies voorkomt. ‘Het is belangrijk dat onze samenwerking niet bij ons tweeën blijft steken. Die moet indalen in onze gemeenschappen’, zegt Ten Brink.

Voor henzelf is hun contact zo normaal dat ze niet eens meer weten wanneer het begon. Ze leerden elkaar kennen via Amsterdamse dialooginitiatieven als Preken in Mokum, de Abrahamitische Dialoog en de ambtswoninggesprekken die voormalig burgemeester Job Cohen opzette. Jaren geleden al, het zou in 2008 kunnen zijn geweest, preekten ze voor het eerst in elkaars godshuizen. De Dialoogcommissie van de LJG nodigde Aulad Abdellah uit, daarna kwam er een tegenuitnodiging van de moskee. ‘Menno heeft toen bij ons een héél mooie preek gehouden’, zegt de imam.

Waar ging die over?

Rabbijn: ‘Over hoe belangrijk het is dat we met elkaar spreken, het was een soort kennismaking.’

Imam: ‘Menno was meteen ónze rabbijn, iedereen was enthousiast. Sindsdien is hij bekend in onze moskee, hij heeft een uitstekende reputatie onder onze gelovigen. Ze waarderen hem zeer.’

Hoe beviel de eerste preek van de imam in de synagoge?

Rabbijn: ‘Het was best moeilijk dat Marzouk bij ons kwam praten. Daarmee heb ik mijn nek uitgestoken, maar het werkte heel positief uit. Marzouk is nu een begrip bij ons, in bestuurskringen, in commissies, iedereen weet dat we die heel speciale vriendschapsband hebben, die we proberen uit te bouwen door activiteiten te organiseren.’

Wat was er moeilijk aan in het begin, een imam in een synagoge?

Rabbijn: ‘Ik kreeg kritische vragen: wie is die Marzouk eigenlijk, is hij wel te vertrouwen, wat is zijn achtergrond, al dat soort opmerkingen kreeg ik van mensen die sowieso al moeite hadden met onze dialoog. Ik kon met open vizier zeggen: Marzouk is te vertrouwen, hij is onze vriend, hij is echt, écht een partner in dit hele proces.’

En sindsdien hebben jullie voor samenwerking gekozen?

Imam: ‘Daar waren we van tevoren al mee bezig. Er is door zowel moslims als Joden zoveel beeldvorming over elkaar gecreëerd, wij wilden dat doorbreken.’

Laten we het hebben over die beeldvorming. Er wordt gezegd dat het nieuwe antisemitisme afkomstig is van moslims. Herkent u zich daarin?

Imam: ‘In mijn moskee heb ik het nooit gemerkt. Ik praat er vaak over met moslims die bij ons komen, maar iedereen is gewend aan de joodse gemeenschap. We praten openhartig over de problemen die we in onze samenleving zien en dat wij als moslims respect moeten hebben voor andersgelovigen. Niemand is ooit naar me toe gekomen die heeft gezegd: het klopt niet wat jij zegt. Niemand.’

U heeft een toespraak gehouden bij het homomonument in Amsterdam, dus uw achterban is ook wel wat gewend.

Imam: ‘Elk schepsel verdient respect, dat is de islam. Ik weet dat het beeld van de islam anders is, maar het is een heel gematigde religie.’

De rabbijn knikt: ‘Marzouk is een liberaal denkend man binnen een islamitische gemeenschap die niet altijd liberaal denkend is.’

Nog even over het antisemitisme: mensen van de LJG hebben meegemaakt dat moslimjongeren naar hen riepen en stenen gooiden. Het bestaat dus wel.

Imam: ‘Die dingen gebeuren, dat ga ik niet ontkennen. Daarom organiseren wij van Al Kabir ook bijeenkomsten met de LJG, we willen een signaal afgeven dat we zo niet met elkaar moeten omgaan. Als ik in de synagoge kom, dan heb ik gemengde gevoelens. Ik voel me prettig hier, veilig, maar als ik zie wat er buiten staat, al die hekken …’

Rabbijn: ‘En de marechaussee die buiten staat tijdens diensten.’

Imam: ‘Het wordt hier dag en nacht beveiligd.’

De deur van uw moskee staat de hele dag open, toch?

Imam: ‘Je kunt altijd naar binnen.’

U vindt het triest dat die openheid onmogelijk is bij een synagoge.

De imam, fel: ‘Het leven van de joodse gemeenschap in Nederland móét genormaliseerd worden. Iemand die zichtbaar joods is, hoort zonder enig risico over straat te kunnen lopen, die moet zich veilig voelen. Daarom wil onze moskee méér doen met de joodse gemeenschap, dat is onze strategie.’

Jullie trekken het je aan dat veel Joden zich in Amsterdam niet veilig voelen?

Imam: ‘Zeker, ja. Moskee Al Kabir móét een bijdrage leveren aan de oplossing van dit probleem. Ook als er iets ergs gebeurt in de joodse gemeenschap, dan moeten imams zich daartegen uitspreken, we moeten het meteen veroordelen. Wij moeten elkaar beschermen.’

Er zijn ook imams die haat tegen Joden verspreiden. Spreekt u hen daar weleens op aan?

Imam: ‘Zeker, er zijn extremisten die een soort ziekte in de samenleving verspreiden. Ik zie ze bijna nooit, dat proberen ze ook te vermijden. Ze hebben hun eigen kringen, we delen niks met elkaar. Maar ik ben tégen hen en dat draag ik ook uit. Als ik ze tegenkom, zeg ik: ‘Respecteer toch mensen met een ander geloof, laat ze met rust. Je hebt zoveel vrijheid in Nederland, je hebt hier werk of een uitkering en intussen probeer je de samenleving kapot te maken.’

Dan wil de rabbijn iets zeggen. Hij vindt dat er een kern van waarheid zit in de gedachte dat moslims het nieuwe antisemitisme verspreiden. Wanneer hij als Jood verantwoordelijk wordt gehouden voor de Israëlische politiek – en er zijn moslims die dat doen, merkt hij in het publieke debat – dan is dat antisemitisch. Die moslims identificeren zich met de Palestijnen. ‘En ik word dan de Israëli die een Palestijn doodt’, zegt hij.

Hij vervolgt: ‘Ik durf rustig te zeggen dat ik een zionist ben. Wat houdt dat in? Dat ik ongelooflijk blij ben dat er een Joodse staat is gekomen, die hadden we in ’40-’45 niet en toen zaten we als ratten in de val. In het Joodse land heerst democratie, de Joden zijn er vrij en veilig. We hebben er duizenden jaren naar verlangd, het is niks nieuws, dat zionisme – zelfs in de Psalmen staat dat verlangen naar Israël, oftewel Zion, nadat we er tot twee keer toe uit waren verdreven. Maar één ding: ik ben geen Israëli. Ik heb geen Israëlisch paspoort en heb niet gestemd voor welke Israëlische regering dan ook. Ik ben het ook niet altijd eens met de Israëlische politiek, net zo goed als ik het niet altijd eens ben met de Nederlandse politiek.’

De imam, kalmpjes: ‘Het mag nooit gebeuren dat Joden in Amsterdam worden aangesproken op wat er in het Midden-Oosten gebeurt.’

Zo komt het gesprek al binnen een halfuur op Israël, dé angel in de relaties tussen Joden en moslims. Gebeurt dit vaker tussen Ten Brink en Aulad Abdellah of gaan ze doorgaans met een grote boog om Israël heen? Het antwoord: het onderwerp is niet onbespreekbaar, maar liever richten ze zich op Amsterdam en wat ze hier kunnen doen om de relaties tussen Joden en moslims te verbeteren.

Dus eigenlijk vermijden jullie het onderwerp zo veel mogelijk?

Rabbijn: ‘We richten ons op het hier en nu in Amsterdam. Maar we kunnen wel over Israël praten zonder dat we elkaar over tafel trekken. We kunnen agree to disagree, prima.’

Imam: ‘Iedereen heeft zijn eigen visie en dat mag.’

Het Joods Marokkaans Netwerk in Amsterdam is in 2014 onder andere geklapt omdat er een diep verschil van inzicht was over Israël. De oud-voorzitter Harry Polak vond dat jammer. Hij zei dat een echte dialoog betekent dat je het ook over Israël kunt hebben.

Rabbijn: ‘Je moet erover kunnen praten, maar voor de dialoog tussen Joden en moslims in Amsterdam geeft het een extra druk. Een gesprek over Israël en de Palestijnen gaat snel richting het niet-accepteren van de Joodse staat. Dan heb ik het niet over Marzouk, maar over andere moslims met die mening en eerlijk gezegd: dan houdt het bij mij op.’

Imam: ‘Wij willen niet dat de problemen in het Midden-Oosten onze relatie verstoren. Maar ik vind: iedereen verdient een plek om te leven, iedereen heeft recht op een eigen staat. De staat Israël is er, nu moeten de twee partijen onderhandelen over een eigen staat voor de Palestijnen.’

Rabbijn: ‘Absoluut. De tweestatenoplossing is voor mij zo klaar als een klont, alleen moet het nog even gebeuren.’

Is dat niet een allang gepasseerd station?

Rabbijn: ‘Op de Westbank zijn veel nederzettingen, ja. Maar in het verleden heeft Israël de Sinaïwoestijn teruggegeven aan Egypte, de Gazastrook is ontruimd, dat is al een Palestijnse staat. Er kan een heleboel gebeuren om vrede te bereiken. Ik denk dat die tweestatenoplossing nog wel kan, ik denk ook dat het de enige mogelijkheid is. Maar zolang er onder de Palestijnen krachten zijn die zeggen dat Israël geen bestaansrecht heeft, zie ik geen oplossing.’

Is álle kritiek op Israël antisemitisch? Dat hoor je steeds vaker.

Rabbijn: ‘Als het niet gaat over de politiek van Netanyahu maar over het bestaansrecht van Israël, dan is dat een soort antisemitisme tegen de enige Joodse staat in de wereld. Israël is in 1947 door de Verenigde Naties geaccordeerd. Over de grenzen kun je discussiëren, maar Israël heeft bestaansrecht. Wat ook zo is: Israël staat altijd op de voorpagina’s van alle kranten ...’

Imam: ‘… terwijl er zoveel problemen zijn in het Midden-Oosten, in Syrië, in Jemen, in allerlei Arabische landen, maar met Israël-Palestina bemoeit iedereen zich. Extremisten van beide kanten willen graag dat Joden en moslims nooit bij elkaar komen. Ik vind: die twee partijen moeten geholpen worden om in vrede naast elkaar te leven.’

Hoe moeten we dat voor ons zien?

Imam: ‘Als er wordt doorverteld dat wij in Amsterdam als Joden en moslims goed bezig zijn, dat we elkaar aardig vinden, misschien zeggen sommigen in Israël dan: goh, ik hoor goede geluiden, wat jullie daar doen is interessant, dat kunnen wij ook proberen.

Rabbijn: ‘Dat we de wereld gaan veranderen, lijkt me wat te hoog gegrepen, maar misschien kunnen we een bescheiden voorbeeldje zijn.’

De imam had het over extremisme aan beide kanten. Ziet u dat ook, rabbijn?

‘Ik zie op dit moment vooral de extremistische moslimkant.’

Extremisme kan ook betekenen dat je op Twitter dag in dag uit alleen maar rondpompt wat moslims fout doen. Sommige joodse mensen doen dat.

Rabbijn: ‘Klopt, die zijn er. Maar ik heb wel het idee dat er veel meer tolerantie is voor iedereen die een brok ellende over Israël uitstort dan voor Joden die kritisch zijn over moslims. Kritiek op Israël is salonfähig. Met name linkse politici hebben zich tegen Israël gekeerd, omdat Israël niet meer de underdog is.’

Is dat niet ook nogal generaliserend?

Rabbijn: ‘Je merkt een omslag in de sympathie van links, die gaat nu uit naar de Palestijnen. En wat je aan de andere kant ziet, is dat de PVV ontzettend Israël-vriendelijk is en daarmee Israël misbruikt om anti-moslim te zijn. Dat vind ik afschuwelijk. Bij de PVV zitten mijn vrienden niet, maar je zou bijna gedwongen worden om ze als vrienden te hebben want ze zijn tegen jouw vijanden. Dat zijn nu de krachten in het politieke spectrum en die vind ik verontrustend.’

Rabbijn Menno ten Brink en imam Marzouk Aulad Abdellah. Foto Ivo van der Bent

Zijn er Joden die vanwege het anti-moslimgeluid van de PVV en andere trumpachtigen naar rechts opschuiven?

Rabbijn: ‘Persoonlijk heb ik niets met de trumpachtigen en het grootste gedeelte van de joodse gemeenschap volgens mij ook niet. De meesten zitten in het midden, bij de VVD, de PvdA en de christelijke partijen, is mijn indruk.’

Ziet u dat dit soort generaliserend gedachtengoed – we moeten bang zijn voor moslims – lijkt op wat er eeuwenlang over Joden de ronde deed?

Rabbijn: ‘Natuurlijk. Er zijn mechanismen van uitsluiting, kijk naar de PVV die zegt: jullie horen hier niet, minder Marokkanen. Wilders heeft een rechtszaak aan zijn broek gekregen en terecht. Uitsluiting mag bij geen enkele bevolkingsgroep gebeuren, behalve bij mensen die zich keren tegen de fundamenten van onze rechtsstaat, of die nu links of rechts zijn.’

Rekent u het tot uw taak in deze kwestie iets te betekenen voor moslims?

Rabbijn: ‘Als er iets gebeurt in de moslimgemeenschap, een aanslag door rechts-extremisten of iets anders, dan moeten we onze stem laten horen. We doen dat al en het kan nog meer. Maar: dat is een reactie op dingen die gebeuren. Wij willen met elkaar juist proberen incidenten te voorkomen. Daarvoor moeten we niet óver elkaar maar mét elkaar praten.’

Tijdens zo’n gesprek zou het kunnen dat Aulad Abdellah vertelt over hoe hij en zijn vader vroeger in de Pijp weleens een man met een keppeltje tegenkwamen. Dan zei zijn vader: ‘Dat is een Jood en in Marokko wonen ook Joden. Zij geloven net als wij in de profeet Mozes en we moeten die mensen respecteren.’ Conclusie van Aulad Abdellah: ‘Opvoeding en onderwijs zijn belangrijk en we kunnen elkaar ook heropvoeden. Er zijn zoveel overeenkomsten tussen het joodse en het islamitische geloof, veel mensen hebben daar geen idee van.’

Er wordt wel gezegd dat er antisemitische passages in de Koran staan.

Imam: ‘Mensen die dat zeggen, halen dingen uit hun context. Elke uitspraak wordt in een bepaalde tijd gedaan, in bepaalde omstandigheden. Daar moet je rekening mee houden.’

Rabbijn: ‘Er was sprake van samenwerking tussen moslims en joden, maar er zijn ook joodse stammen overheerst door de islam. Er zijn goede en slechte voorbeelden.’

Imam: ‘Toen onze profeet van Mekka naar Medina ging, trof hij daar verschillende joodse stammen aan. Hij zorgde ervoor dat hun rechten en plichten in de grondwet van Medina werden opgenomen. Daaraan kun je duidelijk aflezen dat de joodse gemeenschap een belangrijk onderdeel was van de islamitische samenleving.’

Rabbijn: ‘En die stammen mochten joods blijven?’

Imam: ‘Zeker, ze mochten hun eigen religie beleven. Niemand kon hen dwingen zich te bekeren tot de islam. De grondwet van Medina is in de moslimgemeenschap bijna vergeten, maar ik wil dat veranderen.’

In Medina heeft jullie profeet de islam voor het eerst vormgegeven, dus dat is wel belangrijk.

Imam: ‘Dat is héél belangrijk.’

Rabbijn: ‘Ik waardeer dit en toch, als je kijkt naar de islamitische landen waarin Joden leefden, dan zijn we altijd tweederangsburgers geweest. Dat was zo in het vroegere Babylonië en later tijdens de islamitische staat in Spanje en Portugal. Onder islamitisch bestuur hadden Joden altijd de zogeheten dhimmistatus, waardoor we bijvoorbeeld extra belasting moesten betalen.’

Imam: ‘Dat moet zo gezien worden: moslims moesten ook geld betalen aan de staat, zakat en sadaqa. Dus niet-moslims moesten dat ook. Het was niets discriminerends. Joden hebben in de islamitische tijd in Spanje en Portugal hoge functies bekleed.’

Rabbijn Menno ten Brink en Imam Marzouk Aulad Abdellah Foto Ivo van der Bent

Rabbijn: ‘Ik had het over een extra belasting. Maar het is waar, er is een enorme uitwisseling van kennis geweest.’

Imam: ‘Ze hebben eeuwenlang samengewoond, in Marokko zelfs tweeduizend jaar. Er gebeurden wel vervelende dingen, zoals in elke familie, maar er was geen haat. Het was niet zoals in Europa, waar de geschiedenis van de Joden dramatisch is geweest.’

Rabbijn: ‘Toen de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog vroegen om de uitlevering van de Joden, heeft de koning van Marokko gezegd: ‘Blijf van onze Joden af, ik ken alleen maar Marokkanen, ik maak geen onderscheid.’ Dat was echt prima.’

Toch zijn na de stichting van de staat Israël veel Joden weggegaan uit Marokko. In 1947 woonden er 350 duizend, nu zijn er nog maar een paar duizend over.

Imam: ‘Ze zijn er niet uitgezet. Ze zijn vrijwillig weggegaan.’

Rabbijn: ‘Er was in Marokko oppressie en die gold voor iedereen. Toen Israël er kwam als uitwijkmogelijkheid, zijn veel Joden vertrokken.’

De laatste jaren komen veel Marokkaanse Joden uit Israël terug in Marokko.

Imam: ‘Ja, dan gaan ze naar de graven van hun geestelijken. De moslims bezoeken die graven ook, ze respecteren die graven. Er was nooit haat tegenover joodse Marokkanen. Wat ontbreekt bij veel Joden en moslims in Europa is kennis van de geschiedenis.’

Tijdens hun opleiding tot geestelijk leider maakten de imam en de rabbijn allebei kennis met andere religies. Ten Brink weet dus iets van de islam en Aulad Abdellah van het jodendom. Ze filosoferen over de overeenkomsten. Ten Brink hecht aan het principe van Hillel, een van de grondleggers van het rabbijnse jodendom: ‘Hou van de ander als van jezelf.’ Het inspireerde hem tot het contact met moslims en hij ziet het terug in de islam.

Aulad Abdellah knikt. ‘Er zijn in de Koran zoveel verzen die moslims aanmoedigen in contact te komen met andersdenkenden. Het is een belangrijk uitgangspunt in alle drie de monotheïstische religies, alles gaat over vrede stichten. Het probleem zijn niet de religies, maar de mensen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.