Interview

De zes vluchten van vliegende keep Stanley Menzo

null Beeld Robin de Puy
Beeld Robin de Puy

De luchtgeest is de talisman van Stanley Menzo (57), de oud-keeper die ooit vooral piloot wilde worden. Hij blikt met ons terug, op een rampvlucht, vele vluchten op en buiten het veld, en die ene vlucht die te laat kwam.

Stanley Menzo is een mooi weer-vlieger, als vliegenier. Dat winderige en onstuimige ligt hem niet zo, hij houdt van lekker relaxed. Met turbulentie kun je wel ontspannen vliegen, maar het is toch anders, ben je met zoveel dingen tegelijk bezig. Heb je een luchtzak, moet je corrigeren, opstijgen met crosswind, landen met crosswind, ga zo maar door. Doe hem maar een mooie zomeravond, windstil, amper thermiek, in zo’n eenmotorig vliegtuig voor 4 personen. Dan is het vliegend, alsof je door een pak boter glijdt, zo heerlijk... hangen... in de lucht...

Op zijn rechterarm heeft hij een tattoo van een adelaar, een verwijzing naar zijn Surinaams-Afrikaanse geloof, Winti. De adelaar is het symbool van één van de vier winti’s, de luchtgeest. Moeder Wiene zei hem ooit dat hij daarom zo van vliegen houdt, vanwege de luchtgeest, zijn talisman. Vliegen als terugkerend facet in zijn leven, in vogelvlucht bekeken, ook in spirituele zin.

Hij toont een stukje adelaar, gezeten aan tafel in zijn huiskamer in Diemen, en hij lacht zijn tanden bloot, met het karakteristieke spleetje tussen zijn tanden. Hier, in het huis dat voorheen behoorde aan de Finse voetballegende Jari Litmanen, woont hij met zijn derde vrouw Sunniva en hun 11-jarige zoon Shay. Tenminste, tussendoor, nu hij is aangesteld als technisch-manager en interim-bondscoach van de voetbalbond van Aruba, en daar regelmatig poolshoogte neemt. Uit twee eerdere relaties heeft hij drie dochters.

Als je drie Europacupfinales in de benen hebt, lijkt het alledaagse een wereldvreemd decor. Net was hij te vinden in de keuken, waar Nelson Mandela vanaf de muur toekijkt, en stond hij oog in oog met een voor hem onbedwingbaar Nespresso-koffieapparaat, waarna hij besloot thee te zetten voor het bezoek. Even daarvoor kon je hem in de buurt zien wandelen met zijn twee dwergkeeshondjes. Daar liep dan ​de S​tanley Menzo, de legendarische keeper van vooral Ajax, een beetje ongemakkelijk, dwarsgezeten door versleten gewrichten, onvermijdelijk na zo’n lange voetballoopbaan.

Stanley Purl Menzo (1963, Paramaribo) was een vliegende keep, zo noem je dat, een doelverdediger die zich niet liet beperken door zijn doelgebied, maar gedecideerd en vol vuur zijn vleugels uitsloeg en fungeerde als een extra veldspeler. Een keeper die naam maakte met onnavolgbare reddingen, en soms onbegrijpelijke missers. Hij was ook een van de eerste voetballers die vertelde over het ongebreidelde racisme waarmee hij in voetbalstadions werd geconfronteerd. Daardoor werd hij een rolmodel en een doelwit, gegoten in één speler. Als hij uit speelde, was de kans aanwezig dat de wedstrijd later begon omdat eerst het strafschopgebied moest worden ontdaan van de naar hem geworpen bananen. Vele zwarte spelers kregen per brief doodsbedreigingen uit extreemrechtse hoek, maar hij trad ermee naar buiten. Actief was hij van 1983 tot 2002, als keeper van onder meer Ajax, PSV, Oranje en Lierse SK. Tegenwoordig is hij trainer-coach, en vervolgt hij na Nederlandse clubs en klussen in Zuid-Afrika en China, zijn loopbaan in Aruba. Over hem is deze week een biografie verschenen van Mike van Damme, ​Menzo - het gevecht onder de lat.​

Hij ziet zichzelf weer zitten, met een KLM-speldje op zijn borst, de eerste keer in zijn leven in het vliegtuig, in 1971. Van Paramaribo naar Amsterdam, met zijn moeder en zusje, de emigratie naar Nederland. Hij zat aan de rechterkant, en had al in de cockpit mogen kijken. Er gebeurde wat met hem, zo zegt hij het, ongelooflijk, dat zo’n gevaarte in de lucht kon blijven. Wat hij zich ook herinnerde: hij hoorde de stewardess iets vreemds omroepen. Of beter gezegd, hij verstond het niet helemaal: bom... aan boord... Niemand reageerde, dus blijkbaar was er niets aan de hand. In 1974 zat hij weer in een vliegtuig, nu op vakantie naar Suriname, en toen wist hij het zeker, als 10-jarige: hij wilde later piloot worden. Dat vrije gevoel, als hij naar buiten keek, die lucht.

Als beroepsvliegenier viel hij af, maar toen hij bij Ajax en de jeugd van het Nederlandse Elftal voetbalde, mocht hij wel professioneel, zij het als passagier, veelvuldig de lucht in. Finland, Wales, met kleine vliegtuigjes, hij zag de koffers achterin het toestel liggen. Dat hij vanwege een blessure niet mee kon naar het jeugd-WK in 1983 in Mexico, vond hij vooral jammer vanwege de vluchten die hij zou missen naar Mexico en terug. Tien, twaalf uur vliegen, daar had hij naar uitgekeken. Hoe langer in de lucht, hoe beter.

Als hij met Ajax ging vliegen vanwege Europacup-wedstrijden had hij zo zijn vaste routine: subiet linksaf de cockpit in van de A310 van Martinair, op naar zijn gereserveerde stek achter de piloot en copiloot. En dan maar kijken, naar de samenwerking in de cockpit, hoe ze die kist van de grond krijgen, van A naar B te vliegen. Hoe ze gaan landen, in de mist, dat je alleen de pijpen van de Hoogovens ziet, met nul meter zicht. Dat is gewoon poëzie, anders kan hij het niet noemen.

Dat heeft hij nog steeds, en als het even kan, en ze herkennen hem als Stanley Menzo, de bekende keeper, dan sneakt hij de cockpit binnen. Het gekke is, dat als hij niet voorin zit, hij ook meeleeft met de piloten, hij weet wat ze gaan doen, wanneer ze gaan roteren. En als het landingsgestel uit gaat, zegt hij hardop, gezeten in zijn passagiersstoel: ​gear down. ​Zelf vliegen doet hij nu niet meer; te duur, zegt hij, te weinig tijd, tot zijn spijt. Je kunt hem wel achter de flight simulator vinden, manoeuvrerend achter de beeldschermen.

null Beeld Robin de Puy
Beeld Robin de Puy

Ook toen hij keepte, was hij zich bewust van zijn luchtgeest, een talisman die hem beschermde. Denk maar eens aan de gewonnen UEFA-cup-finale van 1992 tegen Torino. Vloog de bal drie keer op de lat en de paal, en hij keek ernaar, de bal ging er niet in. Hij wist, er was meer op dat moment, buiten zijn bereik, het werkte voor hem.

Je kunt niet zeggen dat de luchtgeest het laat afweten, als je verliest, of als het tegen zit. Zo werkt het niet. Daarvoor gaat Stanley Menzo terug naar een van de meest tragische momenten uit zijn voetballoopbaan, op 3 maart 1993 in en tegen Auxerre in de kwartfinale van de UEFA-cup. Bij een corner sloeg hij de bal in zijn eigen doel; Ajax verloor de wedstrijd en hij zijn basisplaats.

Had hij dan achteraf moeten zeggen dat zijn beschermengel het toen liet afweten? Dat de luchtgeest er niet was, op het moment dat hij de lucht inging om de bal weg te stompen? Nee, dat zeg je dan niet. Je hebt soms geluk, of ongeluk, dat speelt ook mee, of je bent niet scherp. Wat het ook geweest kan zijn, dat er voodoo in het spel was, door een speler van de tegenpartij, in dit geval Pascal Vahira, afkomstig uit Tahiti. Ja, dat hoorde hij later van een Surinaamse vriend. Dat kon zijn ingezet door de familie van Vahira, in die wedstrijd, niet speciaal voor hem hoor.

Maar ja, wat had hij eraan, achteraf. Hij was zijn plek onder de lat kwijt geraakt: voortaan werd Edwin van der Sar opgesteld door de toenmalige trainer Louis van Gaal.

Je kon hem in die periode horen zeggen, inmiddels in het bezit van een vliegbrevet, dat hij het fijn vond om een stukje te gaan vliegen, hoog in de lucht.. lekker vrij.... Weg van alle sores. Zijn moeder zei hem dat hij zich niet zo druk moest maken, hij had niemand pijn gedaan of vermoord. Een fout maken in je werk kon iedereen overkomen.

Het moest zo gaan, zegt hij nu. Was hij in het doel blijven staan, had-ie misschien bij de volgende wedstrijd wel zijn been gebroken. Het ging toen ook niet echt lekker thuis, met zijn eerste vrouw, hij ging stappen, er waren andere dames, alles bij elkaar, zeg maar, al die spanningen. En Van Gaal zag de twijfel in zijn ogen. Een jaar eerder had-ie het ook al verbruid in het Nederlandse Elftal.

Dan zit je dus gewoon tegen je lot aan te kijken.

Bovendien: zoals Johan Cruijff als Ajax-trainer in 1985 op zijn pad was gekomen, zo was nu het moment aangebroken voor Van der Sar om verkozen te worden door een andere coach. Zijn beschermengel werkte voor hem. Dat zijn bewegingen, dat gebeurt. ​Johan, ​zo zegt hij het met zachte stem, Johan, had de kracht om de kracht van de persoon te gebruiken, waardoor je als keeper-zijnde, als Stanley Menzo, die kracht voelde. Anders gezegd: hij zag het in hem zitten, Menzo werd een vliegende keep, en Cruijff ging achter hem gaan staan, als zijn talisman, zijn beschermengel. Als je aan Stanley kwam, kwam je aan Johan, zo ervoer hij dat. Hij hoefde maar naar zijn trainer te kijken, om te weten dat het goed zat, dat hij zich veilig voelde - en dat wil elke keeper.

Je niet veilig voelen, daar werd in zijn tijd als keeper nooit over gesproken. En dan bedoelt hij het moment dat hij het veld opliep, dat hij vanuit de kleedkamer het vijandige, volle stadion binnen kwam. Wat hij altijd dacht: je moet een stadion stil krijgen. Je moet zorgen dat ze niks over jou kunnen roepen of zeggen, want je weet dat ze vijandig zijn. Fluiten, joelen, en vooral: oerwoudgeluiden.

Hij wilde het liefst met het hele team het veld opgaan, tegelijkertijd dus, dan richtte het zich niet zo tegen hem, voor zijn gevoel. Maar ja, dan liep hij alsnog alleen richting het doel, en barstten de scheldkanonnades al los, kankeraap, pleurisjood, baviaan. Al die jaren ging het maar door, oerwoudgeluiden, de bananen en fruit die hem naar het hoofd werd gegooid. In dezelfde jaren doken er herhaaldelijk verwijzingen naar gaskamers op in supportersgezang, net als aanhoudend gesis, alsof er gas ontsnapte. Door merg en been ging het. Zijn vader Baltus kon het niet aanhoren, die kwam nooit meer kijken.

Menzo accepteerde het, het klinkt raar nu, maar hij kon niet anders, hij moest zijn werk doen, gewoon, zoals het hoorde. Als het hem nu zou overkomen, zou hij het veld aflopen, allemaal trouwens, alle teams, alle voetballers. Maar toen zei niemand wat, het gebeurde gewoon, het was geen onderwerp van gesprek. Het was een vlek op een grote lap, en die vlek ging er niet uit. Het waren de dagen dat hij bij de sinterklaasviering in de speeltuin Zwarte Piet speelde.

Twee keer sloeg hij iemand voor zijn kanis, na weer een belediging, na de wedstrijd. Na een racistische opmerking van een tegenstander, trok hij van woede een kleedkamerdeur uit zijn sponning. Dat waren momenten dat de emmer overliep. Kijk, als iemand in een boze reactie hem een kutneger noemt, dan kan dat, maar als iemand het herhaalt, dan weet je eigen dat iemand je bewust pijn doet, dan ben je ziek.

Zijn oudste dochter Cherish, professioneel en geëngageerd danseres, vroeg zich af waarom haar vader zich toch niet uitsprak, publiekelijk, zoals vorig jaar gedurende de Black Lives Matter-protesten. Of toen er voetbalwedstrijden werden gestaakt, vanwege racisme. Hij is toch een bekende zwarte sporter. Surfend op internet vond ze beelden uit de jaren tachtig van haar vader die werd belaagd, in die jaren, en vooral: hoe hij zich uitsprak, toen er nog amper voetballers zich uitspraken. Het ontroerde haar, ook omdat zij het nooit had geweten. Simpel, zegt Menzo, thuis hoefde niemand dat te weten. Hij hield dat weg van zijn gezin, hij wilde hen niet belasten.

Je ondergaat je eigen lijdensweg, zo zag hij dat, en daar voelde hij zich zeer eenzaam in. Laat toch gaan, zei een medespeler, of: kom op, man, negeer het. Ook andere zwarte spelers voelden niet de aandrang om er iets van te zeggen. Daardoor ging hij aan zichzelf twijfelen. Was hij nou zo gevoelig? Was hij wel normaal? Alles hoopte zich op in hem: als hij dan een fout zou maken, zou het allemaal erger worden, en daarom verkrampte hij, werd hij steeds zenuwachtiger. Hij was toch al een perfectionist.

***

Hij was die avond uit geweest, in Paramaribo, en lag net drie uur in bed, de warmte hield ’m uit zijn slaap. Opeens hoorde hij een kreet, een uitroep, en zijn oom stond in zijn kamer: er is een vliegtuig neergestort, van SLM, op Zanderij, met het Kleurrijk Elftal. Slaapdronken liep hij naar beneden, Menzo geloofde het niet, waarom zouden die jongens om vijf uur ’s ochtends aankomen? Die waren gewoon gisteren aangekomen, in de middag of in de avond, die lagen nu lekker in hun bedje. Twee dagen eerder was hij zelf geland in Paramaribo, samen met zijn vrouw en dochtertje. Hij zou niet meedoen aan het vriendschappelijk voetbaltoernooi van het Kleurrijk Elftal in Suriname. Net als bij andere bekende voetballers met Surinaamse roots, zoals Ruud Gullit, en Frank Rijkaard, gaf de club geen toestemming, uit angst voor blessures. Maar ja, had Menzo gedacht, als hij er toch was, zou hij toch even in het doel gaan staan.

Bij de ramp kwamen 167 passagiers om, van wie 15 voetballers. Zijn kamergenoot bij Ajax, tweede keeper Lloyd Doesburg, was een van hen. Het is een wazig geheel, zegt hij, denkend aan juni 1987, hij ziet zichzelf weer het ziekenhuis in lopen, langs familieleden van slachtoffers. Hij trof zijn moeder Wiene, die ook in Paramaribo was, huilend aan.

Sigi Lens, één van de drie voetballers die het overleefde, spreekt hij bijna wekelijks, hij woont zelfs bij hem in de buurt in Diemen. Maar nooit snijden ze dit onderwerp aan, dat doe je niet, zegt hij, want het is toch een trauma. Natuurlijk wil hij weten hoe het in het vliegtuig was geweest, maar hij durft er niet naar te vragen. Echt, hij heeft alles gelezen over de ramp, ook op vliegtechnisch gebied. Wat hij ervan kan zeggen is dat alles tegen zat: piloten met ontbrekende brevetten en vervalste papieren, onverklaarbare vertraging, verkeerde inschatting van de hoogte, drie mislukte landingspogingen en de mist. Alles zat tegen.

Een half jaar na de vliegramp ging hij zijn vliegbrevet halen. Zijn moeder dacht dat hij gek geworden was. De knop moest om, hij was blij dat hij van Ajax toestemming had gekregen, en zich ergens anders op kon concentreren. Kort na de ramp waren er regelmatig momenten dat het hem erg aangreep, dat hij een terugval had. Hij sliep altijd in een kamer met Lloyd Doesburg, en opeens lag daar zijn vervanger. Die kon er ook niks aan doen, maar het klopte niet.

En dan moesten de emotioneelste momenten nog komen, in confrontaties met supporters van de tegenpartij. Hij verschuift op zijn stoel, als hij terugdenkt aan een uitwedstrijd in Den Haag, en er werd gezongen: Menzo heeft het vliegtuig gemist, Of de hele tijd: SLM, SLM, SLM. Supporters die het geluid van een neerstortend vliegtuig imiteerden. Verschrikkelijk, dat je zo er op uit bent om een ander mens pijn te doen, zegt hij hoofdschuddend.

null Beeld Robin de Puy
Beeld Robin de Puy

Menzo zit in de keuken en zet zijn tanden in de door Sunniva vers gesmeerde broodjes. Nog een paar dagen en het gezin vertrekt naar Aruba, het volgende voetbalavontuur. In China was hij coach van het tweede elftal van Beijing Guoan, maar hij was blij dat hij in december 2020 terug was in Nederland. Het laatste jaar was moeizaam, gedomineerd door de coronacrisis, verwijderd van zijn familie.

En juist toen hij eindelijk in China met Sunniva en Shay was herenigd, kreeg hij een telefoontje van zijn vader Baltus, vanuit het ziekenhuis: Het gaat niet meer, Stan. Moet ik komen, vroeg hij. En waar zijn vader normaal benadrukte dat het allemaal goed zou komen, zei hij nu: Ja, is goed.

Niet de eerste beste nachtvlucht van Peking naar Amsterdam nam hij, maar één vlucht later. Toen hij aankwam en zijn telefoon aanzette, was zijn vader overleden. Het appje van zijn zus, ‘Kom nu!’, had hem in de lucht niet bereikt. Onderweg was het hem wel door zijn hoofd geschoten, O, als ik maar niet te laat ben, ik wil nog even met hem spreken.

Zijn vader was een stille man, die zich zelden uitte over zijn zoon. Na zijn dood hoorde hij van ouwe vrienden hoe trots hij op hem was geweest dat hij op bijzondere wijze de naam Menzo wereldwijd verspreidde. En dat heeft hij nu eigenlijk zelf ook wel, als 57-jarige, terugkijkend op zijn loopbaan. Hij is trots op wie hij is geweest en is geworden. Hij is trots om Stanley Menzo te zijn. Op die naam, op de persoon die erachter zit. Mocht hij twijfelen, dan is er Sunniva, die het hem op het hart drukt: je bent dan wel ouwer, je bent nog steeds Stanley Menzo, je hebt nog steeds die naam.

Zijn zoon Shay begint nu ook in de gaten krijgen dat zijn vader een bijzondere verschijning is geweest, een keeper van naam en faam. Doordat er mensen op straat zijn vaders handtekening wilden, of hij op televisie werd geïnterviewd, ging er wel een belletje af bij zijn zoon. Dan vroeg hij aan zijn moeder: Is papa soms een bekend persoon? Nou ja, toen is dat ventje gaan googelen, en had hij het in de gaten. Nu weet ie wie zijn vader is, Stanley Menzo, de vliegende keeper van weleer.

Ja, zijn zoon voetbalt ook. Hij mag dan geen groot talent zijn, hij is wel groot en sterk. Maar een keepertje? Nee, hij hoeft het niet te doen om zijn vader te behagen. ​Nee. Nee.​ Weet je wat hij tegen zijn zoon heeft gezegd? Als je je vader echt trots en blij wilt maken, moet je piloot worden. Dan is zijn leven rond. Dan is je papa de gelukkigste papa van de wereld. Dat is het ultieme.

CV Stanley Menzo

15 oktober 1963 Geboren in Paramaribo

1971 Verhuist naar Nederland

1983 Ajax

1983 Verhuurd aan Haarlem

1984 Debuut bij Ajax

1987 Winnaar Europacup II

1989–1992 Zes interlands Oranje

1992 Winnaar Uefa-Cup

1994 naar PSV

1996 Lierse SK

1997 Bordeaux

2001 Einde keepersloopbaan

2002-2016 Trainde onder meer AGOVV, ­Volendam en Lierse SK

2016 Jeugdopleiding Ajax Cape Town

2019 Trainer Beijing Guoan B

2021 Verbonden voetbalbond Aruba

2021 Bij uitgeverij Nieuw Amsterdam verscheen van Mike van Damme ​Menzo – het gevecht onder de lat​

Stanley Menzo heeft drie dochters en een zoon, uit drie verschillende relaties.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden