zin van het leven oud-minister en soefi johan witteveen

‘Denken is oppervlakkig, voelen brengt je naar je ziel’

Johan Witteveen. Beeld Jitske Schols

‘Pas na de dood krijg je inzicht in allerlei aspecten van je leven en hoe dat is verlopen.’ Soefi Johan Witteveen neemt Fokke Obbema mee op een reis door dimensies.

Op de sofa in zijn Wassenaarse villa met uitzicht over weilanden geniet hij van de aanblik van een ganzen­familie. ‘Kijk, twee volwassenen en vijf kinderen’, merkt hij verheugd op, midden in het gesprek. ­Dagelijks volgt hij wat er mondiaal op politiek en economisch vlak gebeurt, daartoe leest hij de NRC en The New York Times: ‘Een mooie combinatie.’ Een wandeling van een kwartiertje rond zijn huis lukt hem nog. Ook kijkt hij uit naar juni, wanneer een twaalfdaagse cruise rond IJsland in zijn agenda staat. De secretaresse van zijn zoon zal hem begeleiden.

Op 97-jarige leeftijd heeft Johannes Witteveen vrijwel alle leden overleefd van de twee naoorlogse kabinetten waar hij als VVD-minister van Financiën deel van uitmaakte. Op de maandelijkse lunch van het kabinet-De Jong (1967-1971) zijn nog maar twee andere deelnemers, allebei jonger dan hij. Na zijn ministerschappen volgde zijn mooiste baan: topman van het IMF in Washington (1973-1978). Tot besluit van zijn loopbaan vervulde hij een groot aantal commissariaten.

Witteveen is in zijn lange leven altijd méér dan politicus en econoom geweest. Zijn ouders behoorden tot de eerste generatie van de soefibeweging, die na de Eerste Wereldoorlog werd opgericht door Inayat Khan. Die Indiase mysticus droeg het ‘universeel soefisme’ uit. Dat is gericht op het verbinden van oosterse en westerse religies, die, constateerde Khan, een geloof in de goddelijke geest, liefde, schoonheid, harmonie en geestelijke vrijheid delen. Het soefisme wil verbinden, maar schuwt het overtuigen van anderen – andere religieuze opvattingen dienen altijd te worden gerespecteerd.

Witteveen maakte deel uit van het hoogste soefibestuur en ging tot voor kort voor in ceremonieën in de tempel in Katwijk. Zijn vrouw maakte eveneens deel uit van de beweging. ‘Zij heeft als 6-jarige Inayat Khan nog persoonlijk ontmoet’, zegt hij, met ontzag in zijn stem. Zij overleed in 2006. Ook twee kinderen leven niet meer, onder wie zoon Willem, hoog­leraar en PvdA-senator. Hij kwam met zijn vrouw en dochter om bij de aanslag op vlucht MH17.

Wat is de zin van ons leven?

‘Ik ben geneigd de mensheid te zien als het hoogtepunt van de hele schepping. Daarin probeert een goddelijke geest zich steeds meer uit te drukken. Een mooie soefi-uitspraak daarover luidt: ‘De goddelijke geest slaapt in de rotsen, ontwaakt in de planten, begint zich bewust te worden in de dieren en komt tot het hoogste bewustzijn in de mens.’ De zin van ons leven is dus om een bewustzijn van dat goddelijke te ontwikkelen. Voortdurend ons bewust zijn dat we in die prachtige schepping verkeren en beseffen dat daarin een goddelijke geest werkt, dat is de zin. Die geest kunnen we herkennen aan alle schoonheid, die vormt de uitdrukking ervan. Als mens kun je zelf ook iets van die schoonheid uitdrukken.’

Heeft de mensheid in de 97 jaar van uw leven in dat opzicht vooruitgang geboekt?

‘De vooruitgang kunnen we vooral zien bij die mensen die werkelijk tot dit bewustzijn zijn gekomen. Ik denk dan aan de boodschappers die religies hebben gesticht. Die hebben niet alleen een schitterende visie van de goddelijke geest weten te geven, maar hebben die ook voorgeleefd, waardoor ze veel mensen hebben ­weten te trekken. Ik denk dan aan ­iemand als Inayat Khan, die de soefi-beweging heeft gesticht en die zeer inspirerend was. Ik heb hem niet gekend, maar wel zijn broers. In hen heb ik veel van de goddelijke geest gezien. Maar bij alle religies komen heilige mensen voor, in allerlei gradaties.’

Heeft u ooit aan die goddelijke geest getwijfeld?

‘Dat doet iedereen wel, denk ik. Maar ik ben dankzij mijn ouders al vroeg door het soefisme aangeraakt. Op mijn 18de werd ik al ingewijd in de ­innerlijke school van de beweging. Dat vereiste veel gebed en meditatie. Dus toen ik in 1940 ging studeren, was ik er volop mee bezig. Ik heb niet die twijfels gekend die veel medestudenten toen hadden. Ik heb veel met christelijke studenten gesproken. Maar als soefi wil je nooit iets weg­nemen van iemands geloof, dat moet je koesteren.’

Wat spreekt u zo aan in het soefisme?

‘Niet alleen de visie op het leven zelf, maar ook op het leven na de dood. Dat vond ik overtuigend. Als je hier sterft, begint er een nieuwe fase. Het ­lichaam laat je achter, de ziel leeft voort met zijn geheugen en al zijn ervaringen. Hij gaat dan verder met de opdracht het goddelijke uit te drukken en uiteindelijk kom je tot eenheid met de goddelijke geest. Dat heb ik altijd een prachtig beeld gevonden. Ik heb dat meegekregen uit de gesprekken die mijn ouders voerden met hun soefi-vrienden.’

Waarom vindt u dat beeld overtuigend?

‘Waar komen we vandaan en waar gaan we heen? Dat zijn de fundamentele vragen waarop een mens antwoord wil. Inayat Khan heeft daar zeer heldere en positieve antwoorden op geformuleerd. Veel mensen in deze tijd hebben dat geloof helemaal niet. Die denken dat er niets is. Of ze denken er helemaal niet over na. Dat heb ik altijd erg onbevredigend gevonden.’

Veel natuurwetenschappers zien het ontstaan van leven als een toevallige samenloop.

‘Ja, buitengewoon onbevredigend, vindt u niet? Achter die visie schuilt ook een geloof, namelijk dat het uitsluitend gaat om wat we materieel kunnen zien en verklaren. Maar er is ook zoiets als de geest. Alleen wordt die buiten de verklaringen gehouden, omdat die ontastbaar is. Maar dat betekent niet dat hij geen rol speelt.

‘Voor die wetenschappers is het ontstaan van de aarde toeval, maar voor mij bestaat dat niet. Wanneer over toeval wordt gesproken, is dat voor mij een indicatie dat een andere macht aan het werk is, namelijk die ene, almachtige geest. Die sluit ieder toeval uit. Hij ziet gevolgen die wij niet kunnen zien. Die ene geest werkt ook in ons, iedereen heeft een roeping die je moet zien te volgen. In mijn leven kan ik dat duidelijk zien.’

Waar denkt u dan aan?

‘Waarom ben ik in 1973 managing-­director van het IMF geworden? In eerste instantie reageerde ik daar afhoudend op. Kort daarna kreeg ik een uitnodiging die ik nooit eerder had gekregen, namelijk voor een economische conferentie in Washington. Toen ben ik op bezoek gegaan bij het IMF en ben ik het als een geweldige kans gaan zien. Dat ik die uitnodiging kreeg, was voor mij geen toeval. Er werd op dat moment leiding aan mijn leven gegeven.’

Hoe ziet u in dat licht een andere grote gebeurtenis in uw leven, het omkomen van uw zoon Willem?

‘Ik heb dat vanaf het begin opgevat als iets dat ik moest accepteren, opdat het zijn zin zou hebben. Dat heeft mij goed gedaan. Ik heb het aanvaard, het was iets waar ik verder toch niets meer aan kon doen en ik ben verder gegaan met mijn leven. Ik zie het als iets dat belangrijk is voor de relatie die je tot die ene geest hebt. Die leer je ook dan als leidend te accepteren. ­Gebeurtenissen die pijnlijk en onaangenaam zijn, kunnen toch hun zin hebben.’

Welke zin ziet u in dit geval?

‘Dat is niet iets waar wij achter kunnen komen. We zien altijd maar een klein stukje van het geheel. Ik weet alleen dat vlak voordat Willem op het vliegtuig stapte, hij net een manuscript bij zijn uitgever had ingeleverd. Dat was afgerond, dat is mooi. (stilte) Blijkbaar was het voor hem toch zijn tijd, al kunnen we niet doorgronden waarom dat zo moest zijn. Ik ben ervan overtuigd dat hij leeft in die andere wereld die we na de dood betreden.’

Waarom krijgen we geen zicht op het grotere geheel?

‘Dat zou niet goed zijn, dan zou het helemaal in de war raken. Nee, zo werkt het niet. Pas na de dood krijg je inzicht in allerlei aspecten van je leven en hoe dat is verlopen. Die brengen je weer een stap verder. Je wordt dan beoordeeld ‘vanuit je eigen hart’, zoals Inayat Khan zegt. Dus niet door een hogere autoriteit, nee, je gaat zelf zeggen: ‘Dat was niet goed, dat was wel goed’.’

Leestip

‘De eeuwige wijsheid van Aldous Huxley. Midden in de Tweede Wereldoorlog ging de Brit Huxley op zoek naar wat de grootste gemene deler is van religies. In dit boek put hij uit een grote variëteit aan oosterse en westerse bronnen. Huxley was geen soefist, maar dit werk sluit helemaal aan bij het soefisme. Een boek gericht op het willen begrijpen waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren.’

Doet u dat niet nu ook al?

‘Ik kan dat nu nog niet zeggen, want ik probeer ook nog zaken goed te krijgen, met name soefi-activiteiten. (stilte) Er zijn wel enkele zaken waar ik spijt van heb. Ik heb bepaalde belangrijke ontwikkelingen in de leiding van de beweging niet goed gedaan. Mijn vriendelijke aard heeft enkele keren de overhand gekregen, waardoor ik sommigen te veel ruimte heb gegeven. Daar ga ik verder niet over uitweiden. Ik probeer dat nog te herstellen.’

Ziet u een toekomst voor religies?

‘Ik denk dat godsdiensten zich meer op de mystiek moeten richten. Mensen hebben geen behoefte aan dogma’s. Wat hen wel raakt, is beleving. Daar ligt de eenheid van religieuze idealen, in de beleving van het goddelijke. Met ons denken willen we dat helder krijgen, maar dat werkt niet, dan raak je de goddelijke geest juist kwijt. (lacht) Denken is oppervlakkig. Voelen gaat veel dieper, dat dringt door tot in je ziel. En dat is het ware ­leven.’

Tot je ziel doordringen geeft het leven zin?

‘Je moet je van hem bewust worden, want dat is het goddelijke in ons. Juist wanneer je even niet actief bent met je verstand, lukt dat soms. Dat ik hier zit op een prachtige ochtend, terwijl de zon schijnt, dan voel ik de schoonheid van die goddelijke geest. Dat is armzalig in woorden uitgedrukt, maar ik voel dat diep. Dat contact moeten we voortdurend pogen te vinden. Alleen is dat moeilijk. Zoals je oog van alles kan zien, behalve je oog zelf, zo is dat met je ziel.’

Ziet u uit naar de dood?

‘Nee hoor, ik vind het leven nog interessant, ik heb er geen haast mee. Ik leef zolang het nodig is. Zolang ik nog een taak voor mezelf zie.’

U komt na uw dood wel uw geliefden weer tegen – uw vrouw, uw zonen.

‘Jawel, maar ik weet toch niet precies hoe dat zal zijn. En wat hier is, dat weet ik wel. Dat vind ik het moeilijke eraan. Ik heb er vertrouwen in dat het mooi zal zijn. Maar het kan best nog even wachten.’ 

De zin van het leven

Na een hartstilstand, die hem tussen dood en leven deed zweven, gaat Fokke Obbema op zoek naar antwoorden op die aloude vraag: waartoe zijn wij op aarde? In een serie interviews gaat hij daarover het gesprek aan met mensen met zeer diverse beroepen en achtergronden. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.