De wortels van het oude

Een halve eeuw geleden verhuisden stromen Nederlanders naar een nieuwe wereld, om daar hun geluk te beproeven. Kunnen ze nog terug nu ze niet meer hoeven te werken?...

'WE HOEVEN niet zozeer weer terug', zegt Wietske Westerdijk. 'De kinderen en de kleinkinderen zitten hier. Na Henry is er eerst nog een Robbert gekomen. En toen Marijke. Die woont in Perth; dat is drie dagen en nachten met de trein.'

Haar man, Henny, staat moeizaam op. Zonder wandelstok moet hij zich even aan de tuinbank vasthouden. 'Kom mee', zegt hij. 'Ik moet je nog wat laten zien.' Hij loopt naar de achterkant van de royale bungalow en om de schuur heen.

Even staat de gast uit Friesland met zijn ogen te knipperen. Want wat hij hier ontwaart, bij Gosford in New South Wales, na een tocht uit Sydney met een sportvliegtuig en enkele uren met een auto langs kurkdroge heuvels, open velden en bossen, lijkt het summum van surrealisme.

Hoog oprijzend uit het dorre landschap van Australië staat achter een schuur een heuse Lemster aak te schitteren in de namiddagzon. 'Je ziet het goed', zegt Henny zonder blikken of blozen. 'Ik heb alles dubbel zo sterk gemaakt. Er zit een loodzware kiel onder van veertig duimen. Een aak op een groot water als de Indische Oceaan kan maar beter niet met zwaarden zijn uitgerust.'

Een oceaanwaardige boot als verzekering tegen heimwee. De 'Friese Droom' als een soort Ark van Noach voor het geval de roep van it heitelân onweerstaanbaar mocht worden. Het zal niet gebeuren, want de kinderen en kleinkinderen, tweede-generatie emigranten inmiddels, zitten in het nieuwe land en talen niet naar de beklemmende wortels van het oude.

'Nooit heb ik heimwee op een tragischer wijze gesymboliseerd gezien dan in dit verhaal. Soms overtreft de werkelijkheid de fantasie', zegt Hylke Speerstra. De auteur, oud-hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, heeft de wereld rondgereisd om 'levensverhalen van Friese landverhuizers' op te tekenen. Een veertigtal verhalen uit Noord-Amerika, Canada en Zuid-Afrika. Uit Australië en Nieuw-Zeeland, uit Argentinië en Brazilië.

It Wrede Paradys verschijnt komend voorjaar in het Nederlands, ruim voor het evenement Simmer 2000, de massale reünie die vele duizenden Friezen 'om útens' naar hun geboortegrond zal trekken.

Simmer (Zomer) 2000 wordt, volgens Speerstra, door velen die in de jaren veertig en vijftig naar verre oorden trokken als een soort Wiedergutmachung gezien. 'De verhouding van de emigrant tot het oude land is die van een onbeantwoorde liefde. Ze laten een gat in de grond achter waar de wortels uitgescheurd zijn. Die pijn nemen ze mee naar het nieuwe land, terwijl in het oude land het gat al weer snel wordt opgevuld.'

Willem van Dijk uit Durbanville in Zuid-Afrika: 'Hoe zal ik het zeggen, het is alsof men een bosje goudsbloemen in volle bloei uit de grond trekt. Misschien raken diezelfde bloemen aan de andere kant van de wereld ook nog eens in bloei, maar in de grond waaruit de plant is weggescheurd, zit wel een gat.' Zijn vrouw, Aaltsje: 'De goudsbloemen zijn hier weer gaan bloeien.'

Speerstra: 'Ik heb er nooit bij stilgestaan dat de mens niet in staat is in een nieuwe samenleving te integreren. In één mensenleven is de aarde veranderd van een oneindig grote planeet vol onbekende oorden in een wereld die te bereizen is. Vroeger waren mensen gevangenen van hun eigen besluit. De jumbo heeft daar voor de huidige generaties een einde aan gemaakt.'

De emigranten die Speerstra ontmoette, zijn nagenoeg allemaal een halve eeuw geleden uit Friesland vertrokken. In het slothoofdstuk over 'het gebroken dorp' Tzummarum, dat in één klap de succesvolle fanfare aan de diaspora verloor, somt de auteur de talrijke motieven op van een relatief arme en grotendeels agrarische bevolking: het vooruitzicht van een beter klimaat, de landbouwmechanisatie, de aardappelmoeheid, de teruggang in de Wadvisserij, het spook van de overbevolking, de dreigende duivel achter het IJzeren Gordijn, de schaalvergroting in de winkelbranche, de belastingverhogingen van Lieftinck, de crisis- en oorlogsbureaucratie die maar bleef hangen, de angst voor een slechte toekomst voor de kinderen, de verstikkende verzuiling, de toenemende aandrang van de overheid om maar weg te gaan en de voorlichting van de emigratiecentrales, arbeidsbureaus en andere instituten waarover nog weleens een waas van propaganda hing.

Uit het noorden van Friesland vertrok een onevenredig groot aantal gereformeerden. De kleine luyden hoefden Genesis - 'Maak de aarde vol en dienstbaar' - of Hebreeërs - 'Want wij hebben hier niet een stad die blijft, maar wij zoeken steeds weer de stad van de toekomst' - er maar op na te slaan om te beseffen dat ze God konden meenemen naar de andere kant van de wereld. 'Overal gelden des Heren beloften, overal is een akker, en het zaad is het woord.'

Wel gaf Hendrik Algra, indertijd hoofdredacteur van het christelijke Friesch Dagblad, emigranten als waarschuwing mee niet te zwichten voor 'de terreur van de puur materialistische vakbewegingsdictators'. Bij het betreden van de loopplank moest men zich maar afvragen of 'het hart wel zo vol is van die aardse lotsverbetering.'

Nederlanders wilden na de oorlog massaal naar het land van de liberators. Speerstra: 'Emigratie naar Amerika en Canada was een hype. Er was een wereldbrand geweest. Toen de rook optrok, werd een andere wereld zichtbaar. Amerika werd gezien als het paradijs, maar in veel gevallen was het een wreed paradijs.'

Vooral akkerbouwers en veehouders, tot de oorlog trotse bezitters van grote boerderijen met talrijk personeel, gingen op zoek naar een beter bestaan. Speerstra: 'Emigratie, zeker in Friesland, had met status te maken. De agrarische elite van Friesland woont al lang niet meer in Friesland maar in Amerika. Dat manifesteert zich in Friese paarden en sjezen. Nog even en er zijn in Amerika meer sjezen en modelmerries dan in Friesland. Ik zie dat als een symbool dat boeren een zekere status aan hun bestaan koppelen. Eigenwaarde is een belangrijk motief. Ze willen niet als 'die stinkers, die vervuilers' worden gezien. Ze willen de bevoorrechte rentmeesters zijn. Als het hier niet kan, dan maar ergens anders.'

Een nieuwe golf landbouwers, gepersonifieerd door tweevoudig Elfstedentocht-winnaar Evert van Benthem, is nu om diezelfde reden bezig Nederland te verlaten. En als één categorie bijna helemaal in het nieuwe land kan integreren, dan zijn het wel de boeren. Ze zaaien en oogsten en ontlenen hun status aan de binding met het land. Speerstra ziet in de succesvolle integratie van Nederlandse boeren in Amerika en Canada een les voor het allochtonenbeleid in het huidige tijdsgewricht.

'We moeten ons niet ergeren aan groepsgewijze integratie. Wie het pas echt slecht hebben, dat zijn de mensen die in Australië invisible immigrants worden genoemd. Mensen die zoek raken in de massa. Mensen die zich vaak na jaren ploeteren in het nieuwe land realiseren dat ze het mooist aangeharkte land ter wereld hebben verlaten en die hun rancune over de welvaart in het oude land vertalen in wrevel over de normloosheid van dat Sodom en Gomorra aan de Noordzee. Oude mensen voor wie de tweede taal na het arbeidzame bestaan maar een dunne schil blijkt te zijn geweest. Het gevoel van ontheemding, van uitzichtloosheid, is in de multiculturele bejaardencentra van Sydney en Melbourne tastbaar. Een 86-jarige weduwe die je smeekt met je mee te mogen. Terug naar het oude land, naar de wortels. Om er te sterven. Dat is ongelooflijk tragisch.'

Volgens Speerstra is heimwee het laatste taboe van de twintigste eeuw. Hij vertelt het verhaal van Sypke Bajema-Bakker uit Nelson in Nieuw-Zeeland, die niet meer kon eten van heimwee. Ze spaarde voor een reis naar huis, kilometer voor kilometer, zo'n twintigduizend in totaal. Ze dacht alleen nog maar aan het spaarpotje. Cent voor cent spaarde ze en met iedere cent kwam ze weer ietsje dichter bij 'huis'. Zeventien jaar lang spaarde ze. En toen ze eindelijk in Friesland was, wilde ze zo snel mogelijk terug naar Nelson, naar de kinderen en kleinkinderen. Speerstra, lachend: 'De kilometers van Sypke, dat waren de eerste airmiles.'

'Onwennigheid', zegt Anna Postma-Wielinga uit Oakdale in Californië, 'is als een verschrikkelijke geslachtsziekte. Eerst voel je het amper. Maar dan kun je opeens het eten niet meer door je keel krijgen. En dan kun je ook niet meer slapen. Nog weer later kom je onder de huiduitslag te zitten en op het laatst gaat het door het hele lichaam en zit het in je diepste wezen. Op het allerlaatst, in de laatste fase, slaat het je in het hoofd, word je gek. Je gaat eraan dood.'

Het is niet allemaal kommer en kwel wat Speerstra in den vreemde aantrof. Oud-wereldkampioen wielrennen Tiemen Groen uit Follega woont in het Zuid-Afrikaanse Franschhoek, dankzij de wereldwijde antiekhandel als een gefortuneerd man. John Reitsma begon in Idaho als 29-jarige met het wassen van koeienstaarten en bezit nu een ranch waar meer dan zesduizend koeien worden gemolken. 'Je treft echte avonturiers met een enorme actieradius. Die hebben iets mondiaals, ze hebben echtgenotes uit andere culturen. Maar ook zij erkennen dat ze iets ontheemds houden', aldus de auteur.

Wie het in het nieuwe land op latere leeftijd het moeilijkst hebben gekregen, zijn de mensen die hun identiteit hebben verloochend. Emigranten die ervan overtuigd waren dat hun oude identiteit dankzij het overbruggen van de tirannie van de afstand inwisselbaar was geworden voor die van het nieuwe land.

Juist dat gemis aan identiteit versterkt de eenzaamheid. Kunstenaar Melis van der Sluis uit Hamilton in Nieuw-Zeeland, eertijds uit Bolsward, legt in it Wrede Paradys uit waarom: 'Ik wil niet emotioneel doen over het feit dat ik mijn wortels in twee werelden heb. Veel mensen ondergaan dat als een verkniptheid. Ik zie het liever als een soort privilege. Niet iedereen kan zeggen dat hij op beide uiteinden van de wereld wortels heeft. De helft van mijn as zal uitgestrooid worden over de vulkanische grond van mijn nieuwe heitelân, de andere helft over Friese grond.

'Als kunstenaar heb ik altijd de adem van de cultuur waarin ik verkeerde om mij heen gevoeld. Maar toen ik eens in het Princessehof in Leeuwarden een tentoonstelling had, kwam er bijna een storm over me heen. Ik voelde mij ineens in een eeuwenoude cultuur staan waaruit ik zelf voortkwam. Dat gevoel heb ik in mijn werk geprobeerd gestalte te geven. Objecten die niet alleen de lagen van de aardkorst, maar ook de fasen, de tijdlagen van het leven verbeelden. Het is uitbarsting na uitbarsting. Men wordt, als men geluk heeft, steeds ouder en men waagt zich steeds verder. De onderste laag is de eerste. En de oudste. Die eerste laag moet je niet ontkennen, daar word je eerder door gedragen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden